Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8899

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
C/13/529752 / HA ZA 12-1339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

X heeft een kredietovereenkomst gesloten met Deutsche Bank (gedaagde). Deutsche Bank heeft ter zekerheidsstelling van het krediet een recht van hypotheek, gevestigd op een aan X toebehorend schip. X verkoopt het schip aan Bounty Shipping (eiseres). Bounty Shipping betaalt in dit verband een voorschotbedrag van 30% op de koopsom aan X (op een op naam van X staande rekening bij Akbank). Dit bedrag wordt aangewend voor uitstaande vorderingen van het schip. Vervolgens gaat Deutsche Bank (onder meer wegens enige tijd voortdurend tekortschieten van X in haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst) over tot beslaglegging en executoriale verkoop van het schip. Dientengevolge kan X niet aan haar verplichting tot levering van het schip jegens Bounty Shipping voldoen. Het is voor Bounty Shipping voorts onmogelijk het voorschotbedrag van X terug te ontvangen. Bounty Shipping legt aan haar vordering ten grondslag: misbruik van bevoegdheid door Deutsche Bank om tot executoriale verkoop van het schip over te gaan, althans (anderszins) onrechtmatig handelen van Deutsche Bank, althans ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank verwerpt alle grondslagen en wijst de vordering af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/529752 / HA ZA 12-1339

Vonnis van 4 december 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

BOUNTY SHIPPING LIMITED,

gevestigd te Charlestown, Nevis,

eiseres,

advocaat mr. A.J. van Steenderen,

tegen

de naamloze vennootschap

DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.I.M. van Mierlo.

Partijen zullen hierna Bounty Shipping en Deutsche Bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juni 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Deutsche Bank is de rechtsopvolger van New HBU II N.V. Waar hierna sprake is van Deutsche Bank wordt New HBU II N.V. daaronder mede begrepen.

2.2.

Deutsche Bank heeft diverse kredietovereenkomsten gesloten met [X] (hierna: [X]), waarvan de laatste dateert van 12 maart 2009. Bij deze overeenkomst (hierna: de kredietovereenkomst) heeft Deutsche Bank, onder bepaalde voorwaarden, een krediet van USD 2.050.000,- aan [X] ter beschikking gesteld. Ter zekerheidheidstelling van de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen van [X] jegens Deutsche Bank, is ten gunste van Deutsche Bank een hypotheekrecht gevestigd op het op dat moment aan [X] in eigendom toebehorende ‘[het schip]’(hierna: [het schip] of het schip).

2.3.

In januari 2010 moest [het schip] door technische problemen neerstrijken in de haven van Algeciras, Spanje. Ter plaatse is door de bemanning van [het schip] vervolgens beslag gelegd op [het schip] terzake onbetaalde salarissen. [X] werd hierdoor geconfronteerd met aanzienlijke (extra) kosten.

2.4.

In diezelfde periode kwam [X] haar betalingsverplichtingen uit de kredietovereenkomst jegens Deutsche Bank niet na. Op 27 januari 2010 heeft Deutsche Bank dienaangaande een ingebrekestelling aan [X] gestuurd, waarbij [X] een periode van veertien dagen werd aangezegd om de tekortkoming onder de kredietovereenkomst te herstellen, bij gebreke waarvan Deutsche Bank juridische stappen aankondigde.

2.5.

Begin 2010 zag [X], (mede) vanwege voornoemde financiële omstandigheden, aanleiding [het schip] te verkopen. Hiertoe heeft zij contact gelegd met diverse potentiële kopers.

2.6.

[X] en Deutsche Bank hebben in de periode van half januari 2010 tot 10 februari 2010 veelvuldig e-mailcontact met elkaar gehad, onder meer over de voorgenomen verkoop van [het schip]. In de e-mailcorrespondentie is eerst [partij 1] en daarna [partij 2] (hierna: [partij 2]) als potentiële koper genoemd. De voorwaarden waaronder Deutsche Bank met een onderhandse verkoop van [het schip] (aan [partij 2]) akkoord kon gaan, zijn hierbij aan de orde gekomen.

2.7.

Bij e-mailbericht van 4 februari 2010 heeft [X] een concept Memorandum of Agreement tussen haar en [partij 2] (hierna ook: de [partij 2] MoA) aan Deutsche Bank gestuurd. In de concept [partij 2] MoA is onder meer opgenomen dat [partij 2] een voorschot op de koopprijs van 30% van de koopsom op een door [X] bij Deutsche Bank aangehouden rekening zal voldoen.

2.8.

Op 10 februari 2010 heeft Deutsche Bank in het kader van de voorgenomen koopovereenkomst tussen [partij 2] en [X] onder meer het volgende aan [X] geschreven.

“(…)

The bank can confirm that the deposit will not be blocked as long as it is used for the current outstandings that the [het schip] has in regards to the port, agent and charterparty. Further more the money may be used for the repairs planned in so far as they do not exceed the usd 100,000. (…)”

2.9.

[X] is er vervolgens mee bekend geworden dat de koopovereenkomst tussen haar en [partij 2] (toch) niet tot stand kon komen. Kort daarna, op 14 februari 2010, heeft [X] een Memorandum of Agreement terzake [het schip] met Bounty Shipping gesloten (hierna ook: de Bounty Shipping MoA), waarbij een koopsom is overeengekomen van USD 1.475.099,50. In de Bounty Shipping MoA is opgenomen dat 30% van de koopsom als voorschot op de koopprijs door Bounty Shipping betaald zal worden op een op naam van [X] staande rekening aangehouden bij [bank] te [land] (hierna: [bank]) en dat het restant van de koopsom bij levering in India aldaar zal worden voldaan op een op naam van [X] staande rekening bij Deutsche Bank.

2.10.

Op 16 februari 2010 heeft Bounty Shipping het voorschotbedrag van 30% (USD 442.474,-) op de betreffende rekening bij [bank] voldaan.

2.11.

Bij e-mailbericht van 18 februari 2010 heeft [X] Deutsche Bank erover geïnformeerd dat de koop tussen [X] en [partij 2] niet is doorgegaan en dat zij met een nieuwe koper – Bounty Shipping – tot een overeenkomst is gekomen. Met betrekking tot dit laatste heeft [X] in het e-mailbericht van 18 februari 2010, voor zover hier van belang, het volgende aan Deutsche Bank geschreven.

“(…)

We glad to inform you tt, now attached the new MOA with new buyer who was signed accordingly.

Deposit to be lodged into owners account in [land] , with this deposit to be used for release of the vessel and docking expenses in [land] also will send all proven documents once paid accordingly.

(…)”

2.12.

Nadien hebben [X] en Deutsche Bank, onder meer per e-mail, contact met elkaar gehad. Bij e-mail van 1 maart 2010 heeft Deutsche Bank aan [X], voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“After being informed by you on Friday that you were able to release the vessel from Algeciras I would like to receive an update of the plans for the coming weeks. (…)

I understand that the vessel is sailing for [land] now. We would like to know what the exact repairs are that are going to be done, the time that these repairs will take and what the costs will be. (…) Furthermore we would like an update of the costs that you have made up till now to release [het schip].

(…)”

2.13.

Vervolgens heeft Deutsche Bank bij e-mailbericht van 3 maart 2010, voor zover hier van belang, het volgende aan [X] geschreven.

“(…)

As you can onderstand, and as we have informed you (…) over the phone the last two weeks, we are not happy with the way that the whole proposed sale of [het schip] has been conducted. We were not informed about the prospective buyers, not asked whether we agree with the MoA and also the deposit was not placed with HBU as we had clearly stated was a pre-requisite for our approval of the sale. Furthermore we were misled about the signing of the MoA – when asked, you denyed having signed a MoA and only informed us of the signing four days after the fact and then only because we were informed by another source that the MoA had been signed.

As mortgagee’s we have yet to agree the signing of the MoA and the repercussions of same.

(…)”

2.14.

Op 5 maart 2010 heeft Deutsche Bank executoriaal beslag gelegd op [het schip]. Tijdens een veiling op 5 mei 2010 is [het schip] bij opbod executoriaal verkocht voor een bedrag van EUR 781.000,- (USD 1.009.364,40), waarna [het schip] in eigendom is overgegaan op de betreffende koper. De opbrengst van de executoriale verkoop is verdeeld tussen Deutsche Bank en enkele (andere) crediteuren met voorrecht op het schip. De opbrengst was niet voldoende om aan concurrente schuldeisers enige uitkering te doen.

3 Het geschil

3.1.

Bounty Shipping vordert – samengevat – veroordeling van Deutsche Bank tot betaling van USD 442.474,-, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

Bounty Shipping legt hieraan ten grondslag dat Deutsche Bank misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om tot executoriale verkoop van het schip over te gaan, althans (anderszins) onrechtmatig jegens Bounty Shipping heeft gehandeld, althans ongerechtvaardigd is verrijkt. Bounty Shipping stelt hiertoe – kort gezegd – het volgende. Deutsche Bank heeft [X] in januari en februari 2010 aangemoedigd en gestimuleerd [het schip] onderhands te verkopen. Deutsche Bank heeft [X] daarbij de ruimte geboden binnen door Deutsche Bank gestelde marges een onderhandse koper voor [het schip] te vinden. Deze marges hielden in dat 30% van de koopsom als voorschotbedrag door de koper betaald moest worden en dat dit voorschotbedrag zou worden aangewend ter voldoening van de openstaande vorderingen op [het schip]. Aan deze marges is bij de Bounty Shipping MoA voldaan. Bovendien heeft Deutsche Bank haar goedkeuring gegeven aan de concept [partij 2] MoA, die op de identiteit van de koper na gelijk is aan de Bounty Shipping MoA. In de uitvoering is het voorschot van 30% van de koopsom weliswaar op een andere bankrekening betaald dan opgenomen in de concept [partij 2] MoA, maar dat bedrag heeft vervolgens alsnog de door Deutsche Bank gewenste bestemming (voldoening van de openstaande vorderingen) gekregen. Na op 18 februari 2010 over de gesloten Bounty Shipping MoA geïnformeerd te zijn, heeft Deutsche Bank twee weken stil gezeten, waarna zij plotseling bij e-mailbericht van 3 maart 2010 een andere koers is ingeslagen en is teruggekomen op de aanmoedigingen tot onderhandse verkoop. Vervolgens heeft zij aangestuurd op beslaglegging en executieverkoop van [het schip]. Met haar handelwijze heeft Deutsche Bank bepaalde verwachtingen gewekt, waarop zij niet zomaar achteraf kon terugkomen. Door desalniettemin te kiezen voor beslaglegging en executoriale verkoop van [het schip] heeft Deutsche Bank willens en wetens de leveringsverplichting van [X] aan Bounty Shipping gefrustreerd. Bovendien, naar Deutsche Bank wist, was terugbetaling van het voorschotbedrag aan Bounty Shipping niet meer mogelijk, omdat dat bedrag toen reeds was aangewend ter voldoening van de op [het schip] rustende openstaande vorderingen, zoals door Deutsche Bank ook was beoogd. Dit betroffen onder meer de loonvorderingen van de bemanning van [het schip] die in vele jurisdicties preferent zijn aan het recht van hypotheek. Hierbij komt dat het schip door de aanwending van het voorschotbedrag ter voldoening van de openstaande vorderingen op het schip de voor Deutsche Bank bij executie ongunstige jurisdictie van Spanje kon verlaten. De positie van Deutsche Bank als hypotheekhouder werd door dit alles verbeterd, ten koste van Bounty Shipping. Het handelen van Deutsche Bank heeft er bovendien toe geleid dat de waarde die voor [het schip] kon worden gerealiseerd aanzienlijk werd teruggebracht, van USD 1.475.099,50 onder de Bounty Shipping MoA tot EUR 781.000,- bij de executoriale verkoop.

3.3.

Deutsche Bank voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.

4.2.

Deze zaak spitst zich toe op de vraag of het handelen van Deutsche Bank misbruik van bevoegdheid, (anderszins) onrechtmatig handelen jegens Bounty Shipping danwel ongerechtvaardigde verrijking oplevert.

4.3.

Bij die beoordeling stelt de rechtbank voorop dat onbetwist is dat [X] begin 2010 jegens Deutsche Bank tekort schoot in haar betalingsverplichtingen uit de kredietovereenkomst en dat Deutsche Bank vanwege (onder meer) dat verzuim uit hoofde van de kredietovereenkomst, de daarbij horende hypotheekakte en de zogeheten Deed of Covenants bevoegd was haar hypotheekrecht uit te winnen door executoriaal beslag te leggen op [het schip] en het schip vervolgens executoriaal te verkopen.

4.4.

Bounty Shipping stelt dat het Deutsche Bank onder de gegeven omstandigheden niet vrij stond om tot executie over te gaan. Naar de rechtbank begrijpt, legt Bounty Shipping daaraan ten grondslag dat Deutsche Bank bij Bounty Shipping de verwachting heeft gewekt dat de bank – kort gezegd – akkoord was met de onderhandse verkoop van [het schip] op de wijze zoals die heeft plaatsgevonden en dat de bank niet zou overgaan tot uitwinning van haar recht van hypotheek op [het schip]. Deutsche Bank kon niet zomaar hierop terugkomen door alsnog te executeren, aldus Bounty Shipping.

4.5.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Ter comparitie is komen vast te staan dat Bounty Shipping voorafgaand aan het leggen van het executoriaal beslag op 5 maart 2010 geen direct contact met Deutsche Bank heeft gehad. Dat de door Bounty Shipping gestelde verwachting door directe contacten tussen partijen door Deutsche Bank bij Bounty Shipping zou zijn gewekt, kan dan ook niet worden aangenomen.

Dat de gestelde verwachting indirect door Deutsche Bank bij Bounty Shipping zou zijn gewekt, kan zonder nadere toelichting – die ontbreekt – evenmin worden aangenomen. Bounty Shipping heeft wel gesteld dat hetgeen Deutsche Bank naar [X] heeft gecommuniceerd een effect heeft op en terecht komt bij derden en dat het de intentie van Deutsche Bank was dat de door haar aan een verkoop te verbinden voorwaarden potentiële kopers zouden bereiken teneinde het consent van de uiteindelijke koper te verkrijgen, maar Bounty Shipping heeft nagelaten deze algemene stelling op enige wijze te concretiseren. Over de vraag of en op welke wijze de gestelde verwachting indirect bij Bounty Shipping zou zijn gewekt, zegt deze algemene stelling dan ook niets. Uit hetgeen van de zijde van Bounty Shipping ter comparitie naar voren is gebracht, blijkt bovendien dat Bounty Shipping eerst na het opkomen van de problemen, en daarmee dus na de beslaglegging op 5 maart 2010, in het bezit is gekomen van de e-mailcorrespondentie tussen [X] en Deutsche Bank terzake de voorgenomen verkoop van [het schip]. Hiermee staat vast dat in ieder geval niet door middel van die correspondentie indirect door Deutsche Bank de gestelde verwachting als verwoord in r.o. 4.4. bij Bounty Shipping kan zijn gewekt. Dit overigens nog daargelaten of – zoals tussen partijen ter discussie staat – uit die e-mailcorrespondentie al een dergelijke verwachting kon en mocht worden afgeleid. Hier komt bij dat, voor zover er al vanuit gegaan moet worden – zoals Bounty Shipping stelt en Deutsche Bank betwist – dat Deutsche Bank eerst bij e-mailbericht van 3 maart 2010, en daarmee twee weken na bekend te zijn geworden met de gesloten Bounty Shipping MoA, haar onvrede richting [X] heeft geuit over de overname van [het schip] door Bounty Shipping en tot 3 althans 5 maart 2010 niet over executoriaal beslag op en/of executieverkoop van het schip heeft gecommuniceerd, dat op zichzelf nog niet de conclusie rechtvaardigt dat Bounty Shipping mocht verwachten dat Deutsche Bank niet tot uitwinning van haar hypotheekrecht zou overgaan. Om dat gerechtvaardigd aan te mogen nemen zijn bijkomende feiten en omstandigheden nodig. Dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan, is evenwel gesteld noch gebleken.

Het voorgaande leidt ertoe dat de stelling van Bounty Shipping dat Deutsche Bank gehandeld heeft in strijd met de door haar bij Bounty Shipping gewekte verwachting dat zij akkoord was met de koop van [het schip] door Bounty Shipping onder de voorwaarden zoals plaatsgevonden en dat zij niet tot uitwinning van haar recht van hypotheek zou overgaan, door de rechtbank wordt verworpen.

4.6.

Dit betekent dat de vordering van Bounty Shipping voor zover die is gebaseerd op hetgeen in r.o. 4.4. is verwoord niet voor toewijzing vatbaar is. Hetgeen in dit verband overigens nog tussen partijen ter discussie staat, waaronder de vragen of Deutsche Bank [X] in januari en februari 2010 heeft aangemoedigd om tot onderhandse verkoop over te gaan en welke voorwaarden Deutsche Bank in haar communicatie met [X] in januari/februari 2010 aan de onderhandse verkoop van het schip verbond, kan hiermee (verder) onbesproken blijven.

4.7.

De rechtbank begrijpt dat Bounty Shipping voorts aan haar vordering ten grondslag legt dat Deutsche Bank onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door te profiteren van het feit dat het door Bounty Shipping betaalde voorschotbedrag van USD 442.474,- is aangewend ter voldoening van uitstaande vorderingen op [het schip].

4.8.

De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat Deutsche Bank voordeel van het voorschotbedrag zou hebben genoten, hetgeen Deutsche Bank – zo begrijpt de rechtbank – betwist, nog geen onrechtmatig handelen van Deutsche Bank jegens Bounty Shipping oplevert. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden vereist.

4.9.

Vaststaat dat het door Bounty Shipping betaalde voorschotbedrag is gestort op een door [X] bij [bank] aangehouden rekening, en daarmee op een rekening van [X] bij een andere bank dan Deutsche Bank. Gelet hierop moet worden aangenomen, zoals Deutsche Bank met juistheid aanvoert, dat Deutsche Bank geen inzicht had in of invloed had op het aanwenden van dat bedrag. Bounty Shipping voert aan dat Deutsche Bank geen bezwaar heeft gemaakt toen zij op 18 februari 2010 door [X] werd geïnformeerd over de gesloten Bounty Shipping MoA en de (voorgenomen) wijze van aanwending van het door Bounty Shipping gestorte voorschotbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het niet direct (schriftelijk) protesteren tegen de mededeling van [X] van 18 februari 2010 de handelwijze van Deutsche Bank echter nog niet onrechtmatig. Deutsche Bank heeft niet de regie gehad over de totstandkoming van de Bounty Shipping MoA of over de storting door Bounty Shipping van het voorschotbedrag op de door [X] bij [bank] aangehouden bankrekening. Deutsche Bank werd op 18 februari 2010 voor een voldongen feit gesteld. Onder die omstandigheden heeft Deutsche Bank geen zorgvuldigheidsnorm jegens de haar tot op dat moment onbekende partij Bounty Shipping geschonden door niet direct bij [X] te protesteren tegen deze gang van zaken.

4.10.

Bovendien is voor aansprakelijkheid ingevolge artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) vereist dat als gevolg van het gestelde onrechtmatig handelen schade is geleden. Dat Bounty Shipping schade door het hiervoor genoemde handelen van Deutsche Bank heeft geleden, kan niet worden aangenomen. Immers, het voorschotbedrag is reeds op 16 februari 2010 door Bounty Shipping op de op naam van [X] staande rekening bij [bank] voldaan. Toen Deutsche Bank op 18 februari 2010 bekend werd met de tussen Bounty Shipping en [X] gesloten Bounty Shipping MoA was dit bedrag dus reeds uit het vermogen van Bounty Shipping gevloeid. Bounty Shipping heeft niet (gemotiveerd) gesteld wat het gevolg was geweest indien Deutsche Bank direct na bekendwording met de Bounty Shipping MoA op 18 februari 2010 haar bezwaren daartegen had geuit. Zo is bijvoorbeeld niet gesteld dat in dat geval het voorschotbedrag niet door [X] voor de openstaande vorderingen was aangewend. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt dan ook niet in te zien welk nadeel Bounty Shipping heeft ondervonden van het, door Bounty Shipping gestelde en door Deutsche Bank weersproken, feit dat Deutsche Bank na het e-mailbericht van 18 februari 2010 twee weken heeft gewacht alvorens zij haar bezwaren ten aanzien van de koop tussen Bounty Shipping en [X] kenbaar maakte. Ook om deze reden kan Bounty Shipping dus niet worden gevolgd in haar stelling dat op basis van het voornoemde door haar naar voren gebrachte feitencomplex sprake is van een door Deutsche Bank jegens haar gepleegde onrechtmatige daad.

4.11.

Dat voor het overige sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW danwel (anderszins) onrechtmatig handelen van Deutsche Bank jegens Bounty Shipping, is niet althans onvoldoende onderbouwd en wordt derhalve verworpen.

4.12.

Tot slot baseert Bounty Shipping haar vordering op ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank verwerpt ook deze grondslag van de vordering. Ingevolge artikel 6:212 BW is voor het aannemen van ongerechtvaardigde verrijking vereist dat de verrijking van de een, ten koste van de ander, ongerechtvaardigd is. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat Deutsche Bank een recht van hypotheek op [het schip] had en dat zij in 2010 op grond van hetgeen [X] en Deutsche Bank in dat verband waren overeengekomen (in beginsel) gerechtigd was tot de executie van dat recht. Voor de verrijking van Deutsche Bank door de executieverkoop van het schip bestond aldus een rechtvaardiging, zodat het beroep op ongerechtvaardigde verrijking reeds hierop strandt.

4.13.

Nu al hetgeen Bounty Shipping aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd wordt verworpen, zal de vordering worden afgewezen.

4.14.

Bounty Shipping zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Deutsche Bank worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat € 2.842,00 (2 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.463,00

4.15.

De door Deutsche Bank gevorderde veroordeling van Bounty Shipping in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

4.16.

De gevorderde wettelijke rente over de proces- en nakosten zal als onweersproken worden toegewezen op nagenoemde wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Bounty Shipping in de proceskosten van Deutsche Bank, tot op heden begroot op € 6.463,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 december 2013 als Bounty Shipping deze kosten niet voldoet binnen veertien dagen na dit vonnis,

5.3.

veroordeelt Bounty Shipping, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Deutsche Bank volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. en 5.3. vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R. Wisse, mr. M.W. van der Veen en mr. T.T. Hylkema en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.