Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8891

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
HA RK 13-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechter heeft een rolbeslissing genomen en daarbij bepaald dat aan de zijde van verzoekers geen getuigenverhoor wordt bepaald, omdat verzoekers in hun akte niet hebben aangegeven dat zij getuigen wensen te horen. Volgens verzoekers is dit niet juist, omdat uit hun akte valt af te leiden dat zij wel een expliciet aanbod hebben gedaan om een getuige te horen.

De rechtbank is van oordeel dat deze processuele beslissing in beginsel geen grond tot wraking kan vormen. Verzoek tot wraking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Afdeling Privaatrecht

Beschikking op het op 14 maart 2013 schriftelijk gedane en onder rekestnummer

HA RK 13-73 ingeschreven verzoek van:

1) CÁTENON B.V.

gevestigd te Amsterdam

2) CÁTENON MIDDLE EAST FZ LLC

gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,

verzoeksters,

advocaat mr. Th.H.P. van den Kieboom te Utrecht

welk verzoek strekt tot wraking van mr. P. van der Kolk-Nunes, voorzieningenrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

  • -

    Het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen van 14 maart 2013;

  • -

    De schriftelijke reactie met bijlage van de rechter d.d. 2 april 2013.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 12 april 2013. De advocaat van verzoeksters is verschenen. De rechter is niet verschenen. De advocaat van verzoekers heeft het verzoek nader toegelicht aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota.

De behandeling is vervolgens gesloten. Van de behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op vrijdag 19 april 2013.

1 De feiten

1.1

Bij de rechtbank, sector kanton, locatie Amsterdam, is in behandeling een zaak met zaaknummer 1268533 CV EXPL 11-23812. Het betreft een arbeidszaak.

1.2

Op 15 januari 2013 is een tussenvonnis gewezen waarin Cátenon B.V. is toegelaten tegenbewijs te leveren ten aanzien van het toepasselijke recht.

1.3

Op de rol van 12 februari 2013 heeft Cátenon c.s. een akte houdende uitlating bewijsaanbod genomen.

1.4

Op 19 februari 2013, heeft de rechter een rolbeslissing gegeven waarin onder meer is overwogen: Nu Caténon B.V. niet aangeeft dat zij getuigen wenst te horen, wordt geen getuigenverhoor aan haar zijde bepaald en wordt [A] in de gelegenheid gesteld inhoudelijk op de akte van Caténon B.V. te reageren en desgewenst getuigen op te geven die hij (bij wijze van contra-enquête) wenst te laten horen.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Verzoeksters voeren aan dat voorafgaand aan de rolbeslissing van 19 februari 2013 verzoekster sub 1 door de rechter in de gelegenheid is gesteld om zich bij akte uit te laten over haar bewijsmiddelen. Deze akte is in het geding gebracht op 12 februari 2013. In deze akte, staat in punt 33 expliciet vermeld: "de heer [B] kan en wenst de gang van zaken zoals hiervoor geschetst ook te onderschrijven." Uit deze zin, én ook uit de overige inhoud van de akte, blijkt zeer duidelijk dat er een expliciet aanbod wordt gedaan om de heer [B] als getuige te horen. Voorts wordt in deze akte specifiek en uitgebreid ingegaan op welke feiten en omstandigheden hij als getuige wenst én kan onderschrijven.

2.2

De kantonrechter is in de ogen van verzoeksters dan ook ten onrechte voorbij gegaan aan dit expliciete bewijsaanbod. Dit vormt een wezenlijke processuele benadeling. Een en ander klemt in het bijzonder omdat partij [A] vervolgens in de gelegenheid is gesteld om in een contra-enquête getuigen te horen. Deze gang van zaken (het houden van een contra-enquête na een niet gehouden enquête) kan niet gerijmd worden met het vonnis dat op 15 januari 2013 is gewezen waarin verzoeksters uitdrukkelijk in de gelegenheid zijn gesteld om bewijsmiddelen op te geven, zoals vermeld in randnummer 34 van dit vonnis.

2.3

Ook eerder zijn verzoeksters processueel wezenlijk en in hun ogen ten onrechte benadeeld omdat er geen acht was geslagen op stukken die door hen tijdig waren ingediend. Verzoeksters verwijzen naar een brief van 3 april 2012 die naar de rechtbank is gestuurd.

2.4

Tot slot hebben verzoeksters nog expliciet en voor de goede orde aan de kantonrechter gevraagd om toestemming te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen een tussenvonnis dat is gewezen betreffende de (on)bevoegdheid van de rechter. De rechter heeft beslist dat er geen tussentijds hoger beroep mocht worden ingesteld, hetgeen gelet op de aard van deze beslissing ook als wezenlijke processuele benadeling kan worden beschouwd. Er waren in de ogen van verzoekster geen legitieme of goede gronden, om dit verzoek niet toe te staan.

2.5

Dit alles in onderlinge samenhang bezien leidt in de ogen van verzoeksters tot de conclusie dat hier sprake is van subjectieve en objectieve onpartijdigheid, althans dat de dienaangaande bestaande vrees bij verzoekende partijen, dat de rechter niet onpartijdig is, objectief gerechtvaardigd is, waardoor verzoeksters zich tot de wrakingskamer wenden met het verzoek de kantonrechter voornoemd, te wraken.

3 De reactie van de rechter

3.1

De rechter betreurt het dat verzoeksters twijfelen aan haar onpartijdigheid. De rechter is van mening dat die twijfel ten onrechte is. Een wrakingsprocedure beoogt een partij te beschermen ingeval van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Verzoeksters zijn het niet eens met een door de rechter genomen rolbeslissing van 19 februari 2013. In die rolbeslissing is gemotiveerd aangegeven waarom geen getuigenverhoor aan de zijde van verzoekster sub 1 wordt bepaald. Ten aanzien van verzoekster sub 2 is in rechtsoverweging 31 van het vonnis van 15 januari 2013 beslist dat de wederpartij in zijn vordering tegen deze vennootschap niet ontvankelijk zal worden verklaard.

3.2

De inhoud van een rolbeslissing kan naar de mening van de rechter niet tot toewijzing van een wrakingsverzoek leiden. Een rechterlijke, juridische, inhoudelijke beslissing (ook indien deze niet juist zou zijn) kan niet op deze wijze aan de orde worden gesteld. Hetzelfde geldt voor hetgeen de advocaat van verzoeksters bij brief van 3 april 2012 heeft opgemerkt over het op 28 februari 2012 gewezen vonnis en de beslissing van 5 juni 2012 om geen tussentijds hoger beroep toe te staan.

3.3

De rechter stelt zich in een ingewikkelde positie te bevinden, nu de Hoge Raad blijkens een drietal uitspraken van 6 maart 2013 (LJN: BZ 3450, 3462 en 3458) niet toelaat dat de rechter nader uitlegt waarom zij tot haar beslissing is gekomen. De rechter spreekt slechts door haar vonnis. Met dit vonnis moeten procespartijen en derden het doen. Rechters behoren hun beslissingen niet van commentaar te voorzien en horen deze ook niet te verduidelijken.

3.4

Voor wat betreft de rolbeslissing van 9 februari 2013 volstaat de rechter dan ook met een verwijzing naar die beslissing en naar het vonnis van 15 januari 2013, waarin verzoekster sub 1 toegelaten wordt tot het leveren van tegenbewijs en het opgeven van de getuigen en verhinderdata. Voorts verwijst de rechter naar de daarop door verzoeksters genomen "akte houdende uitlating bewijsaanbod". Verhinderdata zijn daarbij niet opgegeven, aldus de rechter.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dient in een wrakingprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3.

Het verwijt betreft een ter zake door de rechter genomen procesbeslissing. Wat er ook zij van de door verzoeksters daartegen aangevoerde bezwaren, het gesloten systeem van rechtsmiddelen biedt geen ruimte voor een beoordeling binnen het kader van een wrakingsprocedure van de juistheid van een door de rechter genomen (processuele) beslissing. Grond voor wraking bestaat alleen als voor zodanige beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat deze voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter. Uit hetgeen door verzoeksters is aangevoerd en overigens is gebleken kan iets dergelijks niet worden afgeleid.

4.4

Ook indien hetgeen door verzoeksters is aangevoerd in onderling verband en samenhang wordt bezien, kan daaruit niet worden afgeleid dat sprake zou kunnen zijn van enige (schijn van) vooringenomenheid. Kort en goed komt het er immers op neer dat verzoeksters zich niet kunnen verenigen met een aantal door de rechter genomen (procedurele) beslissingen. Dat levert geen grond voor wraking op.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond dient te worden afgewezen.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G:

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de procedure wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mrs. M.V. Ulrici en W.M.C. van den Berg, leden, in tegenwoordigheid van F.C.H. Krieger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2013.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.