Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8879

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
2046033 \ CV EXPL 13-11750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde gebruikte voor zijn columns op een website in 2007 twee keer een foto die eiser, een beroepsfotograaf had gemaakt. De kantonrechter stelt vast dat hij daarmee inbreuk maakte op het auteursrecht van eiser én dat het betreffende gebruik niet valt onder het citaatrecht. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de gebruikelijke licentievergoeding. De vordering tot betaling van een verhoging van 100% op de materiele schadevergoeding wegens “het niet kunnen stellen van voorwaarden met betrekking tot (onder andere) de duur van het gebruik” wordt afgewezen. Een dergelijke verhoging past niet in het systeem van het Nederlandse schadevergoedingsrecht bij onrechtmatige daad. Het systeem gaat uit van een reële schade¬vergoeding in het individuele geval. Een vorm van schadevergoeding als middel om gene¬rale preventie te bevorderen past daarin niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 2046033 \ CV EXPL 13-11750

Uitspraak: 4 december 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. K.M. van Boven,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

gemachtigde mr. Th.J. Bousie

Partijen worden hierna respectievelijk [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 mei 2013 producties,

  • -

    akte houdende conclusie van antwoord tevens akte houdende overlegging van producties,

  • -

    het tussenvonnis van 24 juli 2013, waarbij een verschijning van partijen is bevolen,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 31 oktober 2013, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is beroepsfotograaf. Hij is de maker van onder meer de onderstaande foto’s:

(foto[titel])

en

(foto terras [Café])

De foto’s zijn te vinden op de website van [eiser], [website].

2.2.

[eiser] gebruikt zijn website, om de door hem gemaakte foto’s tegen betaling aan te bieden voor publicatie. Ook in 2007 stonden deze foto’s op de website.

2.3.

Op zijn website verwijst [eiser] thans naar de Algemene Voorwaarden van de FotografenFederatie van oktober 2011 (hierna: algemene voorwaarden 2011) en de Richtprijzen fotografie 2009. In 2007 verwees hij naar de Richtprijzen fotografie 2005.

2.4.

[gedaagde] (hierna: [gedaagde]) is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde]. Hij is schrijver en publiceert onder de schrijversnaam [gedaagde].

2.5.

[gedaagde] is bij SIDN geregistreerd als houder van de domeinnaam [website]

2.6.

Op [website] verschijnen columns geschreven door [gedaagde].

2.7.

Op 1 maart 2007 is op [website] de navolgende column van [gedaagde] verschenen:

2.8.

Op 13 maart 2007 is op [website] de volgende column van [gedaagde] verschenen:

2.9.

[eiser] heeft geen toestemming verleend voor het gebruik van zijn foto’s op [website]

2.10.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft de gemachtigde van [eiser] zich gewend tot [gedaagde] en [gedaagde] aangesproken wegens inbreuk op het auteursrecht van [eiser] op de in r.o. 2.1. afgedrukte foto’s. Voor zover thans van belang houdt die brief in dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat het citaatrecht in de gegeven omstandigheden niet van toepassing is omdat aan de formele eisen niet is voldaan, omdat de bron waaruit de foto’s zijn overgenomen niet is vermeld en voorts omdat de wijze waarop de foto’s zijn gebruikt de grenzen van het citaatrecht overschrijdt. Voorts houdt de brief van de gemachtigde van [eiser] voor zover van belang in:

“[…] De geleden schade bestaat in ieder geval uit de gederfde licentie-inkomsten. De normale vergoeding die cliënt vraagt voor het gebruik van een foto op het internet is € 240,= per foto per jaar, met een minimum van een jaar.

De totale schade is echter (veel) hoger.

Cliënt lijdt immers ook schade door de inbreuk op zijn exclusieve recht uitsluitend zelf te bepalen waar en hoe zijn foto’s gebruikt worden. […]

Deze totale schade begroot cliënt aan de hand van de algemene voorwaarden van de Nederlandse Fotografenfederatie, die hij steeds van toepassing verklaart op de overeenkomsten die hij aangaat voor het gebruik van zijn foto’s.

[…]

Mijn cliënt geeft de voorkeur aan een buitengerechtelijke afdoening van de kwestie en doet daarbij het volgende, niet onderhandelbare voorstel:

 U verwijdert de foto’s van cliënt van uw website en houdt deze ook verwijderd;

 U gebruikt geen andere foto’s van cliënt (meer) zonder zijn voorafgaande toestemming;

 U betaalt cliënt een vergoeding van € 960,= voor de door de inbreuk geleden schade;

[…]”

2.11.

Naar aanleiding van de brief van 14 maart 2003 is er tussen (de gemachtigde van) [eiser] en ([gedaagde], namens) [gedaagde] gecorrespondeerd. In de (email) correspondentie heeft [gedaagde] zich beroepen op het citaatrecht maar zich, bij wijze van schikking, bereid verklaard tot betaling van € 480,00.

2.12.

De algemene voorwaarden 2011 houden, voor zover van belang in:

[…]

17. Inbreuk op auteursrecht

17.1

Elk gebruik van een Fotografisch werk dat niet is overeengekomen wordt beschouwd als een inbreuk op het auteursrecht van de Fotograaf.

17.2

Bij inbreuk komt de Fotograaf een vergoeding toe ter hoogte van tenminste driemaal de door de Fotograaf gebruikelijk gehanteerde licentievergoeding voor een dergelijke vorm van gebruik, zonder enig recht te verliezen op vergoeding van overige geleden schade (waaronder begrepen het recht op vergoeding van alle directe en indirecte schade en alle daadwerkelijke gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten)

[…]

2.13.

De Richtprijzen fotografie 2009 houden voor het gebruik op internet, voor zover thans van belang in:

[...]

2.14.

De Richtprijzen fotografie 2005 houden voor het gebruik op internet, voor zover thans van belang in:

[...]

[…]

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet dat toelaat:

  1. Voor recht verklaart dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van [eiser];

  2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 960,00 schadevergoeding voor inbreuk op de auteursrechten van [gedaagde], dan wel [gedaagde] te veroordelen tot het voldoen van een bedrag aan schadevergoeding voor inbreuk op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiser], dat de kantonrechter redelijk voorkomt;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de volledige proceskosten van het geding ex artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), dan wel gedaagde te veroordelen in de proceskosten van het geding waaronder het salaris van gemachtigde en de buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

  4. [gedaagde] te veroordelen tot het voldoen van de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv ten bedrag van € 100,00;

  5. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser] grondt zijn vordering op de stelling dat [gedaagde], zonder toestemming fotowerken werken van hem, waarop hij auteursrecht heeft, openbaar gemaakt heeft op[website]. Voorst stelt [eiser] dat het gebruik heeft plaatsgevonden buiten de grenzen van het citaatrecht en zonder bronvermelding.

Als schadevergoeding vordert [eiser] een bedrag van € 960,- te weten:

  • -

    vergoeding van gederfde licentie-inkomsten à € 240,- per foto per jaar, vergoeding van de (immateriële) schade beperkt tot 200% van de gederfde licentievergoeding vanwege inbreuk op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten, door het niet kunnen stellen van voorwaarden met betrekking tot (o.a. de duur van) de inbreuk,

  • -

    en beperkt tot het bedrag waarvoor hij bereid was de kwestie buitengerechtelijk af te doen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

Het verweer houdt kort gezegd in dat [gedaagde] niet verantwoordelijk is voor de inhoud van [website] omdat de inhoud geheel wordt bepaald door [gedaagde].

Subsidiair stelt [gedaagde] dat het gebruik van de litigieuze foto’s geoorloofd was in het kader van het citaatrecht en meer subsidiair dat de gevorderde schadevergoeding te hoog is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geding dat de litigieuze foto’s fotografische werken zijn als bedoeld in artikel 10 lid 1 onder 9o van de Auteurswet (hierna: Aw) en dat [eiser] de maker is van die werken als bedoeld in artikel 1 Aw, zodat hem in beginsel het uitsluitend recht toekomt die werken openbaar te maken en te verveelvoudigen.

Voorts staat vast dat de werken op [website] vanaf 2007 tot 2013 zonder toestemming van [eiser] openbaar zijn gemaakt.

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat zij niet verantwoordelijk is voor de openbaarmakingen op [website]. Daartoe stelt [gedaagde] dat zij weliswaar als domeinnaamhouder van de site bij SIDN geregistreerd staat maar dat zij op de inhoud van de site geen invloed heeft, nu die geheel en al door [gedaagde] wordt gemaakt.

Het verweer wordt verworpen.

Weliswaar is juist de stelling van [gedaagde] dat niet steeds de domeinnaamhouder ook als aansprakelijke voor de inhoud van de website heeft te gelden, maar in beginsel kan er van worden uitgegaan dat de domeinnaamhouder ook degene is die op de site openbaar maakt. Dat kan anders zijn, maar niet in een geval als het onderhavige, waarbij de domeinnaam gehouden wordt door een rechtspersoon die bestuurd wordt en waarvan alle aandelen worden gehouden door de persoon die de feitelijke handelingen op de website verricht. De kennis en wetenschap van die persoon moeten immers aan de vennootschap worden toegerekend.

Om die zelfde reden kan ook een beroep op artikel 6:196c lid 4 BW niet worden gehonoreerd.

4.3.

Vervolgens heeft [gedaagde] een beroep gedaan op artikel 15a Aw, het citaatrecht.

Artikel 15a lid 1 Aw luidt:

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het citeren uit een werk in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of voor een uiting met een vergelijkbaar doel mits:
1°. het werk waaruit geciteerd wordt rechtmatig openbaar gemaakt is;
2°. het citeren in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is en aantal en omvang der geciteerde gedeelten door het te bereiken doel zijn gerechtvaardigd;
3°. artikel 25 in acht wordt genomen; en
4°. voor zover redelijkerwijs mogelijk, de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke wijze wordt vermeld.

[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] geen beroep op het citaatrecht toekomt.

4.4.

[eiser] heeft onder meer gesteld dat de publicatie van [gedaagde] niet voldoet aan de aan een citaat te stellen eisen. Daartoe heeft [eiser] aangevoerd dat het gebruik van de foto ‘[titel]’ de grenzen van het citaatrecht overschrijdt, omdat deze foto geen enkele relatie heeft met het [titel] en ook niet blijkt waarom juist deze dansscene met [naam 1] en [naam 2] representatief is voor hoe een boekenbal eruit ziet.

Artikel 15a lid 1 aanhef Aw bepaalt dat het bij een rechtmatig citaat moet gaan om een citaat in het kader van een “aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of voor een uiting met een vergelijkbaar doel”. Letterlijk genomen voldoet het citaat aan die omschrijving. [gedaagde] kondigt immers in de bij de foto geplaatste tekst aan dat hij een dagje verstek zal laten gaan, omdat hij naar het boekenbal zal gaan. Een redelijke uitleg van de bepaling die, omdat het een beperking op het auteursrecht betreft, terughoudend moet worden uitgelegd, brengt mee dat niet iedere aankondiging een vrijbrief is om daarbij willekeurig welke afbeelding te plaatsen. Er dient een voldoende functioneel verband te zijn tussen de geciteerde afbeelding en de aankondiging. Van enig functioneel verband is sprake, nu de aankondiging betrekking heeft op een absentie vanwege het boekenbal en de afbeelding een foto is die genomen is op een boekenbal. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat verband echter onvoldoende. Het betreffende boekenbal vond immers plaats in 2007, terwijl de foto het [titel] betreft. Kennelijk heeft de foto hier geen andere betekenis dan het begrip 'boekenbal' te illustreren. Daar komt bij dat de illustratie ook niet ondergeschikt is aan de tekst, maar wat betreft de omvang ongeveer gelijk is. Ook naar de betekenis gezien is de foto niet bestemd om dienstbaar te zijn aan de tekst, zoals blijkt uit de uitlating van [gedaagde] ter comparitie. Die heeft immers verklaard:

“Het artikel ‘hoe ziet een boekenbal er uit’, had niet kunnen bestaan zonder de foto. Zonder de foto valt het bestaansrecht van het artikel weg.”

In die omstandigheden heeft te gelden dat het gebruik van de foto “[titel]” niet is aan te merken als een geoorloofd citaat als bedoeld in artikel 15a lid 1 aanhef Aw.

4.5.

Ten aanzien van de foto ‘schrijvers op terras’ heeft [eiser] aangevoerd dat deze bij de column louter illustratief is gebruikt.

De kantonrechter stelt vast dat de betreffende column onder de titel “[titel]” (De titel ‘[titel]’ zoals door [eiser] in de dagvaarding gebruikt is kennelijk het gevolg van een corruptie van de tekst bij het overnemen van de column in de dagvaarding van het internet) een klassieke bespreking is van een boekpresentatie en in die zin een beoordeling als bedoeld in artikel 15a lid 1 aanhef Aw. In zoverre voldoet het gebruik van de foto aan de eis dat deze geplaatst moet worden in het kader van “een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of een uiting met een vergelijkbaar doel”. Ook hier echter ontbreekt het aan de noodzakelijke functionele relatie tussen de foto en de beoordeling. De foto is geen afbeelding van de besproken boekpresentatie noch van het als gevolg van de drukte bij de boekpresentatie lege terras van [Café], maar een afbeelding van een vol caféterras op een veel eerder gelegen datum. De enige relatie met de column is dat op die foto de schrijver[naam 3] is te zien op het terras van [Café] en de column de boekpresentatie van een boek van die schrijver bespreekt. Naar het oordeel van de kantonrechter overstijgt daarmee het gebruik van de foto niet het gebruik van zuivere illustratie, zodat dat gebruik niet valt onder het geoorloofde citaatrecht.

4.6.

Nu voor beide foto's op grond van het bovenstaande heeft te gelden dat het gebruik niet in overeenstemming is met de eisen die artikel 15a lid 1 aanhef Aw aan citaten stelt, kan de vraag of aan de overige eisen van artikel 15a lid 1 Aw is voldaan onbesproken blijven.

Daarmee staat vast dat [gedaagde], door de openbaarmaking van de litigieuze foto's op haar website inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [eiser]. De gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar.

4.7.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding geldt het volgende.

In beginsel heeft de auteur een absoluut verbodsrecht. Het is aan de auteur te bepalen of en zo ja tegen welke voorwaarden hij bereid zou zijn geweest voor publicatie van zijn werk toestemming te verlenen. Niet in geschil is dat [eiser] als beroepsfotograaf bereid is aan derden licenties voor het gebruik van zijn werk te verlenen tegen betaling. In die omstandigheden moet er van worden uitgegaan dat de maker bij ongeautoriseerd gebruik van zijn werk in ieder geval als schade de gemiste licentievergoeding kan vorderen. Daaraan doet niet af dat anderen overeenkomstige werken tegen een (veel) lager tarief aanbieden. De maker is immers niet gehouden zijn werken tegen een bepaald al dan niet marktconform tarief aan te bieden. De vraag welke tarieven in de markt gebruikelijk zijn is pas van belang als niet met een zekere mate van nauwkeurigheid kan worden vastgesteld welke tarieven deze maker voor zijn werken pleegt te bedingen.
[eiser] heeft gesteld dat hij steeds voor zijn tarieven aansluiting heeft gezocht bij de richtprijzen van de Fotografenfederatie genoemd in r.o. 2.12 en dat hij op basis daarvan voor gebruik op het internet € 240,00 per foto per jaar als licentievergoeding pleegt te bedingen en, zo begrijpt de kantonrechter, in 2007 ook placht te bedingen.

[eiser] heeft zijn stelling ter zake onderbouwd door er op te wijzen dat op zijn website naar de betreffende tarieven wordt verwezen. In het licht van die onderbouwing kan [gedaagde] er niet mee volstaan bloot te ontkennen dat [eiser] dergelijke vergoedingen pleegt te bedingen. Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd over de gewijzigde mores bij het gebruik van foto's op het internet en het bestaan van verschillende initiatieven waarbij foto's tegen een veel lager tarief worden aangeboden kan daaraan niet afdoen. Het blijft immers aan de individuele maker of zijn rechtverkrijgende om de voorwaarden waarop hij een licentie verleent te bepalen. Indien [gedaagde] meent dat de alternatieve bronnen een billijkere prijs voor hun licenties bieden, dan staat het haar natuurlijk vrij haar behoefte aan fotomateriaal bij die alternatieve bronnen te lenigen, maar het ontneemt [eiser] niet het recht de prijzen die hij passend acht in rekening te brengen.

4.8.

In de correspondentie tussen (de raadsvrouw van) [eiser] en [gedaagde] en in de dagvaarding is gesproken over een verhoging van het licentiebedrag met een bepaald percentage. [gedaagde] heeft die verhoging aangeduid als een boete en betoogd dat in het systeem van het Nederlands schadevergoedingsrecht geen ruimte is voor een dergelijke verhoging van de schadevergoeding.

Ter comparitie heeft [eiser] gesteld dat hij geen verhoging naast zijn licentievergoeding vordert, maar dat hij slechts de licentievergoeding vordert over een periode van twee jaar. Dat wil zeggen 2 foto's á € 240,00 per jaar voor 2 jaar ofwel 2 x € 240,00 x 2 = € 960,00.

In de dagvaarding heeft [eiser] de hoogte van de vordering van € 960,00 gemotiveerd als volgt:

Vergoeding van gederfde licentie-inkomsten à € 240,- per foto per jaar, vergoeding van de (immateriële) schade beperkt tot 200% van de gederfde licentievergoeding vanwege inbreuk op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten, door het niet kunnen stellen van voorwaarden met betrekking tot (o.a. de duur) van de inbreuk

Daaruit kan redelijkerwijze niet anders worden afgeleid dan dat [eiser] naast de licentievergoeding die hij kennelijk stelt op € 240,00 per foto ook een vergoeding vorderde wegens “inbreuk op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten, door het niet kunnen stellen van voorwaarden met betrekking tot (o.a. de duur van) de inbreuk”, met dien verstande dat hij de totale vordering beperkt tot 200% van de licentievergoeding.

De grondslag voor de vordering van € 960,00 is dan voor 50% gederfde licentievergoeding en voor 50% een andere grondslag. Die laatste grondslag heeft [eiser] ter comparitie verlaten, maar hij heeft, hoewel daartoe uitgenodigd door de kantonrechter, de grondslag van zijn vordering niet willen wijzigen, stellende dat de grondslag niet was gewijzigd. In het licht van het voorgaande kan de stelling van [eiser] dat de grondslag van zijn vordering steeds geweest is een licentievergoeding over twee jaar niet worden aanvaard.
De kantonrechter zal het bedrag van € 480,00 aan gederfde licentievergoeding toewijzen.

Daargelaten of de stellingen van [eiser] aldus moeten worden gezien dat hij de grondslag voor het vorderen van een verhoging met € 480,00 wegens inbreuk op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten, door het niet kunnen stellen van voorwaarden met betrekking tot (o.a. de duur van) de inbreuk, heeft laten varen, zal dat deel van de vordering worden afgewezen.

Het is juist dat er verschillende uitspraken zijn in met name de lagere rechtspraak waarbij dergelijke forfaitaire verhogingen, vaak in aansluiting op niet overeengekomen, maar overeenkomstig toegepaste in de branche gebruikelijke algemene voorwaarden, worden toegewezen, zij het dat er ook verschillende uitspraken zijn die in een ander richting gaan. De aan een verhoging ten grondslag liggende overwegingen, komen er kort gezegd op neer dat het toch onredelijk is dat iemand die inbreuk maakt op eens anders auteursrecht niets meer te vrezen heeft dan dat hij alsnog moet voldoen hetgeen hij had moeten voldoen als hij een licentie was overeengekomen. Aldus is het voor de inbreukmaker lonend om inbreuk te maken, omdat de kans dat hij wordt aangesproken beperkt is.

Een verhoging van de te betalen schadevergoeding (onder welke naam die ook wordt gebracht) kan een prikkel zijn om inbreuken tegen te gaan.

Hoe sympathiek die redenering ook is, zij past niet in het systeem van het Nederlandse schadevergoedingsrecht bij onrechtmatige daad. Het systeem gaat uit van een reële schadevergoeding in het individuele geval. Een vorm van schadevergoeding als middel om generale preventie te bevorderen past daarin niet.

De kantonrechter zal mitsdien de vordering tot betaling van € 480,00 beperken. De gevorderde wettelijke rente zal, als onbetwist, worden toegewezen

4.9.

Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld zal de rechtbank de proceskosten compenseren. Daartoe is te meer aanleiding nu uit de correspondentie tussen partijen naar voren komt dat het verweer van [gedaagde] zich steeds in hoofdzaak heeft gekeerd tegen de door [eiser] gevorderde verhoging van de licentievergoeding met 100% ter zake van andere schade dan de gemiste licentievergoeding.

4.10.

Voor een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW ziet de kantonrechter geen aanleiding, nu [gedaagde] reeds in een vroeg stadium verklaard heeft bereid te zijn een bedrag van € 480,00 in der minne te voldoen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [eiser],

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 480,00 (vierhonderdentachtig euro en nul eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de betekening van het vonnis, tot aan de betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert te proceskosten aldus dat ieder partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. G.H. Marcus, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter