Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8802

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
HA RK 13.53
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking toegewezen, maar alleen tegen de voorzitter van de meervoudige straf kamer. Verzoekers tot wraking, behorend tot één gezin, zijn verdachten. Hun zaak wordt gelijktijdig behandeld met die tegen twee medeverdachten die hun ouders zijn. Ten behoeve van de ouders is een tolk aanwezig.

Het betoog van verzoekers komt er in de kern op neer dat de gewraakte rechters, door de tolk niet alles te laten vertalen wat de vader dan wel de moeder zeiden dan wel door de tolk niet de gelegenheid te geven in het Nederlands voorgehouden verklaringen ten behoeve van de vader en de moeder te vertalen, de schijn hebben gewekt dat hun oordeel al was gevormd.

De voorzitter heeft bij de behandeling van het wrakingsverzoek verklaard dat de tolk er meer was voor de vader en de moeder van verzoekers. Zij delen allen hetzelfde huis en bovendien zijn ook dezelfde feiten aan hen ten laste gelegd. Het was dus ook niet wenselijk dat alles werd vertaald. De voorzitter bedoelde met deze laatste opmerking dat de tolk niet alles behoefde te vertalen wat de zoons op de zitting verklaarden. De rechtbank is van oordeel dat deze opmerking in samenhang met de wijze van verhoren door de jongste rechter, bij verzoekers de vrees van vooringenomenheid kon wekken, dat de voorzitter niet volledig openstond voor hetgeen bij hun verhoor nog aan de orde zou komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beschikking op de op 21 februari 2013 ter zitting gedane en onder rekestnummer

HA RK 13.53 ingeschreven verzoeken van:

1. [verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

raadsvrouw: mr. C.W. Dirkzwager, advocaat te Amsterdam,

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats],

raadsvrouw: mr. M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam,

welke verzoeken strekken tot wraking van mrs. F. Wieland, voorzitter, P.J. van Eekeren en R. Hirzalla, leden van de meervoudige strafkamer belast met de behandeling van strafzaken tegen verzoekers, hierna: de rechters.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- de nadere schriftelijke toelichtingen op de ter zitting gedane wrakingsverzoeken ingekomen op 21 februari 2013;

- het proces-verbaal terechtzitting van 21 februari 2013;

- de schriftelijke reacties van de rechters van 15 maart 2013.

De rechters hebben bij monde van de voorzitter meegedeeld dat zij niet berusten in de wrakingsverzoeken.

De verzoeken zijn behandeld op 20 maart 2013 waar, de raadslieden, de voorzitter en de jongste rechter en de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff zijn gehoord. De raadslieden hebben pleitaantekeningen overgelegd. De uitspraak is bepaald op 3 april 2013.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

  1. Verzoekers, behorend tot één gezin, zijn verdachten in strafzaken geregistreerd onder de parketnummers 13/660215-12 en 13/660216-12 welke zaken door de rechters gelijktijdig met zaken tegen 2 tot hetzelfde gezin behorende medeverdachten worden behandeld.

  2. Deze medeverdachten zijn de vader en de moeder van verzoekers.

  3. Verzoekers en hun ouders worden verdacht van mishandeling van hun zuster respectievelijk dochter over een periode van 1,5 jaar en een mishandeling die zou hebben plaatsgevonden op 1 maart 2012. Bij dit laatste incident zouden allen aanwezig zijn geweest.

  4. Op 21 februari 2012 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden in de zaken van verzoekers en hun ouders. De voorzitter heeft de jongste rechter met de leiding van het onderzoek belast.

  5. Volgens het proces-verbaal verstaan de vader en de moeder de Nederlandse taal niet of niet volledig, maar verstaan zij wel de Marokkaans-Arabische taal. Daarom was een tolk in die taal aanwezig.

  6. Uit het proces-verbaal valt het hiernavolgende af te leiden over de gang van zaken tijdens de zitting.

  7. De jongste rechter heeft aanvankelijk de vader bevraagd in de Nederlandse taal en na verzoek van mr. Dirkzwager daartoe, heeft de jongste rechter erin toegestemd dat zijn vragen eerst vertaald werden.

  8. De vader heeft vervolgens een lang verhaal verteld tegen de tolk, zonder dat de tolk hem onderbrak om het verhaal (in kleine delen) te vertalen. Nadat mr. van Essen had opgemerkt dat de tolk op deze manier wellicht niet alles zou vertalen, heeft de jongste rechter meegedeeld dat hij bekend was met de werkwijze van deze tolk, die volgens hem eerst het hele verhaal aanhoort en dat dan vervolgens geheel vertaalt.

  9. De tolk heeft hierna de verklaring van de vader weergegeven die heeft verklaard te hebben gezien dat zijn dochter zichzelf letsel heeft toegebracht.

  10. Vervolgens hebben de moeder en [verzoeker 1] verklaringen afgelegd

  11. De tolk mocht van de jongste rechter deze verklaringen vertalen.

  12. Op het moment dat [verzoeker 1] opnieuw verklaarde werd hij door de jongste rechter onderbroken terwijl hij vertelde over wat er twee weken voor 1 maart 2012 volgens hem is gebeurd. De jongste rechter heeft gevraagd of hij zag dat zijn zus bloed op haar gezicht had.

  13. Op dat moment heeft mr. van Essen de rechter verzocht [verzoeker 1] niet te onderbreken, omdat zij het belangrijk vond dat hij ook vertelde over de gebeurtenissen van twee weken daarvoor.

  14. De jongste rechter heeft toen de opmerking gemaakt dat zij zich niet met het verhoor moest bemoeien.

  15. Op enig moment heeft de jongste rechter een verklaring voorgehouden aan de vader, terwijl de vader tegen de tolk aan het praten was. De tolk vertaalde dat niet. Ook tijdens het afleggen van verklaringen door de overige verdachten was de vader aan het praten. Ook dat is niet door de tolk vertaald.

  16. Mr. van Essen heeft toen de opmerking gemaakt dat zij de vader een uitgebreid antwoord heeft horen geven. De jongste rechter ging volgens haar echter steeds verder met het voorhouden van de stukken zonder dat hij de tolk zijn verhaal liet vertalen. Zij was wel geïnteresseerd in wat de vader zei, aldus mr. van Essen.

  17. De jongste rechter heeft vervolgens meegedeeld dat de vader kennelijk tegen de tolk praatte terwijl hem geen vragen werden gesteld, maar hem slechts verklaringen worden voorgehouden. Daarom liet hij de tolk niet vertalen.

  18. Mr. van Essen heeft daarna opnieuw meegedeeld dat zij wel is geïnteresseerd in wat de vader zei, omdat hij tussentijds de behoefte kan voelen om te reageren op de verklaringen van anderen. Ook dingen die hij zegt als hem geen vragen worden gesteld, konden volgens haar relevant zijn.

  19. Daarop heeft de tolk verklaard dat hij niet vertaalde wat de vader allemaal vertelde, omdat de rechter hem dat niet had gevraagd.

  20. De voorzitter heeft daarop voorgesteld dat mr. van Essen de behandeling voortaan alleen nog zou onderbreken als zij daadwerkelijk iets te melden had en voorts dat hij geen reactie wenste van mr. van Essen op zijn opmerkingen.

  21. Nadat mr. van Essen hiervan akte heeft gevraagd, heeft de voorzitter gezegd: “De griffier schrijft alles op”, “houdt u op met provoceren”en “Maakt u mij niet nijdig. Ik lust u.”

  22. Mr. van Essen heeft vervolgens verklaard: “Ik wraak de rechtbank. Ik vind de opmerking van de voorzitter, dat hij mij lust, ongepast. Ik heb akte gevraagd van alles wat ik heb gezegd. Ik acht wel een belang aanwezig voor mijn interrupties, want ik wil de verdachten [A] en [verzoeker 1] straks mogelijk als getuigen horen in de zaak van cliënt. Ik ben daarom geïnteresseerd in wat zij zeggen en ik wil dat zij hun hele verhaal kunnen vertellen”.

  23. Na een korte onderbreking voor beraad heeft de rechtbank het onderzoek hervat.

  24. Mr. van Essen heeft verklaard: “Ik handhaaf mijn wrakingsverzoek. Mijn wrakingsverzoek geldt ten aanzien van de hele zittingscombinatie. De gronden van het wrakingsverzoek heb ik zojuist in de kern weergegeven, ik zal per fax nog een nadere toelichting sturen”.

  25. Mr. Dirkzwager heeft aansluitend verklaard: “Cliënt is in eerste instantie afgekapt toen hij wilde vertellen hoe de sfeer in huis was geweest. Dat is daarna gecorrigeerd, maar door de gang van zaken daarna heeft hij nu niet meer het vertrouwen dat hij eerlijk wordt behandeld. Ik sluit me daarom aan bij het wrakingsverzoek”.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende - zakelijk weergegeven -gronden.

2.2

Namens [verzoeker 2] is aangevoerd dat de jongste rechter aanleiding heeft gegeven tot de wraking door de wijze waarop hij het onderzoek ter terechtzitting heeft geleid en de verdachten heeft ondervraagd. In het bijzonder dat hij heeft toegelaten dat de tolk de verklaringen van de verdachten gebrekkig heeft vertaald en dat hij niet openstond voor opmerkingen en verzoeken van de verdediging met betrekking tot de wijze waarop de tolk zijn werk deed.

De schijn van vooringenomenheid is met name veroorzaakt door het volgende. De rechters geven in hun schriftelijke reactie bij punt 1 te kennen dat de verdediging geen belang heeft bij een goede vertaling nu verzoeker niet werd bijgestaan door een tolk. De rechters huldigden dit standpunt ook op de zitting. Dat standpunt is niet juist. Verzoeker heeft een evident belang bij het woordelijk vernemen van hetgeen zijn vader en broer hebben verklaard. Bij het laatste incident op 1 maart 2012 zijn verzoekers en hun ouders aanwezig geweest. De verdediging heeft er alle belang bij woordelijk te horen wat de vader en de broer van verzoeker hebben verklaard, nu zij niet enkel medeverdachten zijn maar tevens potentieel ontlastend of belastend kunnen verklaren, nu zij aanwezig waren bij het feit waarvan verzoeker wordt verdacht. Indien, zo stelt zijn raadsvrouw, die verklaringen worden gebruikt als bewijs in belastende of ontlastende zin voor enige door de rechters te nemen beslissing, dan dient zij de medeverdachten na het vernemen van hun verklaringen in hun eigen zaken te horen als getuigen in haar eigen zaak. De zaken zijn immers gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld. Het recht om de medeverdachten in de eigen zaak als getuigen te horen, wordt verzoeker ontnomen of onmogelijk gemaakt als hij niet in staat is goed te vernemen wat de medeverdachten verklaren. Alleen op die wijze kan hij motiveren waarom hij er belang bij heeft om de medeverdachten als getuige te doen horen. De jongste rechter heeft echter toegelaten dat er niet goed werd vertaald, omdat de verklaring van medeverdachten werd afgekapt en vader niet goed kon reageren op de voorgehouden stukken. Aan vader werden namelijk grote delen van het dossier voorgehouden zonder dat simultaan dan wel na enkele zinnen woordelijk werd vertaald. Evenmin werd vader (en ook moeder) de gelegenheid geboden om tussentijds en daarmee adequaat te kunnen reageren op de voorgehouden stukken.

De jongste rechter heeft miskend dat de verdediging er evident belang bij had bij het woordelijk aanhoren van hetgeen de medeverdachten verklaarden. De jongste rechter heeft de schijn gewekt dat hij zich al een oordeel heeft gevormd over de bewezenverklaring van het aan verzoeker ten laste gelegde, omdat hij dit aan de verdediging heeft belet.

2.3

De voorzitter heeft aanleiding gegeven tot de wraking doordat hij blijk heeft gegeven van irritatie jegens de verdediging en zich onheus heeft uitgelaten tegen de raaadsvrouw van verzoeker door de gewraakte opmerking te maken.

De voorzitter heeft weliswaar het recht de orde op de zitting te handhaven, maar dat brengt nog niet met zich mee dat iedere interruptie van de verdediging wordt verboden of dat niet behoeft te worden gereageerd op verzoeken waarvan de verdediging akte heeft gevraagd. De weergave door de voorzitter van de gang van zaken op de zitting spoort ook niet met het proces-verbaal van de zitting. De bewoordingen van de voorzitter zijn zowel door verzoeker als zijn raadsvrouw intimiderend opgevat. Kennelijk had de voorzitter geen behoefte meer aan bijstand door de raadsvrouw, omdat hij kennelijk reeds een visie op haar beslissingen had, althans die indruk is gewekt.

2.4

De oudste rechter heeft aanleiding gegeven tot de wraking doordat zij naar aanleiding van de hiervoor omschreven gang van zaken niet heeft ingegrepen en daardoor indirect akkoord is gegaan met de handelwijze van haar collega’s.

2.5

Namens [verzoeker 1] is aangevoerd dat de rechters in de zaal een sfeer hebben laten ontstaan, waardoor verzoeker het gevoel had niet vrij te kunnen verklaren. De voorzitter heeft de tolk meermalen niet in de gelegenheid gesteld om alles te vertalen wat werd gezegd. Op een gegeven moment hield de jongste rechter delen van het dossier voor aan de vader. De vader reageerde telkens op hetgeen hem werd voorgehouden, maar de tolk werd door de jongste rechter niet in de gelegenheid gesteld om de reactie van de vader te vertalen, omdat deze rechter direct weer een ander deel uit het dossier voorhield. Omdat de verklaring van de vader van belang kan zijn in de zaak van verzoeker, is volledige vertaling van belang. Na interruptie van mr. van Essen hierover, heeft de voorzitter gezegd dat hij het verdedigingsbelang van haar in dezen niet zag. Toen zij dat wilde concretiseren, maakte de voorzitter de gewraakte opmerkingen. Deze opmerking raakt verzoeker eveneens, omdat zijn raadsvrouw niet meer neutraal werd bejegend.

De wijze waarop de voorzitter de orde wilde handhaven op de zitting, was disproportioneel. De indruk werd gewekt dat de rechters niet waren geïnteresseerd in de verklaringen van de verdachten. De oudste rechter heeft op geen enkel moment ingegrepen. Voor verzoeker is de rechtbank één geheel. Daarom wordt de hele samenstelling gewraakt.

3 De reactie van de rechters

3.1

De rechters hebben bij monde van de voorzitter ten aanzien van beide wrakingsverzoeken aangevoerd dat zij niet de schijn hebben gewekt van partijdigheid. De in de verzoeken vermelde bezwaren missen grotendeels feitelijke grondslag. De rechters hebben in dit verband verwezen naar de in het proces-verbaal omschreven gang van zaken. De jongste rechter heeft het onderzoek correct geleid. De voorzitter was bevoegd tot ingrijpen, omdat hij is belast met het bewaken van de orde op de zitting. Tot dat ingrijpen was aanleiding omdat mr. van Essen de ondervraging steeds onderbrak, terwijl de jongste rechter haar meerdere malen had verzocht om dat niet weer te doen. Daarom zag de voorzitter aanleiding om haar te waarschuwen dat hij een verdere verstoring van de orde op de zitting niet zou accepteren. Deze voorzittersbeslissing bood geen ruimte tot ingrijpen voor de oudste rechter. Daartoe was ook geen aanleiding.

3.2

Beide verzoekers werden niet bijgestaan door een tolk. De verklaring van de vader behoefde daarom niet volledig vertaald te worden. De vader heeft voortdurend door de behandeling heen gepraat en antwoorden gegeven op vragen die hem niet gesteld waren. Wellicht omdat, naar bij de aanvang van de zitting werd vastgesteld, hij al 42 jaar in Nederland woont en Nederlands spreekt. In het kader van het handhaven van de orde op de zitting was het noodzakelijk om de vader, die breedsprakig was, te begeleiden in het stroomlijnen van zijn antwoorden en hem niet steeds te laten uitspreken. Dat kan niet de schijn van partijdigheid opwekken. Kennelijk dachten de advocaten van de verdachten die door de tolk werden bijgestaan, daar ook zo over. Zij hebben zich immers niet aangesloten bij de wrakingsverzoeken.

3.3

De jongste rechter heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat de tolk de gewoonte heeft eerst enkele minuten naar een verklaring te luisteren en dan pas alles te vertalen. De tolk heeft echter voldoende weergegeven wat er op de zitting is verklaard. Hij heeft niets gemist.

3.4

De voorzitter van de meervoudige kamer heeft vervolgens verklaard dat de tolk er meer was voor de vader en de moeder van verzoekers. Zij allen delen hetzelfde huis en bovendien zijn ook dezelfde feiten aan hen allen ten laste gelegd. Het was dus ook niet wenselijk dat alles werd vertaald. Na de opmerking van mr. Gijsberts ‘’het ging dus puur om de ondervraging van vader en moeder’’ verklaarde de voorzitter van de meervoudige kamer dat de tolk voor hen niet vertaalde wat de zoons verklaarden. Naar aanleiding van de verklaring van de zoons verklaarde de vader eigenlijk niets relevants.

4 Het standpunt van de officier van justitie

Er is geen sprake geweest van vooringenomenheid bij de rechters. Een rechter mag de beantwoording beperken tot gestelde vragen. Er heerste wel een felle sfeer op de zitting. Er was ergernis over de wijze waarop de tolk vertaalde. De zitting verliep niet lekker, maar verzoekers hebben wel voldoende gelegenheid gekregen om hun standpunt over het voetlicht te brengen.

5 De beoordeling van de verzoeken

5.1

Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die

een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoekers daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3

Het betoog van verzoekers komt er in de kern, kort samengevat, op neer dat de gewraakte rechters, door de tolk niet alles te laten vertalen wat de vader en/of de moeder zeiden dan wel door de tolk niet de gelegenheid te geven in het Nederlands voorgehouden verklaringen ten behoeve van de vader en moeder te vertalen, de schijn hebben gewekt dat hun oordeel al was gevormd.


5.4 Uitgangspunt bij de beoordeling is dat een verzoek tot wraking niet is bedoeld om onwelgevallige rechterlijke beslissingen, daaronder begrepen de wijze waarop de orde op een zitting wordt gehandhaafd of het onderzoek ter terechtzitting wordt geleid, ter discussie te stellen. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Zelfs als een beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, vormt dat op zichzelf beschouwd nog geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomen is. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of een beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist is, maar om te onderzoeken of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

5.5

Dat laatste kan naar het oordeel van de wrakingskamer slechts het geval zijn als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing, waaronder begrepen de motivering daarvan, redelijkerwijze niet anders kan worden verklaard dan dat deze door vooringenomenheid van de rechters is ingegeven.

5.6

Naar het oordeel van de wrakingskamer getuigen de door de jongste rechter genomen beslissingen met betrekking tot de gang van zaken op de zitting niet van vooringenomenheid. Deze beslissingen getuigen meer van onbegrip voor het standpunt van de raadsvrouwen met bij de voorzitter toenemende irritatie over interrupties leidend tot bewoordingen die daaraan uitdrukking gaven.

5.7

De verklaring van de voorzitter, zoals onder 3.4 weergegeven, rechtvaardigt echter de vrees dat hij naar objectieve maatstaven de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Bedoelde verklaring wordt bezien in samenhang met de wijze van verhoren door de jongste rechter zoals hiervoor weergegeven onder 1. Dat verhoor vond plaats onder verantwoordelijkheid van de voorzitter. Aldus beschouwd kon bij verzoekers de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat de voorzitter niet volledig openstond voor hetgeen bij hun verhoor nog aan de orde zou kunnen komen en dat van een onbevangen beoordeling geen sprake zou zijn. Dit brengt mee dat het verzoek jegens de voorzitter toewijsbaar is.

5.8

Jegens de oudste rechter is het verzoek niet toewijsbaar. De enkele omstandigheid dat zij niet heeft ingegrepen tijdens de behandeling rechtvaardigt niet het oordeel dat zij niet onpartijdig zou zijn.

5.9

De opmerking van de voorzitter tegen mr. van Essen levert geen wrakingsgrond op. Zij kan daar desgewenst op andere wijze op reageren.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van de voorzitter van de meervoudige kamer mr. F. Wieland toe;

- wijst de verzoeken tot wraking van de overige rechters af;

- bepaalt dat de behandeling van de strafzaken van verzoekers met parketnummers 13/660215-12 en 13/660216-12 wordt heropend en hervat door een meervoudige kamer met een andere voorzitter dan de hiervoor vermelde.

Aldus gegeven door mrs. C. von Meyenfeldt, voorzitter, R.H. de Vries en T.J.M. Gijsberts, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.