Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8785

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
AMS 13-7213
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wkkp, Brkp, voorlopige voorziening. Inschrijving Handelsregister KvK en LRKP. Bij wijziging van de rechtsvorm vooraf kennisgeven door bestaande en toekomstige houder. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/7213

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2013 in de zaak tussen

[verzoeker],

te [vestigingsplaats], verzoeker

(gemachtigde mr. R.P. Kuijper),

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid-Oost van de gemeente Amsterdam, bureau handhaving kinderopvang, verweerder

(gemachtigde mr. R. Nomden).

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 6 december 2013 (het bestreden besluit), waarbij de buitenschoolse opvang [naam buitenschoolse opvang] is uitgeschreven uit het Landelijk register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 december 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verzoeker is nog verschenen mr. R. Kroese. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder is verder verschenen mr. P.R. Poeran.

Overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2 Verzoeker en zijn echtgenote exploiteerden aanvankelijk samen onder de rechtsvorm van een v.o.f. de buitenschoolse opvang [naam buitenschoolse opvang] (verder de BSO). Sinds februari 2013 exploiteert verzoeker de BSO als eenmanszaak. Verweerder heeft geconstateerd dat de gegevens uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) niet meer overeenkomen met de gegevens in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP). Verweerder heeft namelijk vastgesteld dat er sprake is van een wijziging van de houder van de BSO. De houder is gewijzigd van een v.o.f. naar een eenmanszaak. Volgens verweerder heeft de houder van de BSO niet samen met de vorige houder een verzoek gedaan om de houdergegevens in het register aan te passen. Verweerder heeft verwezen naar artikel 7, zevende lid, van het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (Brkp). Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op artikel 147a van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) juncto artikel 8, eerste lid, onder b. van het Brkp hij bevoegd is om de gegevens van de BSO uit het LRKP te verwijderen nu gebleken is dat de houder van de kinderdagvoorziening niet langer de BSO exploiteert. Verweerder heeft de BSO uit het register verwijderd per

10 december 2013.

1.3 Verzoeker heeft bezwaar ingediend en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2.1 Ingevolge artikel 7, zevende lid, van het Brkp, voor zover hier van belang, verzoeken de bestaande houder en de toekomstige houder van het kindercentrum, indien de houder van een kindercentrum wijzigt, voorafgaand aan de datum van deze wijziging gezamenlijk aan het college, de houdergegevens van dat kindercentrum of gastouderbureau in het register kinderopvang aan te passen met ingang van die datum. Het college behandelt dit verzoek om aanpassing als een aanvraag tot exploitatie van de kinderopvangvoorziening door de toekomstige houder als bedoeld in artikel 5, waarbij het college bepaalt waarop het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62 van de wet, betrekking heeft.

2.2 Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder b, van het Brkp kan het college besluiten tot verwijdering van een kinderopvangvoorziening uit het register kinderopvang:

indien is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening exploiteert, zonder dat er een aanpassingsverzoek als bedoeld in artikel 7, zevende lid, is ingediend.

3.1 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het besluit - mede - te worden opgevat als een weigering om de houdergegevens, van de v.o.f. naar de eenmanszaak van verzoeker, in het LRKP aan te passen. Verzoeker is daarom anders dan verweerder meent wel belanghebbende bij dit besluit.

3.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van een verzoek als bedoeld in artikel 7, zevende lid, van het Brkp. Verzoeker voert aan dat hij in februari 2013 contact heeft gehad met verweerder omdat zijn toenmalige vennoot de v.o.f. eenzijdig had beëindigd. In verband daarmee zou hij ook hebben gesproken over de wijziging van het houderschap en had verweerder dat als een zodanig verzoek moeten opvatten. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft verzoeker gewezen op de e-mail wisseling van

20 februari 2013. De voorzieningenrechter ziet echter in de tekst van die e-mail geen aanleiding dat standpunt voor juist te houden. De e-mail geeft veel meer aanleiding om te menen dat verzoeker gemeld heeft dat de doorhaling van de v.o.f. ongedaan zou zijn gemaakt. Van schending van het vertrouwensbeginsel is evenmin sprake nu niet is gebleken van een rechtens te honoreren toezegging over het wijzigen van de houdergegevens in het LRKP of het in behandeling nemen van een verzoek als bedoeld in artikel 7, zevende lid, Brkp.

3.3 Niet in geschil is dat de houder, zoals opgenomen in het LRKP, niet langer de kinderopvang exploiteert. Nu er voorts geen verzoek om aanpassing is ingediend, is verweerder dus bevoegd tot verwijdering van de BSO uit het register. Inmiddels heeft verzoeker als eenmanszaak een aanvraag gedaan tot exploitatie van de BSO. Deze aanvraag is bij besluit van 2 december 2013 afgewezen. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken.

4.

De voorzieningenrechter ziet gelet op het bovenstaande geen reden voor het treffen van een voorziening.

5.

Voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht door verweerder ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzieningenrechter,

in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.

de griffier

de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:

SB

Coll: KvdB