Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8720

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
AWB-12_4792
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2688, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zuiver schadebesluit, dwangsom

Eiser heeft een verzoek om een zuiver schadebesluit gedaan. Het verzoek is gericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst en strekt tot vergoeding van een door de belastingdienst gevorderd bedrag ten aanzien van ten onrechte toegekende toeslagen gedurende twee jaar. Eiser stelt dat hij mocht uitgaan van de juistheid van de op het verblijfsdocument vermelde verblijfsduur. De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vergoeding van de door eiser gevorderde vermogensschade. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder ten onrechte geen beslissing heeft genomen op het verzoek een dwangsom toe te kennen overweegt de rechtbank dat hoewel de beslissing op bezwaar in onderhavige zaak is genomen voor 1 oktober 2012, de uitzondering die is opgenomen in artikel IIB van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen niet van toepassing is, nu in het onderhavige geval geen beslissing op grond van de Vw 2000 is genomen, maar het gaat om een zuiver schadebesluit. Verweerder had in zijn besluit een dwangsom aan eiser moeten toekennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/4792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde mr. B.M.A. Scholten)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. A.J. Hakvoort).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 14 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt.

1.1

Bij besluit van 6 oktober 2004 is aan de toenmalige echtgenote van eiser,[naam echtgenote1] (hierna: [naam echtgenote2]) een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar verleend met ingang van 30 september 2004. Op het aan haar verstrekte verblijfsdocument stond dat deze geldig was voor de duur van vijf jaar.

1.2

Bij besluit van 14 juli 2007 heeft de belastingdienst vastgesteld dat eiser in 2006 en 2007 geen recht had op huur- en zorgtoeslag en is deze teruggevorderd, omdat [naam echtgenote2] geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Dit bleek uit de verblijfstitelcode in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA).

1.3

Met ingang van 15 juni 2007 is aan [naam echtgenote2] een verblijfvergunning verleend op grond van de pardonregeling (RANOV).

1.4

De rechtbank Amsterdam heeft op 17 februari 2010 uitspraak gedaan in het beroep van eiser tegen de besluiten van de belastingdienst inzake de teruggevorderde huur- en zorgtoeslag. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de belastingdienst zich betreffende de periode van 1 januari 2006 tot 31 maart 2007 (te weten voordat het aanbod generaal pardon was gedaan) mocht baseren op de verblijfstitelcode die in de GBA was opgenomen. De belastingdienst vordert van eiser een bedrag van € 4.257,-- terug.

1.5

Eiser heeft bij brief van 18 maart 2011 een verzoek om een zuiver schadebesluit gedaan. Het verzoek strekt tot vergoeding van het door de belastingdienst gevorderde bedrag van € 4.257,-- vermeerderd met wettelijke rente. In het verzoek is vermeld dat eiser had mogen uitgaan van de juistheid van de op het verblijfsdocument vermelde verblijfsduur.

1.6

Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder onder meer overwogen dat in onderhavige zaak een onjuiste geldigheidsduur is opgenomen in het verstrekte document, maar dat eiser niet ervan mocht uitgaan dat [naam echtgenote2] daadwerkelijk in het bezit was gesteld van een verblijfsvergunning voor de duur van vijf jaar. Verder is vermeld dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste. Dat de verblijfsvergunning [naam echtgenote2] in staat stelde een bestaan op te bouwen in Nederland, betekent niet dat de verblijfsvergunning ertoe strekte haar in staat te stellen een inkomen te verwerven.

2.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

3.1

De rechtbank stelt voorop dat het beroep betrekking heeft op een zelfstandig schadebesluit. Aangezien het bestreden besluit dateert van 14 augustus 2012 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, die (deels) in werking is getreden op 1 juli 2013 op deze zaak niet van toepassing. De rechtbank wijst er verder op dat voor het toekennen van schadevergoeding een aantal vereisten geldt. Een daarvan is het relativiteitsvereiste.

3.2

Eiser heeft aangevoerd dat aan dit vereiste is voldaan. Eiser heeft daartoe onder meer betoogd dat het relativiteitsvereiste is gekoppeld aan het uitreiken van het document. Uit dit document blijkt het rechtmatig verblijf en kan eiser er zelf ook voor zorgen dat hij tijdig verlenging aanvraagt. Verweerder heeft niet zorgvuldig gehandeld door het onjuiste verblijfsdocument te verstrekken. Daardoor heeft eiser niet zorgvuldig kunnen handelen door op tijd de verblijfsvergunning te verlengen en zo aanspraak te kunnen blijven maken op zorg- en huurtoeslag. Bovendien had [naam echtgenote2] aanspraak kunnen maken op voortgezet verblijf. Indien met terugwerkende kracht een vergunning was verleend, had alsnog de zorg- en huurtoeslag over de jaren 2006 en 2007 vastgesteld kunnen worden. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 juni 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA7572) is niet van toepassing, omdat het in die zaak gaat om het uitreiken van een verblijfsvergunning en in onderhavige zaak om het uitreiken van het document.

3.3

De rechtbank overweegt dat uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV7280) volgt dat de regels van het nationale vreemdelingenrecht op grond waarvan verweerder een verblijfsvergunning aan een vreemdeling verleent, tot doel hebben die vreemdeling recht op verblijf te geven in Nederland. Deze regels strekken echter niet tot bescherming van zijn vermogensrechtelijke belangen. De plicht om de vreemdeling een document te verschaffen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, is niet los te zien van de aard van dat rechtmatig verblijf. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet alleen de verlening van de verblijfsvergunning, maar in het verlengde daarvan ook de verstrekking van het document met daarop de juiste gegevens, er niet toe strekt de geleden vermogensschade met betrekking tot de teruggevorderde toeslagen door de belastingdienst te vergoeden. Het relativiteitsvereiste staat dan ook in de weg aan vergoeding van de door eiser gevorderde vermogensschade. De hiertegen gerichte beroepsgrond kan daarom niet slagen. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden betreffende het verzoek om schadevergoeding geen bespreking, omdat deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.1

Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen beslissing heeft genomen op het verzoek een dwangsom toe te kennen.

4.2

Uit artikel IIB van de van de Wet van 28 augustus 2009 tot aanvulling van de Awb met doeltreffendere rechtsmiddelen tegen het niet tijdig beslissen door bestuursorganen (Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen) volgt – voor zover van belang – dat de nieuwe regeling geen toepassing vindt ten aanzien van beslissingen op bezwaar op grond van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 genomen voor 1 oktober 2012.

4.3

De rechtbank overweegt dat hoewel de beslissing op bezwaar in onderhavige zaak is genomen voor 1 oktober 2012, de uitzondering die is opgenomen in artikel IIB van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen niet van toepassing is. De rechtbank acht daartoe van doorslaggevend belang dat in het onderhavige geval geen beslissing op grond van de Vw 2000 is genomen. Het betreft immers een zuiver schadebesluit. Hiervoor is in de Vw 2000 geen wettelijke basis opgenomen. De enkele omstandigheid dat het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit is genomen op grond van de Vw 2000 is onvoldoende om het zelfstandig schadebesluit onder het overgangsrecht te kunnen scharen. Eiser heeft verweerder op 21 september 2011 in gebreke gesteld. Verweerder heeft pas op 10 oktober 2011 het primaire besluit genomen. Nu verweerder te laat op eisers verzoek heeft beslist, had hij een dwangsom in zijn besluit dienen toe te kennen.

5.

De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op het overwogene onder 4.3. Aan het primaire besluit kleeft hetzelfde gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en een dwangsom aan eiser toe te kennen. De rechtbank stelt deze dwangsom vast op € 100,-- (5 dagen maal € 20,-- per dag).

6.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart draagt zij verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,-- aan eiser te vergoeden en veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 944,--, te betalen aan eiser (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover de beslissing ziet op het niet toekennen van een dwangsom;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover de beslissing ziet op het niet toekennen van een dwangsom;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    stelt de dwangsom vast op een bedrag van € 100,-- (zegge: honderd euro);

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,-- (zegge: honderdzesenvijftig euro) aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 944,-- (zegge: negenhonderdvierenveertig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

Coll: CBl

SB