Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8660

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
C/13/553525 / KG ZA 13-1375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Journaliste hoeft haar publicaties waarin zij beschuldigingen uit over seksueel misbruik van minderjarigen niet van het internet te verwijderen. Evenmin wordt het haar verboden in de toekomst dergelijke artikelen te publiceren. Dit heeft de voorzieningenrechter geoordeeld in een kort geding dat tegen de journaliste was aangespannen door de Nederlandse eigenaar van een hotel in Ghana.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/553525 / KG ZA 13-1375 MW/MV

Vonnis in kort geding van 18 december 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te[woonplaats 1],

eiser bij dagvaarding van 20 november 2013,

advocaat mr. J.J.H.S. Thomassen te Maastricht,

tegen

[journaliste],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. C. Wildeman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [journaliste] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 4 december 2013 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat hij ter zitting zijn eis heeft gewijzigd. De raadsman van [eiser] heeft de eiswijziging met pen aangebracht in het petitum van de aangehechte dagvaarding.
[journaliste] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig [eiser] met mr. Thomassen en [journaliste] met mr. Wildeman en haar kantoorgenoot mr. E.W. Jurjens.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is vastgoedhandelaar en onder meer mede-eigenaar van Afridec B.V. Deze vennootschap exploiteert een hotel in Accra (Ghana).
2.2. Op 23 december 2010 en op 10 februari 2011 heeft [beweerd slachtoffer] (hierna [beweerd slachtoffer]) bij de politie in Ghana aangifte gedaan tegen [eiser] van seksueel misbruik.

2.3.

Op 28 juni 2012 heeft [journaliste] op de website OneWorld.nl een artikel geplaatst met de titel Paradijs voor Pedo’s.
In dit artikel – waarin [beweerd slachtoffer] als [R] wordt aangeduid – is onder meer het volgende opgenomen.

[R] (17) is al sinds drie uur vanmorgen wakker. Zenuwen. Waarom weet ze eigenlijk niet, dit is al de tiende keer dat ze voor de rechtbank moet verschijnen. En ze weet al dat haar tegenstander, een Nederlandse miljonair, toch niet komt opdagen. (…)
Haar voogd, rechts, bindt een rode shawl om [R] vlechtjes. Hij kleurt mooi bij het hooggesloten rode shirt dat ze voor de gelegenheid heeft aangetrokken. “Zo kan de rechter zien dat [R] een net meisje is”, zegt de voogd. De Ghaneze vrouw heeft [R] onder haar hoede sinds ze samen aangifte hebben gedaan bij de Ghanese zedenpolitie. Dat is nu anderhalf jaar geleden.
“Ik was acht jaar toen de Nederlander me voor het eerst verkrachtte. Hij deed of hij zich over me ontfermde en betaalde mijn schoolgeld. Altijd als hij in Ghana was, moest ik naar hem toekomen om het geld op te halen. Dan moest ik bij hem slapen.”
Volgens [R] heeft de man uit Limburg nog minstens twee andere meisjes misbruikt. “Ik kan het weten, want ik lag ernaast.” Hij is niet de enige Nederlander in Ghana die verdacht wordt van pedofiele praktijken. (…)
Bij [R] was het allebei het geval. Haar vader is dood, haar moeder heeft een hersenbloeding gehad en kan niet meer voor haar kinderen zorgen. Zo belandde [R] op vijfjarige leeftijd met haar broers en zussen bij oom [X] in huis. Het was volle bak – oom had zelf zeven jonge kinderen en daar kwamen er nog eens vijf bij. Dus toen een alleenstaande vrouw [R] uitnodigde om bij haar in te trekken, en [R] opgewekt naar huis belde dat ze ’t in haar nieuwe dorp zó naar haar zin had, geloofde oom dat dat voor iedereen de beste oplossing was. En wat was hij blij toen de vrouw [R] na een jaar overdroeg aan een rijke Nederlander die ‘graag voor haar wilde zorgen’. Misschien kon zijn nichtje later naar de universiteit! Hij had gehoord dat de blanke man allerlei ontwikkelingsprojecten opzette in het dorp waar [R] woonde. Dat de weldoener in ruil voor het schoolgeld verwachtte dat het (toen achtjarige) meisje met hem het bed zou delen, kwam geen seconde in oom op. De alleenstaande vrouw wist het, maar werd voor haar stilzwijgen beloond met een huis. [R] vertrouwde haar geheim alleen aan haar dagboek toe.
Dat [R] nu naar de politie is gestapt, is te danken aan het oplettende personeel van de Limburger. Zij deelden hun vermoedens met de vrouw die nu de voogd is van het meisje.
(…)
Omdat de politie in Nederland was getipt over de zaak van [R], reisden in januari 2010 twee agenten van de KLPD naar Ghana. Maar sinds de Limburgse miljonair in april van datzelfde jaar door de Ghanese politie werd aangehouden, is het een zaak van Ghana en kijkt Nederland enkel toe. Dat de Limburger op de dag van zijn arrestatie alweer werd vrijgelaten, bracht daarin geen verandering. Dit gebeurde volgens de woordvoerster van de Ghanese zedenpolitie nadat hij een grote som geld betaalde, terwijl het in Ghana verboden is om verdachten van kindermisbruik op borg vrij te laten.
(…)
[R] wordt apart genomen door haar advocaat. “Over die strafzaak… Bereid je voor op een nieuwe strijd. Je dossier is ‘zoekgeraakt’ bij de overdracht van het ene naar het andere politiekantoor.”

De Verdachte
De Limburgse miljonair en diens advocaat zijn door onze redacteur [journaliste] herhaaldelijk geconfronteerd met de aantijgingen in dit verhaal. Hij stelt dat hij [R] nooit seksueel heeft misbruikt, en ook geen andere Ghanese meisjes. [R] en haar voogd zouden het verhaal verzonnen hebben in de hoop op geld.
De Limburger zegt dat de civiele zaak tegen hem (voor compensatie) allang is geroyeerd en dat Ghana het strafrechtelijk onderzoek naar hem heeft stopgezet omdat [R] haar verklaring heeft ingetrokken.
De directeur van het Ghanese Openbaar Ministerie bestrijdt dit: “Er is een video waarop [R] haar verklaring intrekt, en daardoor heeft het onderzoek vertraging opgelopen. Maar we gaan zeker door.” Op de kopie van de filmopname, die in het bezit is van OneWorld, is duidelijk te horen hoe [R]’s (toenmalige) advocaat het meisje instrueert wat ze moet zeggen. “Hij heeft me onder druk gezet”, zegt [R]. Ze heeft direct na het incident een klacht ingediend tegen deze advocaat. Het meisje blijft bij haar verhaal dat ze sinds haar achtste jaar door de Limburger is misbruikt.

[journaliste] was eind mei bij een zitting (in de dus nog lopende) civiele zaak aanwezig.

2.4.

Op de website van Nieuwe Revu is in juli 2012 een artikel gepubliceerd met de titel Vastgoedmagnaat verdacht van kindermisbruik. Dit artikel is geschreven door [journaliste] en [collega journalist]. Dit artikel gaat over [eiser] en verschillende keren is zijn naam (en voornaam) genoemd. Ook in dit artikel wordt melding gemaakt van de beschuldiging van [beweerd slachtoffer] dat [eiser] haar seksueel heeft misbruikt. De strekking van dit artikel is gelijk aan die van het artikel Paradijs voor Pedo’s.

2.5.

Op 8 oktober 2013 heeft [journaliste] een artikel geplaatst op de website Villamedia.nl met de titel A neverending story. In dit artikel is verschillende keren de naam (en voornaam) van [eiser] genoemd. Het artikel gaat – kort gezegd – over de gevolgen die [journaliste] heeft ervaren nadat het artikel Paradijs voor Pedo’s is gepubliceerd. In dit artikel is onder meer het volgende opgenomen:

Je onderzoeksverhaal is gepubliceerd. En dan? Loslaten? Of hoort het bij je journalistieke taak om over de gevolgen te blijven berichten? Dat vraagt journalist [journaliste] zich af nu zijzelf én haar bronnen een-voor-een in diskrediet worden gebracht door de hoofdpersoon uit haar reportage over kindersekstoerisme. Hij beticht de getuigen in de zaak tegen hem van allerhande misdrijven om hun geloofwaardigheid te ondermijnen.
(…)

Ik heb mijn antwoord klaar: mijn artikel deugt. Op het moment van publicatie lag er een bevel tot vervolging van [eiser] bij het Ghanese openbaar ministerie. Een kopie daarvan is in mijn bezit. Wat [ex-medewerker van eiser 1]. (voluit [ex-medewerker van eiser 1]) en zijn vrouw [ex-medewerker van eiser 2]) precies ten laste werd gelegd wist ik niet. Maar betrouwbare bronnen in Ghana (niet gelieerd aan [ex-medewerker van eiser 1] of [ex-medewerker van eiser 2]) informeerden me dat [rechercheur A], de Ghanese rechercheur die het bewijs tegen [eiser] moest verzamelen, ineens in een nieuwe auto reed, geleverd door een bekende van [eiser]. Het Ghanese artikel waarin hieraan gerefereerd wordt is op last van [eiser] offline gehaald, maar het is nog terug te vinden via Archive.org. Hoe het ook zij, binnen een maand seponeerde rechercheur [rechercheur A] de rechtszaak tegen [eiser] en startte er een tegen [ex-medewerker van eiser 1] en [ex-medewerker van eiser 2].
(…)
Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat [eiser] bewust rookgordijnen creëert. Hij betichtte sleutelfiguren in de zaak tegen hem van allerlei misdrijven.
(…)
Er ging geen week voorbij zonder dat ik met [eiser] werd geconfronteerd. Of het nu via een Ghanees krantenbericht was, of omdat een “anonieme kennis van [eiser]” me uit bed belde om te zeggen dat ik “moest beseffen hoe ik mensen kapot maakte” en om me toe te wensen dat ik “zelf kapot zou gaan”.
(…)
Maar [eiser] richtte zich vooral op mij persoonlijk. Aan de uitgever van OneWorld liet [eiser] bijvoorbeeld weten dat hij, als zij mijn artikel zouden rectificeren, alleen mij “strafrechtelijk en civielrechtelijk zou aanpakken”.
Het kantoor van OneWorld uitgever NCDO werd beveiligd. Medewerkers moesten bezoekers vooraf aanmelden bij de receptie (waar voor de zekerheid ook een foto van [eiser] achter de balie hing). Alle onbekende telefoontjes werden doorgeschakeld naar een apart toestel, zodat eventuele bedreigingen konden worden opgenomen.
(…)
Wie positieve aandacht besteedde aan mijn artikel, kon rekenen op een telefoontje van [eiser] of een van zijn medewerkers. Een medewerkster van een organisatie tegen kindermisbruik kreeg 5 minuten na een tweet over het artikel al een telefoontje van [eiser]. De miljonair vertelde haar dat ik alles verzonnen had om hem af te persen, en dat ik hem zelfs nog nooit had gesproken. Tegen journalist [journalist A] (…) riep [eiser] (…) “Ik ga je kapot maken, je gaat bloeden, ik scheur je helemaal in stukken. En je hele bedrijf ook, ik maak het helemaal kapot, dat zul je zien.”
(…)
Zodra [eiser] de rechtbank binnenkwam, stormde hij op me af. “Met jou ben ik helemaal klaar. Ik zorg dat je nooit meer aan de bak komt als journalist. Hij riep dit in het Nederlands, zodat de Ghanese aanwezigen het niet konden verstaan. (…) Ik heb overal aangifte tegen jou gedaan. In Nederland en in Ghana. Als jij nog een paar daagjes in Ghana durft te blijven, dan zorg ik dat de politie voor je komt.”
(…)
Volgens de Nederlandse ambassade en [K], director general of police operations, moest ik de bedreigingen van [eiser] zeer serieus nemen. Laatstgenoemde liet me ieder uur bellen om te checken of ik nog oké was, want “[eiser] heeft nauwe banden met hogere agenten bij de Ghanese Criminele Inlichtingen Dienst CID, ‘eigen’ politieagenten en andere hooggeplaatste Ghanezen (een rechercheur van de CID, een parlementariër en een rechter zitten in de board of directors van [eiser]’ hotel, red.).” Als [eiser] in hoog gezelschap een politiekantoor zou binnengaan en zou verzoeken om mijn arrestatie, dan zou een lage agent dat, volgens [K], niet durven weigeren.
(…)
Wat op z’n minst opvallend is, is dat de publicaties over [ex-medewerker van eiser 1] samenvallen met het heropenen van het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] in Ghana. Het Openbaar Ministerie besloot hiertoe nadat er eind april een petitie werd ingediend met daarin aanknopingspunten dat het dossier ten onrechte is gesloten. “We nemen de inhoud zeer serieus”, aldus het OM.
(…)
Op advies van de NVJ en van mijn advocaat tik ik nu dit verhaal. Ik heb daar lang over getwijfeld. Is het geen olie op het vuur? Geef ik [eiser] hiermee extra handvatten om weer actie tegen mij te ondernemen? Ik denk van wel. Maar het is nu, anderhalf jaar na de publicatie van mijn verhaal, ook duidelijk dat [eiser] mij en mijn bronnen sowieso niet met rust laat.
(…)

2.6.

Op 8 oktober 2013 is op de website OneWorld een artikel geplaatst met de titel Paradijs voor Pedo’s – wordt vervolgd. De inhoud van dit artikel is identiek aan de inhoud van het onder 2.5 genoemde artikel.

2.7.

Op 8 november 2013 heeft [journaliste] een artikel geplaatst op de website Villamedia.nl met de titel Klaar met je stuk. En dan? Dit artikel is een bewerking van het onder 2.5 genoemde artikel.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – kort gezegd – en na wijziging van eis het volgende:
1. [journaliste] te verbieden om [eiser] nog langer in publicaties en/of in sociale media in verband te brengen met pedofilie, corruptie, bedreiging en/of andere misdrijven, zonder te beschikken over (een) vonnis(sen) waaruit een en ander blijkt, of bescheiden van het Openbaar Ministerie, waaruit blijkt dat [eiser] wordt vervolgd, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding;
2. [journaliste] te gebieden om al haar publicaties in sociale media inzake de vermeende pedofilie, verkrachting, bedreigingen en/of andere misdrijven gepleegd door [eiser] te (doen) verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding;


[journaliste] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 10.000,- (of een ander in goede justitie vast te stellen bedrag) als voorschot op de door [eiser] geleden materiële en immateriële schadevergoeding;
4. [journaliste] te gebieden een rectificatie te plaatsen op haar blog, website en in sociale media, alsmede een persbericht uit te brengen met de navolgende tekst:

Op de site OneWorld publiceerde ik zonder te beschikken over betrouwbare aanwijzingen dat de Limburgse vastgoedhandelaar [eiser] in relatie stond tot (jarenlang) kindermisbruik, verkrachting en/of andere misdrijven. De bronnen van deze aantijgingen zijn [ex-medewerker van eiser 1] en [ex-medewerker van eiser 2]. Deze bronnen blijken onbetrouwbaar te zijn. Ik was ermee bekend dat de rechter in Ghana betrokkenen reeds in 2011 bij tussenvonnis had verboden om in afwachting van een eindvonnis direct of indirect ter zake over [eiser] te publiceren. Ik betreur deze publicatie(s), omdat de verdachtmakingen jegens [eiser] geen steun vinden in het tot op heden beschikbare feitenmateriaal, en erken dat de zakelijke belangen van [eiser] zonder redelijke grond ernstig daardoor zijn geschaad en [eiser] en zijn ondernemingen daardoor in eer en goede naam zijn aangetast en reputatie- en omzetschade geleden kunnen hebben
of woorden van gelijke strekking en op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag;

5. [journaliste] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat hij in het verleden een zakelijk conflict heeft gehad met twee medewerkers van zijn hotel in Accra, [ex-medewerker van eiser 1] en zijn partner [ex-medewerker van eiser 2]. [ex-medewerker van eiser 2] is de voogdes van [beweerd slachtoffer]. Nadat [ex-medewerker van eiser 1] en [ex-medewerker van eiser 2] door [eiser] zijn ontslagen, heeft [beweerd slachtoffer] – op initiatief van [ex-medewerker van eiser 2] – valselijk aangifte gedaan tegen [eiser] en hem valselijk beschuldigd van jarenlang seksueel misbruik. [eiser] beschikt over een brief van 5 oktober 2012 van het Ghanese Openbaar Ministerie waaruit blijkt dat de politie de opdracht heeft gekregen om de aangifte tegen [eiser] buiten behandeling te stellen. De reden hiervoor is dat [beweerd slachtoffer] heeft gelogen over haar leeftijd (waardoor zij tijdens het beweerde seksueel misbruik niet minderjarig zou zijn) en omdat zij door [ex-medewerker van eiser 2] is gedwongen om een valse aangifte te doen. Er is tevens een video-opname waarop te zien is dat [beweerd slachtoffer] haar beschuldigingen aan het adres van [eiser] intrekt en hem haar excuses aanbiedt. Deze opname is gemaakt in het kader van een vaststellingsovereenkomst van 25 januari 2012 die is gesloten tussen [eiser] en [beweerd slachtoffer]. Vanwege een beding tot geheimhouding, zoals opgenomen in deze overeenkomst, is het voor [eiser] niet mogelijk de vaststellingsovereenkomst in het geding te brengen. Uit de genoemde brief van 5 oktober 2012 volgt verder dat [ex-medewerker van eiser 2] zal worden vervolgd voor het doen van valse aangifte. Daarnaast beschikt [eiser] over een brief van een rechercheur van politie ([rechercheur A]) van 20 november 2013 waaruit onder meer blijkt dat geen bewijs is gevonden voor de juistheid van de aangifte van [beweerd slachtoffer] en dat tegenstrijdigheden zijn ontdekt in de verklaringen van [beweerd slachtoffer] en [ex-medewerker van eiser 2]. Tot slot beschikt [eiser] over een brief van [Y], chief state attorney, van 28 november 2013, waaruit eveneens blijkt dat geen bewijs tegen [eiser] is aangetroffen, dat [eiser] om die reden wordt vrijgepleit en dat [ex-medewerker van eiser 2] vervolgd zal worden voor het doen van valse aangifte.
3.2.1 Volgens [eiser] heeft [journaliste] in haar artikel van 28 juni 2012 ten onrechte aandacht aan hem besteed. [journaliste] gaat er ten onrechte vanuit dat [eiser] in Ghana gearresteerd is voor de verkrachting van (de minderjarige) [beweerd slachtoffer] en dat hij daarna op borgtocht is vrijgelaten. In het artikel staat ook dat twee andere meisjes slachtoffer (en getuigen) van het beweerde misbruik zijn, maar ook dit is aantoonbaar onjuist. Weliswaar wordt [eiser] in het artikel van 28 juni 2012 niet bij naam genoemd, maar hij is gemakkelijk te herleiden tot de in het artikel beschreven Nederlande miljonair. Dit blijkt onder meer uit een publicatie op de website FollowTheMoney (FTM), waarop het artikel Ghana, het nieuwe pedoparadijs is verschenen. In dit laatste artikel wordt [eiser] bij naam en toenaam genoemd. Naar aanleiding van het artikel van [journaliste] is [eiser] ook door anderen in verband gebracht met kindermisbruik. Na publicatie van het artikel van 28 juni 2012 heeft [journaliste] op Twitter veelvuldig melding gemaakt van haar “ontdekking” dat [eiser] van kindermisbruik werd beschuldigd. Zo heeft [journaliste] naar aanleiding van een verklaring van een Ghanese politieagent dat de beschuldigingen aan het adres van [eiser] onjuist zijn, getwitterd dat de desbetreffende agent ([rechercheur A]) is omgekocht door [eiser] omdat hij plotseling in een nieuwe auto reed. Vervolgens verschenen de artikelen van de hand van [journaliste] van 8 oktober 2013 en 8 november 2013 (zie 2.5, 2.6 en 2.7). Hierin wordt [eiser] met naam en toenaam ten onrechte beschuldigd van corruptie en het uiten van bedreigingen, onder meer aan het adres van [journaliste]. Ook staat volgens [eiser] ten onrechte in de artikelen dat het strafrechtelijk onderzoek naar hem zou zijn heropend.

3.2.2

[eiser] is van mening dat [journaliste] zich schuldig maakt aan laster. Hij ervaart het handelen van [journaliste] als karaktermoord. De artikelen en de twitterberichten van [journaliste] tasten de reputatie en de eer en goede naam van [eiser] op ernstige wijze aan. Het gaat om zeer ernstige beschuldigingen, terwijl vaststaat dat [eiser] door het openbaar ministerie in Ghana niet wordt vervolgd. Deze handelwijze van [journaliste] is onrechtmatig. Haar uitingen vallen niet onder de vrijheid van meningsuiting van artikel 10 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en artikel 7 Grondwet. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vorderingen. Dit blijkt wel uit het feit dat zijn kantoorpand in Maastricht is beklad met de tekst “Pedo”. De materiële en immateriële schade die [eiser] als gevolg van de publicaties lijdt is enorm, aldus nog steeds [eiser].

3.3.

[journaliste] heeft tegen de vorderingen verweer gevoerd. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Indien de vorderingen van [eiser] zouden worden toegewezen, zou dit een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van [journaliste] op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt, indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, indien de uitlatingen van [journaliste] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [journaliste] is er met name in gelegen dat zij zich als journaliste in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiser] is er met name in gelegen dat zijn persoon niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat zijn privacy niet onnodig wordt geschonden. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen.

4.2.

Een van die omstandigheden is de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Het feitenmateriaal dat [journaliste] ter beschikking stond op de datum van publicatie van het eerste artikel op 28 juni 2012 bestond onder meer uit het volgende:
1. de aangifte van [beweerd slachtoffer] van 23 december 2010 (productie 16 van [journaliste]);
2. een tweede aangifte van [beweerd slachtoffer] van 10 februari 2011 (productie 24 van [journaliste]);
3. een brief van het Openbaar Ministerie (Attorney General) van Ghana van 23 december 2011 waarin is vermeld dat [eiser] moet worden aangeklaagd voor seksueel misbruik van [beweerd slachtoffer] (productie 29 van [journaliste]);
4. een brief van het Openbaar Ministerie (Attorney General) van Ghana van 8 maart 2012 (productie 34 van [journaliste]) waaruit volgt dat de vervolging van [eiser] op verzoek van zijn advocaat wordt geschorst in afwachting van het onderzoek naar de video-opname van januari 2012, waarop te zien is dat [beweerd slachtoffer] haar aanklacht intrekt;
5. de hiervoor bedoelde video-opname van januari 2012 (die ter zitting is getoond), waarop is te zien dat [beweerd slachtoffer] haar aanklacht intrekt, haar excuses aanbiedt aan [eiser] en stelt dat zij de aangifte onder druk van derden heeft gedaan;
6. de “ruwe” opnames van de hiervoor bedoelde video-opname (die eveneens ter zitting zijn getoond) waarop te zien is hoe die opname tot stand is gekomen.

4.3.

Over het hiervoor opgesomde feitenmateriaal overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In de onder 3 genoemde brief van 23 december 2011 is de verklaring van [eiser] (te weten dat de aangifte van [beweerd slachtoffer] enkel is geschied op instigatie van [ex-medewerker van eiser 1] en [ex-medewerker van eiser 2] met wie [eiser] een zakelijk conflict had) afgewogen tegen de aangifte van [beweerd slachtoffer] en het overige bewijs, waarna de conclusie is getrokken dat “per the facts its been established that the suspect had had carnal knowledge of the victim”. Naar aanleiding van de onder 4 genoemde brief van 8 maart 2012 wordt opgemerkt dat de advocaat van [eiser] (en niet [beweerd slachtoffer]) de video-opname waarop [beweerd slachtoffer] haar aanklacht intrekt, aan het openbaar ministerie heeft doen toekomen. Over de video-opname is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel – nadat ter zitting eveneens de ruwe opnames zijn bekeken – dat op zijn minst genomen ernstige vraagtekens kunnen worden gezet bij het waarheidsgehalte van de door [beweerd slachtoffer] gedane intrekking. Bij het bekijken van de ruwe opnames, kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat de woorden [beweerd slachtoffer] in de mond zijn gelegd en dat [beweerd slachtoffer] haar aangifte niet uit vrije wil heeft ingetrokken.

4.4.

[journaliste] heeft voorts aangevoerd dat zij zich bij het schrijven van het artikel van 28 juni 2012 naast het hiervoor genoemde feitenmateriaal ook heeft gebaseerd op andere bronnen. Vanwege het zakelijke conflict tussen [eiser] enerzijds en [ex-medewerker van eiser 1] en [ex-medewerker van eiser 2] anderzijds heeft [journaliste] naar eigen zeggen [ex-medewerker van eiser 1] en [ex-medewerker van eiser 2] niet als bron gebruikt voor het desbetreffende artikel. De andere bronnen waarop [journaliste] zich heeft gebaseerd zijn onder meer de volgende:
1. [ex-medewerker van eiser 3], een oud-medewerker van het hotel van [eiser], met wie [journaliste] in februari 2011 een gesprek heeft gevoerd. De transcriptie van dit gesprek heeft zij als productie 18 in het geding gebracht. Uit dit gesprek blijkt dat [ex-medewerker van eiser 3] en andere hotelmedewerkers wantrouwend (“suspicious”) waren omdat [eiser] sinds jaar en dag – wanneer hij in het hotel verbleef – beschikte over de sleutels van de connecting room waar tijdens zijn bezoeken twee meisjes (onder wie [beweerd slachtoffer]) verbleven.

2. Twee oud-beveiligingsmedewerkers van het hotel van [eiser] met wie [journaliste] eveneens in februari 2011 een gesprek heeft gevoerd. De transcriptie van dit gesprek is als productie 19 in het geding gebracht. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
Vraag: Did all the people in the hotel know what was going on with the girls?
Antwoord: Some few, … the clever people know. Especially the securities and the waitress.

3. [ex-medewerker van eiser 4], een uit Duitsland afkomstige oud-medewerker van het hotel van [eiser], die [journaliste] gezegd schijnt te hebben dat hij reeds in 2006 bij de politie in Duitsland en Nederland heeft gemeld dat [eiser] in Ghana ongestoord kinderen misbruikt, onder wie [beweerd slachtoffer].

4. [B] (director of public prosecution at the Attorney General’s Department) met wie [journaliste] op 9 februari 2012 heeft gesproken. Het transscript van dit gesprek is als productie 31 in het geding gebracht. Blijkens dit transscript heeft [B] onder meer gezegd:

What is happening is really true. We have the case. We have just send the case dockets to the police to charge him (bedoeld is [eiser], vzr.) and to bring him to court (…)
So I just told them follow the advice that [eiser] should be charged and be brought to court. (…)
There is a criminal case against him. And we have told the police to charge him. We have instructed the police to charge him.
5. Kamervragen gesteld door het lid Dibi in de Tweede Kamer waaruit blijkt dat [eiser] vervolgd is geweest door politie en justitie in Ghana en nadien op borgtocht is vrijgelaten (productie 23 van [journaliste]).

6. Verschillende artikelen uit Ghanese kranten (die [journaliste] als productie 20 in het geding heeft gebracht) en waarin melding wordt gemaakt van door [eiser] gepleegd seksueel misbruik van minderjarigen, van de rol van DOVVSU (de Domestic Violence and Victim Support Unit van de Ghanese politie) en dat [eiser] op borgtocht is vrijgelaten, onder meer met de titel Mass Sex Dutch Pedophile Walks On Bail, How Dutch Paedophile defiled minor… And Was Granted Bail By DOVVSU en Shocking! Shocking! Shocking! DOVVSU PROTECTS DUTCH PEDOPHILE!

7. [journaliste] heeft naar eigen zeggen meerdere keren met [beweerd slachtoffer] gesproken en haar aan de tand gevoeld.

4.5.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de verdenkingen jegens [eiser] zoals opgenomen in het artikel van 28 juni 2012 voldoende steun vonden in het feitenmateriaal dat [journaliste] op dat moment ter beschikking stond. Uit dit materiaal volgt immers dat [eiser] verdachte is geweest van seksueel misbruik van [beweerd slachtoffer], dat hij aangehouden is geweest en op borg is vrijgelaten, dat de Attorney General’s Departement hem in staat van beschuldiging heeft gesteld, dat de politie opdracht heeft gekregen hem te vervolgen en dat op dat moment vraagtekens konden worden geplaatst bij de verklaring van [eiser] dat [ex-medewerker van eiser 1] en [ex-medewerker van eiser 2] achter de aangifte van [beweerd slachtoffer] zaten. Reeds om deze reden valt – wat het artikel van 28 juni 2012 betreft – de belangenafweging zoals onder 4.1 bedoeld in het voordeel uit van [journaliste], zodat het artikel niet onrechtmatig kan worden geacht. Van [journaliste] kon niet worden verwacht dat zij de verdenkingen jegens [eiser] alleen mocht publiceren indien zij zou beschikken over (een) vonnis(sen) waaruit een en ander blijkt, of bescheiden van het Openbaar Ministerie, waaruit blijkt dat [eiser] wordt vervolgd, zoals opgenomen onder 1 van het petitum van de dagvaarding. Afgezien van het feit dat [journaliste] op het moment van publicatie wel degelijk beschikte over een document van het Ghanese openbaar ministerie waaruit volgde dat [eiser] werd aangeklaagd (zie het document van 8 maart 2012, productie 34) is door [journaliste] in dat verband terecht aangevoerd dat [eiser] door zijn vordering op deze wijze te formuleren de lat te hoog heeft gelegd. Van een journalist hoeft niet te worden verwacht dat hij – zoals in een strafrechtelijke procedure – wettig en overtuigend bewijs levert, zij het dat beschuldigingen niet lichtvaardig mogen worden gedaan. Dat laatste is hier niet het geval. Dat in dit kort geding wordt geoordeeld dat [journaliste] over voldoende feitenmateriaal beschikte om tot publicatie over te mogen gaan, betekent niet dat vaststaat dat [eiser] zich aan seksueel misbruik heeft schuldig gemaakt. De vraag of dit het geval was, kan en hoeft in dit kort geding niet te worden beantwoord.

4.6.

[eiser] heeft er nog op gewezen dat [journaliste] ten tijde van de publicatie van haar eerste artikel ervan op de hoogte was dat de rechtbank te Accra (Ghana) op 27 juli 2011 in een tussenvonnis heeft beslist dat [ex-medewerker van eiser 1] en [ex-medewerker van eiser 2] voor de duur van de betreffende procedure geen beschuldigingen aan het adres van [eiser] mochten publiceren. Ook heeft hij erop gewezen dat de twee door [beweerd slachtoffer] genoemde andere meisjes schriftelijk hebben ontkend door [eiser] te zijn misbruikt. Dit baat [eiser] echter niet, omdat [journaliste] de inhoud van het vonnis (dat bij verstek is gewezen) en de inhoud van de (exact gelijkluidende) verklaringen van de twee genoemde meisjes heeft mogen afwegen tegen het hiervoor genoemde feitenmateriaal. Haar conclusie dat het vonnis en de verklaringen tegenover het feitenmateriaal onvoldoende gewicht in de schaal leggen, is verdedigbaar.

4.7.

Over het tweede artikel van [journaliste] van 8 oktober 2013 en de bewerking hiervan van 8 november 2013 (zie 2.5 tot en met 2.7 van dit vonnis) is de voorzieningenrechter het volgende van oordeel. De beschuldigingen geuit aan het adres van [eiser] komen – samengevat weergegeven – neer op corruptie en bedreiging. Ter ondersteuning van haar artikelen van 8 oktober 2013 en 8 november 2013 heeft [journaliste] onder meer de volgende producties in het geding gebracht:

Productie 39: Een notitie van [journalist A] van de website FollowTheMoney die op 4 juli 2012 omstreeks 15.20 uur is gebeld door [eiser]. Volgens [journalist A] heeft [eiser] verzocht een artikel over hem van de website te verwijderen. Toen niet aan dit verzoek werd voldaan heeft [eiser] gezegd: “Ik ga je kapot maken, je gaat bloeden, ik scheur je helemaal in stukken. En je hele bedrijf ook, ik maak het helemaal kapot, dat zul je zien”, aldus [journalist A].

Productie 44: Een artikel van een Ghanese journalist op ModernGhana.com waarin onder meer is opgenomen: “However, days after the A-G’s Department gave the documented directive that [eiser] be charged and prosecuted; the CID official had suddenly developed cold feet towards prosecuting the Dutch national.
Inspector [rechercheur A]’s sudden change of attitude has given credence to the speculations making the rounds that he has allegedly benefited financially from some intrest parties in the case.
Though he has denied the allegation in no uncertain terms, suspicions are still ripe that he might have bought his latest car from the proceeds of the financial benefits he had.

Productie 50: Een transscript van een telefoongesprek dat [journaliste] heeft gevoerd met [advocaat beweerd slachtoffer], de huidige advocaat van [beweerd slachtoffer], en waarin is opgenomen dat zij over [rechercheur A] onder meer het volgende zou hebben gezegd: “Tried to do anything that makes sure [eiser] is not brought to court. Because for sure, [eiser] has given him money and a car. (…) He deliberately changed the information so that [eiser] cannot be taken to court. Because he is now in the group with [eiser]. (…) You know, in Ghana we are poor. So even a 1000 dollar can change a good story. That is the problem. The problem is poverty…”.

Productie 51: Een artikel van [C], districtschef bij de politie te Amsterdam waarin hij (na een werkbezoek aan Ghana) uit eigen ervaring vertelt dat bij de Ghanese politie veelvuldig sprake is van corruptie.

Productie 56: Een e-mail van [ex-medewerker van eiser 4] (de uit Duitsland afkomstige oud-medewerker van het hotel van [eiser]) van 14 juli 2013 gericht aan [journaliste], waarin onder meer is opgenomen: “I just had a call from [eiser] from Ghana who was furious and accusing me of alle kinds of offenses against him. I also allegedly wrote lies on the Internet about him (…) – something I definitely never did. He threatened me that he will deal with me (…) and will have me arrested too, while police would search my house. This is very worrysome, as I am in no position to fight [eiser] and will probably not be able to go back to Ghana for some years to come. (…)

Productie 58: Een artikel gepubliceerd op de website van Quote waarin melding wordt gemaakt van de aangifte van [ex-medewerker van eiser 1] tegen [eiser] wegens smaad, laster en bedreiging. Volgens [ex-medewerker van eiser 1] helpt [eiser] onware verhalen de wereld in over hem via de website Camilleri. In dit artikel is het volgende opgenomen: “[ex-medewerker van eiser 1] laat optekenen dat hij in 2010 is vertrokken als medewerker van het hotel van [eiser] omdat hij ‘veel dingen’ zag gebeuren die niet door de beugel konden, zoals kindermisbruik (…). [ex-medewerker van eiser 1] vreest nu voor zijn leven, liet hij de politie weten. [eiser] zou hem hebben bedreigd met de woorden ‘ik maak je kapot, je bent je leven niet meer zeker’.”

Productie 65: Een document van DOVVSU van 9 oktober 2013, dat is ondertekend door [rechercheur A], en waarin hij de Ghanese politie verzoekt [journaliste] te vervolgen omdat zij hem in Nederlandse kranten en op het internet valselijk heeft beschuldigd van het aannemen van een auto van [eiser]. Naar aanleiding van dit document heeft [journaliste] ter zitting verklaard dat zij veronderstelt dat er een band is tussen [eiser] en [rechercheur A]. Anders is het volgens [journaliste] niet mogelijk dat [rechercheur A] reeds één dag na de gewraakte publicatie op 8 oktober 2013 op de hoogte kan zijn van de beschuldiging van [journaliste] op een Nederlandse website en in de Nederlandse taal.

Productie 66: Een rapport van Terre des Homme van 10 september 2013 over de bestrijding van kindersekstoerisme waarin over [eiser] het volgende is opgenomen:

P. probeerde ondertussen op verschillende manieren [beweerd slachtoffer] haar verklaring te laten intrekken. Hij stuurde mensen achter haar aan, waardoor ze gedwongen was van school te wisselen en een ander telefoonnummer te nemen. In januari wist hij zelfs [beweerd slachtoffer]’s eigen advocaat om te kopen. Die lokte het meisje onder valse voorwendselen naar zijn kantoor om haar beschuldigingen van misbruik af te zwakken. Ook stortte hij 2000 Cedi (bijna 1000 euro) op haar bankrekening in een poging de zaak te schikken. (…)

4.8.

Gezien de onder 4.7 weergegeven producties is de voorzieningenrechter ook hier van oordeel dat de beschuldigingen aan het adres van [eiser] zoals opgenomen in de artikelen van 8 oktober 2013 en 8 november 2013 voldoende steun vonden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Gezien de inhoud van deze producties wordt het voorshands niet lichtvaardig geacht om [eiser] corruptie en bedreiging te verwijten. In de gegeven omstandigheden mocht [journaliste] persoonlijk verslag doen van haar eigen ervaringen en van hetgeen zij heeft vernomen van haar contacten en bronnen. Zij mocht voorts vraagtekens plaatsen bij de veranderde opstelling van het Ghanese openbaar ministerie dat [eiser] eerst wel en daarna niet vervolgt, terwijl hiervoor naar haar mening geen duidelijke reden aanwezig is. [journaliste] mocht bovendien – ondanks de bezwaren hiertegen van [eiser] – in de bewuste artikelen opnemen dat het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] zou zijn heropend. Uit de brief van 28 november 2013 (zie 3.2) die door [eiser] in het geding is gebracht valt immers af te leiden dat de sluiting van het strafrechtelijk heronderzoek tegen [eiser] is heroverwogen naar aanleiding van een petitie van [journalist B], een onderzoeksjournalist uit Ghana (productie 52 van [journaliste]). Dit is weliswaar niet hetzelfde als een heropening van het strafrechtelijk onderzoek, maar dit verschil wordt bij de beoordeling onvoldoende relevant geacht. Dit leidt dan ook wederom tot de conclusie dat de hiervoor onder 4.1 genoemde belangenafweging in het voordeel van [journaliste] uitvalt en dat ook de publicatie van de artikelen van 8 oktober 2013 en 8 november 2013 niet onrechtmatig is jegens [eiser].


4.9. Bij de afweging van belangen, zoals hiervoor onder 4.5 en 4.8 bedoeld, heeft de voorzieningenrechter mede betrokken dat [eiser] tot op zekere hoogte een publiek figuur is (“de koning van Ghana”) en dat publieke figuren zich meer moeten laten welgevallen dan personen die geen publiek figuur zijn. Ook in tal van andere media (zowel in Nederland als in Ghana) is [eiser] in verband gebracht met (vermeend) kindermisbruik. Bij de afweging van belangen is voorts betrokken dat [journaliste] een zeer ernstige misstand (kindersekstoerisme in Ghana en de omstreden Ghanese rechtsgang) aan de kaak heeft willen stellen. Enerzijds brengen deze omstandigheden mee dat er een groot publiek belang is om op de hoogte te worden gebracht van die misstand, maar anderzijds betekent dit dat het privéleven en de reputatie van [eiser] in aanzienlijke mate zijn geschonden. Ook is aannemelijk dat [eiser] en zijn gezin als gevolg van de beschuldigingen ernstig zijn aangedaan. Gelet op het beschikbare feitenmateriaal en de wijze waarop [journaliste] daarvan verslag heeft gedaan, kan echter bij een nadere beschouwing van alle relevante omstandigheden het belang van [eiser] in dit geval niet de doorslag geven. Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat [journaliste] in de gegeven omstandigheden voldoende invulling heeft gegeven aan het beginsel van hoor- en wederhoor. [eiser] heeft voorafgaand aan de publicatie van het eerste artikel uitgebreid zijn standpunt kenbaar gemaakt aan [journaliste]. Met betrekking tot de artikelen van 8 oktober 2013 en 8 november 2013 heeft [journaliste] aan de redactie van de desbetreffende websites overgelaten of [eiser] in de gelegenheid moest worden gesteld tot wederhoor. [journaliste] koos hiervoor omdat [eiser] geen contact met haar wilde. Deze keuze van [journaliste] acht de voorzieningenrechter gerechtvaardigd.

4.10.

Voor zover de vorderingen van [eiser] in aanvulling op het voorgaande zijn gebaseerd op twitterberichten van [journaliste] en/of op informatie die is opgenomen op haar website en/of op haar blog, geldt dat [eiser] heeft nagelaten de desbetreffende berichten en informatie in het geding te brengen. De voorzieningenrechter kan zich hierover dan ook geen oordeel vormen.

4.11.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] ter zitting heeft betoogd dat hij beschikt over meerdere documenten afkomstig van politie en justitie van Ghana waaruit blijkt dat hij niet (langer) strafrechtelijk wordt vervolgd. In dit kader heeft hij allereerst aangevoerd dat het document van 10 juli 2012 (productie 41 van [journaliste]) vals is. In dit document maakt het Ghanese openbaar ministerie kenbaar de vervolging tegen [eiser] – na onderzoek van de video-opname van januari 2012 waarop te zien is dat [beweerd slachtoffer] haar aangifte intrekt – voort te zetten. [journaliste] heeft betwist dat dit een vals document is. Zij heeft aangevoerd dat de inhoud van dit document kan worden gezien als een bevestiging achteraf van de juistheid van de in het artikel van 28 juni 2012 geuite beschuldigingen. Of het document van 10 juli 2012 vals is of niet, kan in dit kort geding, dat zich niet leent voor een nader feitelijk onderzoek, niet worden vastgesteld. De relevantie van dit document is in dit kort geding overigens gering, aangezien het dateert van nà het artikel van [journaliste] van 28 juni 2012. [eiser] heeft vervolgens verwezen naar de documenten die inhouden dat hij niet langer wordt vervolgd in Ghana, te weten het document van 5 oktober 2012 (zie productie 48 van [journaliste]) en de brieven van 20 en 28 november 2013 (zie hiervoor onder 3.2) van respectievelijk [rechercheur A] en [Y], die door [eiser] in het geding zijn gebracht. Ook hier geldt dat de relevantie van deze brieven en documenten voor dit kort geding gering is om dat zij (merendeels) dateren van na de gewraakte publicaties. De documenten zijn wel van belang in het kader van de toezegging die is opgenomen onder punt 85 van de pleitnota van de raadsvrouw van [journaliste]. Hier is opgenomen:

[journaliste] wil benadrukken dat [zij] in eventuele vervolgpublicaties – iets waar op dit moment geen plannen voor zijn – uiteraard de laatste stand van zaken in de strafzaak zal meenemen. Zij heeft nog geen gelegenheid gehad de laatste stukken uit Ghana van november 2013 die door [eiser] zijn overgelegd te verifiëren, maar mocht blijken dat hiermee de strafzaak definitief is gesloten dan zal zij aan VillaMedia en OneWorld verzoeken om die informatie aan de publicaties toe te voegen.
De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [journaliste] deze toezegging na zal komen.

4.12.

De slotsom van hetgeen hiervoor is overwogen luidt dat alle vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [journaliste] worden begroot op:

- griffierecht €  842,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.658,00

Ook de zogenoemde nakosten waarop [journaliste] aanspraak heeft gemaakt zullen worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [journaliste] tot op heden begroot op € 1.658,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.1

1 type: MVcoll: