Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8643

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
HA ZA 13-821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident tot zekerheidstelling. Gedaagde in het incident woont in buitenland en doet een beroep op de uitzonderingen van artikel 224 lid 2 sub c en d Rv. De rechtbank passeert het verweer van gedaagde en wijst de gevorderde zekerheidstelling toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/547309 / HA ZA 13-821

Vonnis in incident van 27 november 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ([plaats]),

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M. Koudstaal te Haarlem,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [plaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats], gemeente [plaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [plaats],

4. de stichting

[gedaagde 4] ,

gevestigd te [plaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. J.D. Boon te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en de Stichting genoemd worden en voor zover gedaagden gezamenlijk bedoeld worden zullen zij [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 juli 2013, met producties,

  • -

    de incidentele provisionele conclusie houdende zekerheidstelling voor proceskosten van [gedaagden],

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het gevorderde in het incident

2.1.

[gedaagden] hebben gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] (hun vader) te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van € 10.137,00 in de vorm van een bankgarantie bij een Nederlandse systeembank en de hoofdzaak aan te houden totdat de zekerheid is gesteld, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.

2.2.

[gedaagden] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] woonachtig is in [plaats] en aldus op grond van artikel 224 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verplicht is om zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij kan worden veroordeeld.

2.3.

[eiser] heeft verweer gevoerd. Volgens hem is hij niet verplicht tot het stellen van zekerheid omdat redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van de proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn (artikel 224 lid 2 sub c Rv) en omdat hem door het stellen van zekerheid de effectieve toegang tot de rechter wordt belemmerd (artikel 224 lid 2 sub d Rv). Subsidiair stelt hij dat door het opwerpen van het incident chicaneus wordt gehandeld althans misbruik wordt gemaakt van procesrecht.

2.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna nader worden ingegaan.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten. Die verplichting bestaat niet indien er sprake is van één van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingsgronden. De uitzonderingsgronden betreffen, kort gezegd, dat het stellen van zekerheid verboden is door het internationaal recht (art. 224 lid 2 sub a Rv), dat een proceskostenveroordeling executabel is in het woonland van eiser (art. 224 lid 2 sub b Rv), dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat een proceskostenveroordeling in Nederland kan worden geëxecuteerd (art. 224 lid 2 sub c Rv) en dat het stellen van zekerheid een effectieve toegang tot de rechter zou belemmeren (art. 224 lid 2 sub d Rv).

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in [plaats] woonachtig is en dat er geen sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub a of b Rv. [eiser] heeft een beroep gedaan op de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub c en d Rv.

3.3.

[eiser] heeft ten aanzien van de in sub c bedoelde uitzonderingsgrond aangevoerd dat [gedaagde 1] het geld beheert van [eiser]. Hij heeft het vermogen van [eiser] derhalve onder eigen controle en ontvangt zelfs het rendement op het bedrag van € 7.800.000,00 wat [eiser] (beweerdelijk) aan [gedaagden] geschonken zou hebben, dit terwijl [eiser] recht heeft op dit rendement. [gedaagden] kunnen een eventuele proceskostenveroordeling bovendien verrekenen met het bedrag van € 10.000,00 dat [gedaagde 1] maandelijks aan [eiser] moet overmaken, aldus steeds [eiser]. Om deze redenen is het redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van de proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn, aldus [eiser].

3.4.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De eiser die zich ter afwering van de incidentele vordering tot zekerheidstelling op de uitzondering als bedoeld in sub c van voornoemd artikel wenst te beroepen, zal specifieke verhaalsinformatie moeten verschaffen. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat verhaal voor een proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk is, maar heeft niet specifiek (in de conclusie van antwoord in het incident) gesteld welk bedrag [gedaagde 1] voor hem beheert, op welke rekening dat staat en wat thans het saldo van die rekening is. De rechtbank constateert dat [eiser] bij dagvaarding een grote hoeveelheid producties in het geding heeft gebracht, maar zonder nadere toelichting die ontbreekt, kan de rechtbank op grond daarvan niet vaststellen dat verhaal voor de proceskostenveroordeling mogelijk is. Het geven van dergelijke specifieke, duidelijk toegelichte verhaalsinformatie lag wel op de weg van [eiser], althans op de weg van zijn raadsvrouw, zeker nu het Gerechtshof Amsterdam in de kortgedingprocedure in onderhavige zaak waarin eveneens een incident tot zekerheidstelling was opgeworpen door [gedaagden] de gevorderde zekerheidstelling heeft toegewezen en kennelijk voorbij is gegaan aan de verweren van [eiser].

Voor de stelling van [eiser] dat [gedaagde 1] het rendement op het aan [gedaagden] (beweerdelijk) geschonken bedrag ontvangt, geldt hetzelfde als hiervoor vermeld. Het lag op de weg van [eiser], althans zijn raadsvrouw, om gemotiveerd te stellen dat [eiser] recht heeft op het rendement, op welke rekening in Nederland dat rendement wordt ontvangen en wat thans het saldo van die rekening, althans het rendement, is. Dat [eiser] dit heeft nagelaten dient voor zijn risico te blijven.

Ten slotte geldt voor de stelling dat [gedaagde 1] maandelijks een bedrag van € 10.000,00 aan [eiser] moet overmaken, dat blijkens het als productie 52 overgelegde proces-verbaal van de zitting op 16 april 2013 (waar [eiser] in zijn conclusie van antwoord in het incident zelf naar heeft verwezen) [gedaagde 1] en [eiser] zijn overeengekomen dat het bedrag van € 10.000,00 zal worden betaald tot en met de maand waarin het accountantsrapport gereed komt. Dit accountantsrapport wordt opgemaakt, althans zo begrijpt de rechtbank uit hetzelfde proces-verbaal, om te beoordelen of [gedaagde 1] een goed en betrouwbaar beheer over het vermogen van [eiser] heeft gevoerd, welk rapport dient ter beoordeling van de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak. De hoofdzaak zal derhalve pas kunnen worden behandeld op het moment dat het accountantsrapport gereed is. Dat betekent dat op het moment dat een eventuele proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken, geen verplichting meer bestaat voor [eiser] om maandelijks een bedrag van € 10.000,00 aan [eiser] te betalen. Nu daarmee niet vaststaat dat het (op het moment van het uitspreken van de proceskostenveroordeling) redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor de proceskostenveroordeling mogelijk is, wordt ook dit verweer verworpen.

3.5.

Het verweer dat door de verplichting tot het stellen van zekerheid de effectieve toegang tot de Nederlandse rechter voor [eiser] wordt belemmerd als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder d Rv wordt eveneens verworpen, nu dit onvoldoende aannemelijk is geworden. Ditzelfde geldt voor het subsidiaire verweer dat [gedaagden] chicaneus hebben gehandeld of misbruik maken van procesrecht door het opwerpen van het incident.

3.6.

Vorenstaande betekent dat het gevorderde in het incident wordt toegewezen. [gedaagden] hebben gevorderd om het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld vast te stellen op € 10.137,00, bestaande uit een bedrag van € 6.422,00 voor salaris advocaat en € 3.715,00 aan griffierechten. Nu tegen de hoogte van de gevorderde zekerheidstelling of de wijze waarop zekerheid moet worden gesteld geen verweer is gevoerd zal de rechtbank bepalen dat voor € 10.137,00 zekerheid moet worden gesteld in de vorm van een door een Nederlandse systeembank af te geven bankgarantie.

3.7.

[gedaagden] hebben ten slotte gevorderd dat de hoofdzaak wordt aangehouden totdat de zekerheid is gesteld om aan hen vervolgens een termijn van zes weken te geven voor het nemen van een conclusie van antwoord. De rechtbank wijst dit verzoek af om proceseconomische redenen. Aan [eiser] zal, zoals eveneens door [gedaagden] is gevorderd, een termijn van vier weken worden gegeven om de bankgarantie te stellen, waarna aan [gedaagden] eveneens een termijn van vier weken zal worden gegeven om hun conclusie van antwoord in te dienen. Daarmee wordt verdere vertraging van de hoofdzaak zoveel mogelijk beperkt.

3.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident van [gedaagden] worden veroordeeld, tot op heden begroot op € 452,00

(1 punt x tarief € 452,00).

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

beveelt [eiser] om binnen vier weken na heden zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij zou kunnen worden veroordeeld, in de vorm van een bankgarantie bij een Nederlandse systeembank die op vertoon van een onherroepelijke of uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in onderhavige zaak kan worden getrokken,

4.2.

bepaalt het bedrag van die zekerheid op € 10.137,00 (tienduizend honderdzevenendertig euro),

4.3.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 452,00,

4.4.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 januari 2014 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.1

1 type: MGV coll: