Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8557

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
1325157 - HA EXPL 12-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na tussenvonnis; bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 1325157 \ HA EXPL 12-269

Uitspraak: 18 december 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

nader te noemen [eiser],

gemachtigde mr. D.Y. Li,

t e g e n

1.

[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen [gedaagde 1],

2.

[gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen [gedaagde 2],

tezamen nader te noemen [gedaagden gezamenlijk],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

gemachtigde mr. R.G.P. van Marle.

HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 september 2012;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 11 januari 2013;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor in enquête en contra-enquête, gehouden op 13 september 2013;

  • -

    de conclusie na enquête van 16 oktober 2013 van [eiser];

  • -

    de conclusie na enquête van 13 november 2013 van [gedaagden gezamenlijk]

Daarna is wederom vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

Bewijsopdracht

1.

In het tussenvonnis van 19 september 2012 (hierna: het tussenvonnis) is [eiser] opgedragen te bewijzen dat [naam] hem heeft meegedeeld dat de jaaromzet van het eetcafé € 310.000,- bedroeg.

2.

In het tussenvonnis is reeds geoordeeld dat – indien na bewijslevering wordt vastgesteld dat [naam] bij de onderhandelingen die hij namens [gedaagden gezamenlijk] voerde, ten onrechte zou hebben meegedeeld dat sprake was van een jaaromzet van € 310.000,- – een dergelijke mededeling van [naam] jegens [eiser] heeft te gelden als een van [gedaagden gezamenlijk] afkomstige verklaring en dat dit betekent dat, indien zou komen vast te staan dat [eiser] als gevolg van die verklaring de overeenkomst is aangegaan onder invloed van bedrog of dwaling, hij de vernietiging van die overeenkomst ook jegens [gedaagden gezamenlijk] zal kunnen inroepen.

3.

In het tussenvonnis is als vaststaand aangenomen dat [naam] verkoopadvertenties met betrekking tot het eetcafé op internet heeft geplaatst en dat [eiser], na het zien van een advertentie, contact heeft opgenomen met [naam]. In het tussenvonnis is voorts reeds geconstateerd dat in de overgelegde verkoopadvertenties steeds expliciet melding wordt gemaakt van een jaaromzet van € 310.000,- exclusief speelautomaten en sigaretten. Overwogen is echter dat uit deze advertenties niet zonder meer kan volgen dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst(en) al dan niet door [naam] is meegedeeld dat het eetcafé een jaaromzet van € 310.000,- had omdat alle overgelegde advertenties leken te dateren van kort na de datum van ondertekening van de tweede koopovereenkomst. Slechts bij één van de overgelegde advertenties staat als datum van plaatsing 12 maart 2011, maar deze advertentie maakt geen melding van de jaaromzet van het eetcafé, aldus r.o. 3.2 van het tussenvonnis.

4.

In het kader van de bewijslevering zijn aan de zijde van [eiser] als getuigen de volgende drie personen gehoord: [eiser] (partijgetuige), [naam] en [partner eiser], partner van [eiser] (hierna: [partner eiser]). Zijdens [gedaagden gezamenlijk] zijn in contra-enquête gehoord [gedaagden gezamenlijk] en [bedrijfsleider], voorheen bedrijfsleider van een schoonmaakbedrijf (hierna: [bedrijfsleider]).

5.

De verklaring van [naam] is onsamenhangend en inconsistent gebleken met betrekking tot de vraag of hij het bedrag van € 310.000,- heeft genoemd en waar dat bedrag op zag. Deze verklaring wordt derhalve buiten beschouwing gelaten.

6.

De kantonrechter stelt verder voorop dat aanvankelijk alle partijen de stelling hebben betrokken dat tussen [eiser] en [gedaagden gezamenlijk] niet over een omzet van € 310.000,- is gesproken. [eiser] en [partner eiser] hebben tijdens het getuigenverhoor anders verklaard. De kantonrechter acht dit geen reden om hun verklaringen buiten beschouwing te laten, mede nu hun verklaringen omtrent de verkoopadvertenties steun vinden in andere bewijsmiddelen en het geschil op die advertenties kan worden afgedaan, zoals hierna zal blijken.

7.

Dat [eiser] nagenoeg geen Nederlands zou spreken, maar wel stellig heeft verklaard te hebben begrepen dat de jaarlijkse omzet € 310.000,- per jaar bedroeg, is tegen voormelde achtergrond evenmin een reden om zijn verklaring buiten beschouwing te laten. Daar komt bij dat voor [eiser] geldt dat zijn verklaring omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (artikel 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat bewijs is geleverd, zoals nu zal worden toegelicht.

Verkoopadvertenties

8.

[eiser] heeft onder meer aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat in een advertentie uitdrukkelijk was vermeld dat de onderneming een omzet zou generen van € 310.000,- per jaar (hierna ook: een omzet van € 310.000,-). [eiser] heeft verklaard dat de verkoopadvertentie op internet, bedoeld op pagina D van productie 7 waarop een omzet van € 310.000,- staat vermeld, een doorklikmogelijkheid had op de tab ‘Kenmerken’, die naar pagina E van productie 7 leidde. Uit deze pagina’s tezamen maakt de kantonrechter op dat ook de advertentie van 12 maart 2011, genoemd in r.o. 3.2 van het tussenvonnis, een omzet van € 310.000,- vermeldde. [eiser] heeft voorts onder meer verklaard: ‘De advertentie van 12 maart was de eerdere advertentie die ik bedoel. Daarvoor was er nog andere reclame, maar toen ik de foto’s nam was die al vervangen door deze reclame. In die eerdere reclame stond ook heel duidelijk die 310.000 euro vermeld.’ De verklaring van [partner eiser] bevestigt de verklaring van [eiser] dat ook in de eerdere verkoopadvertentie een omzet van € 310.000,- werd genoemd. Zij heeft verklaard: ‘Wij hebben het bedrag van € 310.000,- op de computer gelezen. (…) Dat was 2 jaren geleden in februari. De advertentie zag er ongeveer als volgt uit. Deze bevatte een foto met wat tekst met daar onder meer ook op vermeld: omzet € 310.000,- en de verkoopprijs.’ De verklaring van [eiser], die erop neerkomt dat in alle verkoopadvertenties steeds expliciet melding is gemaakt van een jaaromzet van € 310.000,- vindt bovendien steun in een e-mail van 18 juni 2011 van [naam] aan [partner eiser] (de kantonrechter begrijpt [partner eiser]; productie 5 bij de dagvaarding), waarin [naam] eveneens over een omzet van € 310.000,- schrijft.

9.

De kantonrechter deelt niet de opvatting van [gedaagden gezamenlijk] dat de verkoopadvertenties niet kunnen bijdragen aan het bewijs omdat de authenticiteit van de verkoopadvertenties in twijfel moet worden getrokken of omdat de tekst ervan niet strookt met de werkelijkheid van dat moment. De kantonrechter ziet evenmin aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [eiser] en [partner eiser] op dit punt te twijfelen. Dat wordt als volgt toegelicht. De verklaringen van [gedaagden gezamenlijk] komen erop neer dat zij de verkoopadvertenties niet hebben gezien en meestal telefonisch contact met [naam] hebben gehad over de verkoop. De omstandigheid dat [gedaagden gezamenlijk] niet naar de verkoopadvertentie hebben omgekeken komt voor hun rekening en risico. Het had bovendien op de weg van [gedaagden gezamenlijk] gelegen om in dit geding concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat de verkoopadvertenties die [naam] voorafgaande aan de koop op internet heeft geplaatst een andere (lagere) omzet vermeldden. Nu zij dat hebben nagelaten, wordt als vaststaand beschouwd dat [naam] - via een verkoopadvertentie op internet - voorafgaand aan de koop aan [eiser] heeft meegedeeld dat de jaaromzet van het eetcafé € 310.000,- bedroeg. Deze verkoopadvertentie kan in dit geval worden aangemerkt als een inlichting van de wederpartij, bedoeld in artikel 6:228 Burgerlijk Wetboek (BW), ook al is deze afkomstig van [naam] (zie r.o. 2). Daarmee heeft [eiser] het vereiste bewijs geleverd. Hierbij wordt ter verduidelijking opgemerkt dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is geweest van bedrog zoals bedoeld in artikel 3:44 lid 1 BW.

Verdere beoordeling

10.

Voor zover in de stellingen van [gedaagden gezamenlijk] besloten ligt dat [eiser] ten tijde van het ondertekenen van de koopovereenkomst(en) niet mocht uitgaan van de juistheid van de mededeling van [naam] in de verkoopadvertentie dat de omzet van het eetcafé € 310.000,- bedroeg, volgt de kantonrechter [gedaagden gezamenlijk] daarin niet. Dat wordt als volgt toegelicht.

11.

In het tussenvonnis is geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat en wanneer [naam] de jaarstukken aan [eiser] heeft gegeven. [gedaagde 1] heeft verklaard dat [naam] de jaarstukken bij zich had op 22 februari 2011. Zij heeft echter ook verklaard dat [eiser] de jaarstukken toen niet heeft meegekregen, maar slechts heeft ingezien. De mededeling van [naam] in de verkoopadvertentie dat de omzet van het eetcafé € 310.000,- bedroeg betreft een duidelijk gespecificeerde en concrete mededeling afkomstig van een verkopend makelaar. [eiser] mocht afgaan op de juistheid daarvan. [naam] respectievelijk [gedaagden gezamenlijk] hadden tegen die achtergrond expliciet moeten maken tegenover [eiser] dat de jaaromzet een andere was dan in de advertentie stond vermeld en zij hadden zich ervan moeten vergewissen dat [eiser] dat begreep. Het enkel (kortstondig) inzage geven in de jaarstukken volstaat dan niet.

12.

De stelling van [gedaagden gezamenlijk] dat de geaccepteerde koopprijs van € 150.000,- niet past bij een omzet van € 310.000,- per jaar kan niet tot afwijzing van de vordering van [eiser] leiden, reeds omdat niet gebleken is dat partijen hebben onderhandeld over de rekenmethodiek op basis waarvan de koopprijs tot stand is gekomen.

13.

De verklaring van [gedaagde 1] dat tussen [naam] en [partner eiser] is gesproken over een bedrag van € 120.000,- á € 130.000,- is niet overtuigend en wordt op die grond gepasseerd, nu zij dit heeft verklaard nadat zij daarvoor had verklaard: ‘De makelaar had alle papieren, jaarstukken, huurcontracten, etc., bij zich. (…) De familie [eiser] heeft toen gelijk daar het contract getekend. (…) Er is niet naar de omzet gevraagd. Alles was duidelijk voor hen op papier gezet.’

14.

Ook de enkele omstandigheid dat [eiser] en [partner eiser] een aantal dagen hebben meegedraaid in het eetcafé rondom het moment van totstandkoming van de koopovereenkomsten kan niet tot het oordeel leiden dat de dwaling voor rekening van [eiser] moet blijven. [gedaagden gezamenlijk] hebben immers verklaard dat tijdens het meedraaien van [eiser] en [partner eiser] in het eetcafé niet over de jaaromzet is gesproken. Dat [eiser] twee koopovereenkomsten heeft getekend, met een tussenpoos van enkele weken, kan hem onder deze omstandigheden evenmin worden tegengeworpen.

15.

Tot slot leidt ook niet tot een ander oordeel dat [eiser] [gedaagden gezamenlijk] pas (schriftelijk) aansprakelijk heeft gesteld per brief van 6 september 2011. [gedaagden gezamenlijk] hebben [eiser] bovendien zelf ook pas in september 2011 (schriftelijk) aangemaand de koopovereenkomst na te komen.

Een overeenkomst die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten

16.

Dat [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gecontracteerd, is als onbetwist komen vast te staan. Die slotsom strookt ook met de gang van zaken. Kort nadat de tweede koopovereenkomst was gesloten, heeft [eiser] immers duidelijk gemaakt tegenover [naam] dat hij van de overeenkomst wilde afzien, zoals blijkt uit een e-mail van 25 maart 2011 van [naam] aan [eiser]. In deze e-mail staat, voor zover van belang: ‘(…) Zodra [cafetaria] is verkocht zal in onmiddellijk het resterende bedrag naar u overmaken. Wij wensen niet verder lastig te worden gevallen door u en uw vrouw, zodra u de zaak binnen komt en weer ruzie begint te maken, wordt u door de politie verwijderd, ik heb de politie inmiddels ingelicht… (…)’. [partner eiser] heeft naar aanleiding van deze e-mail verklaard: ‘Wij wilden niet meer kopen (…) omdat er geen omzet werd gedraaid zoals hij (de kantonrechter begrijpt [naam]) beweerde. Wij wilden ons geld terug.’ [gedaagde 1] heeft de ontvangst van deze mededeling bevestigd, nu zij over deze e-mail onder meer heeft verklaard: ‘Oh ja, nu weet ik weer waarover dit gaat. (…) Wij zouden hebben gelogen omdat de zaak niet zo draait als op de advertentie stond. Ik wil hier nog aan toevoegen dat de brief gaat over wat er is gebeurd na het sluiten van het tweede contract. (…) Toen eiste zij haar geld terug, maar daarin konden wij niet meegaan.’

Slotsom in conventie

17.

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep op dwaling slaagt. De vordering tot het terugbetalen van het aanbetaalde bedrag van € 15.000,- wordt derhalve toegewezen op grond van artikel 6:203 BW.

18.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente wordt als volgt overwogen. De rente is verschuldigd vanaf het moment dat [gedaagden gezamenlijk] in verzuim zijn gekomen aan de terugbetalingsverplichting te voldoen. Namens [eiser] is per brief van 6 september 2011 de aanbetaling (schriftelijk) teruggevorderd. De wettelijke handelsrente wordt met ingang van 12 september 2011, de dag na de in deze brief genoemde termijn van vijf dagen, toegewezen.

Slotsom in reconventie

19.

Nu [eiser] is geslaagd in zijn bewijsopdracht en de vordering in conventie wordt toegewezen, wordt de vordering in reconventie afgewezen.

Proceskosten

20.

Bij de uitkomst van de procedure in conventie worden [gedaagden gezamenlijk] als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser]. Hieronder zijn de kosten van de twee enquêtes begrepen, evenals de kosten van de conclusie na enquête.

21.

Aangezien de vordering in reconventie jegens [eiser] wordt afgewezen, worden [gedaagden gezamenlijk] in reconventie in de proceskosten van [eiser] veroordeeld. In de omstandigheid dat de kosten van de twee enquêtes en de conclusie na enquête reeds in conventie zijn meegenomen, ziet de kantonrechter aanleiding deze in reconventie buiten beschouwing te laten.

De kantonrechter:

in conventie

vernietigt de overeenkomst tot koop en verkoop van het eetcafé;

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van:

- € 15.000,- aan hoofdsom;

- de wettelijke handelsrente over € 15.000,- vanaf 12 september 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:
griffierecht € 437,00
explootkosten € 90,64

taxe getuigen € 31,00
salaris gemachtigde € 1.200,00 (4 punten van € 300,-)

totaal € 1.758,64
inclusief eventueel verschuldigde btw;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

salaris gemachtigde € 150,00 (0,5 x 1 punt van € 300,-)
totaal € 150,00
inclusief eventueel verschuldigde btw.

Aldus gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter