Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8515

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
13-737989-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Overlevering naar Polen deels geweigerd in verband met te lage maximumstraffen in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/737989-13

RK nummer: 13/6692

Datum uitspraak: 10 december 2013

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 oktober 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 4 september 2013 door the Judge of the District Court in Opole (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [1984],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [A],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 november 2013. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M. Bijleveld, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege haar volle agenda niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen:

I. vonnis van 1 december 2006 van the District Court in Nysa, met kenmerk VI K 1288/06;

II. vonnis van 16 februari 2009 van the District Court in Nysa, met kenmerk II K 69/08.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en twee maanden voor vonnis I en twee jaar en drie maanden voor vonnis II. Hiervan resteert volgens het EAB nog een straf van 1 maand en 18 dagen ten aanzien van vonnis I en een straf van 1 jaar en 1 maand ten aanzien van vonnis II.

De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 15 november 2013. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën hiervan zijn als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Ten aanzien van vonnis I van 1 december 2006 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Dit volgt uit het EAB en uit de verklaringen van de opgeëiste persoon.

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat ten aanzien van dit vonnis niet duidelijk is of de opgeëiste persoon op de juiste wijze op de hoogte is gesteld van de datum en tijdstip van de behandeling ter terechtzitting, ondanks de informatie uit het EAB. Er is aldus sprake van een verstekvonnis zonder dat een garantie is gegeven conform artikel 12 sub d OLW, zodat de overlevering moet worden geweigerd. Subsidiair verzoekt de raadsman om aanhouding van de zaak zodat hierover nadere vragen kunnen worden gesteld aan de Poolse autoriteiten.

Met de raadsman en de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit bij onderdeel d) van het EAB, het zogenaamde kruisjesformulier, optie a heeft aangekruist. Daarin is vermeld dat de opgeëiste persoon persoonlijk is gedagvaard op 24 november 2006 en is geïnformeerd over de tijd en plaats van de behandeling ter terechtzitting. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat hieruit volgt dat sprake is van de situatie zoals beschreven in artikel 12 sub a (eerste deel) OLW. Een garantie conform artikel 12 sub d OLW is aldus niet vereist. Het verweer wordt verworpen.

4 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de overlevering voor de volgende feiten moet worden geweigerd, nu van deze feiten niet kan worden vastgesteld dat hierop in Nederland een maximumstraf van ten minste twaalf maanden is gesteld:

  • -

    feit 3 (nummering volgens EAB): he cultivated cannabis (…) in the form of 5 cuttings;

  • -

    feit 4: he possessed psychoactive substances in the form of psilocybin (magic mushrooms) in the amount of 2,25 grams and marijuana;

  • -

    feit 5: he sold (…) marijuana, 26 portions from September to December 2003.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, ondanks het feit dat de precieze hoeveelheden van de cannabis bij de feiten 3, 4 en 5 ontbreekt, de overlevering moet worden toegestaan nu het kennelijk gaat om een kleine hennepplantage waarbij ook paddo’s zijn gevonden, terwijl feit 5 duidelijk laat zien dat de opgeëiste persoon frequent heeft gedeald. Deze feiten moeten in samenhang met elkaar worden bezien, zodat op die manier voor alle feiten de strafmaat voldoet aan artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW.

De rechtbank is van oordeel dat in het EAB verschillende, aparte, feiten zijn beschreven. Voor elk van die feiten moet worden voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen. Ten aanzien van de volgende feiten is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat de overlevering moet worden geweigerd, nu van deze feiten niet kan worden vastgesteld dat hierop in Nederland een maximumstraf van ten minste twaalf maanden is gesteld:

  • -

    feit 3 (nummering volgens EAB): he cultivated cannabis (…) in the form of 5 cuttings; niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een hoeveelheid cannabis van meer dan 30 gram;

  • -

    feit 4: he possessed psychoactive substances in the form of psilocybin (magic mushrooms) in the amount of 2,25 grams and marijuana; het bezit van magic mushrooms heeft betrekking op een geringe hoeveelheid, kennelijk bestemd voor eigen gebruik. De hoeveelheid marihuana is onbekend gebleven, ook nadat hierover nadere vragen zijn gesteld door het Internationaal Rechtshulp Centrum. Aldus kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van een hoeveelheid marihuana van meer dan 30 gram.

Feit 5, de verkoop van 26 porties marihuana in een periode van drie maanden, kwalificeert de rechtbank als dusdanig stelselmatige verkoop van marihuana dat artikel 11, derde lid van de Opiumwet hierop van toepassing is. Ondanks het feit dat de precieze hoeveelheden niet duidelijk zijn geworden, staat op dit feit naar Nederlands recht aldus een straf van maximaal zes jaren. Het verweer ten aanzien van dit feit wordt verworpen.

Voor de feiten 3 en 4 dient de overlevering aldus te worden geweigerd.

De rechtbank stelt vast dat de feiten 1, 2 en 5 zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

5 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 is gebleken dat niet is voldaan aan de vereisten van de Overleveringswet, wordt de overlevering voor deze feiten geweigerd.

Voor de overige feiten (feit 1, 2 en 5) wordt de overlevering toegestaan.

De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Judge of the District Court in Opole (Polen) ten aanzien van feit 3 (he cultivated cannabis (…) in the form of 5 cuttings) en feit 4 (he possessed psychoactive substances in the form of psilocybin (magic mushrooms) in the amount of 2,25 grams and marijuana).

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Judge of the District Court in Opole (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten 1, 2 en 5.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. S. Ju en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 december 2013.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.