Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8221

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
AMS 12-5921
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve wijziging inschrijving in GBA in ‘vertrokken naar onbekend’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/5921

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2013 in de zaak tussen

[naam], te[woonplaats], eiser

gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

gemachtigde:[naam 1].

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de inschrijving van eiser in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) met ingang van 18 mei 2012 ambtshalve gewijzigd in: ‘vertrokken naar onbekend’.

Bij besluit, verzonden op 17 oktober 2012 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2013.

Eiser is vertegenwoordigd door mr. R. Veerkamp, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Bij brief van 4 oktober 2013 heeft verweerder de gevraagde informatie verstrekt en zijn standpunt nader gemotiveerd. Bij brief van 28 oktober 2013 heeft eiser hierop gereageerd. Nadat partijen toestemming hebben verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Wettelijke bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder:

[…]
woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont […];

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten;

1.2.

Bij de toepassing van de Wet GBA hanteert het college de Handleiding Uitvoeringsprocedures. Procedure 6.3 ‘Wijziging in de verblijfplaats bij adres onbekend’ luidt, voor zover thans van belang:

1.

Een persoon is in de GBA ingeschreven met een bepaald adres en vertrekt daarna zonder een nieuw adres op te geven.

Alvorens een actualisering uit te voeren, dient eerst een gedegen onderzoek te zijn ingesteld naar het feitelijke adres van de betrokkene.

De uitkomst van dit onderzoek kan zijn:

[…];

E.

persoon is vertrokken met onbekende bestemming (VOW).

[…]

Ad E.

Adres en gemeente van inschrijving kunnen niet worden bepaald.

Er wordt vastgesteld dat de verblijfplaats van de burger onbekend is. In een aantal gevallen bestaat de verwachting dat de burger geen ingezetene meer is van een Nederlandse gemeente. De burger is volkomen onbereikbaar.

2.1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.2.

Eiser stond tot 18 mei 2012 ingeschreven in de GBA op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: het woonadres van eiser).

2.3.

Uit de door verweerder bij brief van 4 oktober 2013 overgelegde stukken en de overige dossierstukken, alsmede het verhandelde ter zitting blijkt dat op 2 februari 2012 bij het stadsdeel[naam 2] van de gemeente [woonplaats] door de heer[betrokkene] en de heer[betrokkene 1] aangifte is gedaan van verhuizing naar het woonadres van eiser. Omdat er op dat moment twaalf personen staan ingeschreven op het woonadres van eiser, een vijfkamerwoning, valt de beschreven situatie onder het risicoprofiel ‘overbewoning’ en is door genoemd stadsdeel op 3 februari 2012 een melding gestuurd naar de afdeling handhaving van de gemeente Amsterdam, dienst persoons- en geo-informatie, thans de dienst basisinformatie.

2.4.

De buitendienst van de afdeling handhaving van de gemeente Amsterdam, dienst basisinformatie, heeft vervolgens huisbezoeken afgelegd op het woonadres van eiser op 9 februari 2012, 23 februari 2012, 15 maart 2012, 11 april 2012 en 25 april 2012. Alleen bij het huisbezoek van 11 april 2012 zijn bewoners aangetroffen, aldus verweerder. Uit het gesprek dat de handhavingsmedewerkers met de bewoners hebben gevoerd bleek dat meerdere personen, waaronder eiser, niet op het adres woonden, aldus verweerder.

2.5.

Vervolgens heeft verweerder op 12 april 2012 een brief verstuurd naar het woonadres van eiser. In die brief staat vermeldt dat verweerder een adresonderzoek is gestart en is eiser gevraagd om binnen vier weken bepaalde stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk woont op het adres[adres] te[woonplaats], of om door te geven dat hij is verhuisd. Omdat eiser hierop niet heeft gereageerd is dezelfde brief op 18 mei 2012 nogmaals naar het woonadres van eiser verstuurd. Eiser heeft ook op deze brief niet gereageerd. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen en de inschrijving van eiser ambtshalve gewijzigd in: ‘vertrokken naar onbekend’.

2.6.

Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat hij steeds op het woonadres heeft gewoond. Het verrichtte onderzoek is te mager geweest om te kunnen concluderen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Uit de bevindingen van het huisbezoek kan die conclusie niet getrokken worden. Verder heeft eiser verklaard dat hij niet op de brieven van 12 april 2012 en 18 mei 2012 heeft gereageerd omdat hij in die periode wegens familiebezoek in België verbleef.

2.7.

De rechtbank stelt voorop dat het doel van de Wet GBA is dat de in de GBA vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de GBA gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd.

2.8.

Procedure 6.3 van de Handleiding Uitvoeringsprocedures schrijft voor dat in de situatie dat een persoon in de GBA is ingeschreven op een bepaald adres en vervolgens vertrekt zonder een nieuw adres op te geven, een gedegen onderzoek moet worden ingesteld naar het feitelijke adres van de betrokkene. Op grond van de aangifte van de heren [betrokkene] en[betrokkene 1] bestond bij verweerder het vermoeden dat meerdere personen op het woonadres van eiser stonden ingeschreven die daar feitelijk niet woonden. De rechtbank stelt vast dat het daarop door verweerder ingestelde adresonderzoek heeft bestaan uit een huisbezoek op 11 april 2012 en het sturen van twee brieven naar het woonadres van eiser. Over de gang van zaken tijdens het huisbezoek is geen andere concrete informatie beschikbaar dan een e-mailwisseling van 19 juli 2012 tussen de medewerker die het bezwaarschrift diende te beoordelen en een buitendienstmedewerker van verweerder, waarin de eerste vraagt om het verslag van het huisbezoek. Het antwoord daarop van de buitendienstmedewerker luidt als volgt:

‘(…), zie hieronder het verslag in het kort.

Mvg,

Gesproken met mevr. [betrokkene 2] zij verklaart aan ons een kamer te huren samen waarin zij samen met haar kinderen slaapt, de andere kamers zijn ook verhuurd door de eigenaar van de woning, Verder hebben wij een heer aangetroffen die ook de andere kamer samen met zijn broer huurt. De rest woont er niet volgens de bewoners die wij hebben aangetroffen. De rest zullen wij in onderzoek nemen.’

2.9.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat dit verslag onduidelijkheden bevat. Zo blijkt daaruit niet wanneer het is opgemaakt. Evenmin is duidelijk of het is gekopieerd uit een ander document. In de e-mail wordt gesproken van het verslag in het kort, hetgeen suggereert dat er meer is dan deze tekst. De ambtenaren die het huisbezoek op 11 april 2012 hebben afgelegd hebben blijkens het verslag twee personen gesproken, waarvan de personalia van één van deze personen in het verslag niet worden genoemd. Niet gebleken is voorts dat de ambtenaren die het huisbezoek hebben verricht de personen die zij hebben aangetroffen de namen hebben getoond van de personen die op dat moment op het woonadres van eiser stonden ingeschreven in de GBA. Ook anderszins blijkt uit het verslag niet in voldoende mate wie worden bedoeld met ‘de rest’ en aldus evenmin of eiser daaronder begrepen moet worden. Evenmin blijkt uit het verslag waarop de verklaringen van de twee aangetroffen personen dat ‘de rest’ er niet woont zijn gebaseerd.

2.10.

Ten aanzien van de twee door verweerder verzonden brieven van 12 april en 18 mei 2012 is de rechtbank van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat eiser, zoals hij heeft gesteld, daarop niet gereageerd heeft omdat hij in die periode in België heeft verbleven in verband met familiebezoek. De brieven zijn immers binnen een relatief kort tijdsbestek gestuurd. De rechtbank hecht tevens belang aan het feit dat eiser tijdig in persoon bezwaar gemaakt heeft tegen het primaire besluit van 28 juni 2012, welk besluit is verstuurd naar het woonadres van eiser. Voorts heeft eiser bij zijn bezwaarschrift een aantal poststukken overgelegd die zijn geadresseerd aan zijn woonadres. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat sprake is van de situatie dat eiser volkomen onbereikbaar was, als bedoeld in procedure 6.3, onder E, van de Handleiding Uitvoeringsprocedures.

2.11.

De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar het feitelijke woonadres van eiser. Dat betekent dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende grond bestond om de inschrijving ambtshalve te wijzigen in: ‘vertrokken naar onbekend’. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

2.12.

De rechtbank is verder van oordeel dat de gebreken in het onderzoek niet meer kunnen worden hersteld. In deze situatie zal de rechtbank gebruik maken van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid en zelf in de zaak voorzien door tevens het primaire besluit van 28 juni 2012 te herroepen nu dit besluit dezelfde gebreken kent als het bestreden besluit. Dit betekent dat eiser ononderbroken ingeschreven staat op het adres[adres] te[woonplaats].

2.13.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

2.14.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1)
.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 28 juni 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB