Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8040

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
25-03-2014
Zaaknummer
AWB 10-5115 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering werkloosheidsuitkering op grond van artikel 19 WW. Eiseres is met ZW-uitkering verhuisd naar Duitsland. Arrest Petersen (C-228/07). Woonplaatseis in dit geval niet gerechtvaardigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/5115 WW

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2013 in de zaak tussen

[naam],

wonende te [woonplaats] [land],

eiseres,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde F.G.E. Houtbeckers.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een werkloosheidsuitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.

Bij besluit van 13 september 2010 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2011. Zij heeft de behandeling geschorst in verband met door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gestelde prejudiciële vragen in een andere procedure (verwijzingsuitspraak te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:CRVB:2010:BN7959).

Op 28 juli 2011 heeft verweerder de rechtbank bericht dat de door de CRvB gestelde vragen zijn ingetrokken. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak daarop voortgezet ter zitting van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2012. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het vooronderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken omtrent de aanleiding van intrekking van de prejudiciële vragen.

Bij brief van 27 november 2012 heeft verweerder de gevraagde informatie verstrekt.

Na verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer, heeft de rechtbank de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting van 20 februari 2013. Eiseres is – met bericht – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw heropend teneinde beide partijen in de gelegenheid te stellen een aantal nadere vragen te beantwoorden.

Na ontvangst van de gevraagde inlichtingen en de verlening van toestemming van beide partijen om zonder verdere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de datum van de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1.

feiten en omstandigheden

1.1.

Eiseres heeft in de periode van 21 september 1998 tot augustus 2009 in Nederland gewoond en grotendeels ook gewerkt. Tot en met 31 mei 2008 had zij een dienstverband bij een bedrijf in [plaats].

1.2.

Eiseres heeft zich op 14 februari 2008 ziek gemeld.

1.3.

Na afloop van het dienstverband is aan eiseres een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend, ingaande 1 juni 2008.

1.4.

Gedurende de ZW-periode is eiseres (in augustus 2009) naar [land] verhuisd.

1.5.

Op 6 december 2009 heeft eiseres een aanvraag gedaan om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 5 maart 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres meer dan 35% arbeidsgeschikt is.

Op een later moment is eiseres per 5 juli 2010 100% arbeidsongeschikt geacht en alsnog in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering.

1.6.

Op 26 april 2010 heeft eiseres verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de WW.

2.

standpunten van partijen

2.1.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat eiseres niet in Nederland woont en dat ten aanzien van een werkloosheidsuitkering [land] de bevoegde lidstaat is. Eiseres voldoet evenmin aan de voorwaarden om als grensarbeider te worden aangemerkt en komt ook op grond van bepalingen in de Europese coördinatieverordening, Verordening 1408/71 niet in aanmerking voor een Nederlandse werkloosheidsuitkering.

In zijn beantwoording van de door de rechtbank gestelde vragen heeft verweerder voorts het volgende naar voren gebracht. Als eiseres in de periode in geding in Nederland zou hebben gewoond, zou zij – mits aan de overige voorwaarden voor een WW-uitkering zou zijn voldaan – wel in aanmerking zijn gekomen voor een WW-uitkering. Dat een woonplaatseis wordt gesteld is in dit geval niet in strijd met het vrij verkeer van werknemers. Voorts heeft verweerder meegedeeld dat eiseres op grond van Verordening 1408/71 mogelijk ook niet voor een[land] werkloosheidsuitkering in aanmerking zou komen, naar de rechtbank begrijpt omdat zij niet in [land] werkzaam was.

2.2.

Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking komt voor een WW-uitkering omdat zij slechts 200 meter van de Nederlandse grens woont, de Nederlandse nationaliteit heeft, belasting en premies in Nederland heeft betaald en als werkzoekende staat ingeschreven in Nederland. Voorts heeft eiseres gesteld dat sprake is van willekeur omdat dorpsgenoten wel een uitkering toegekend hebben gekregen.

In de beantwoording van door de rechtbank gestelde vragen heeft eiseres naar voren gebracht dat zij niet (tevens) in [land] een aanvraag voor een werkloosheidsuitkering heeft ingediend. Zij heeft hier onder meer van afgezien omdat zij volgens het UWV in [land] geen rechten had opgebouwd.

3.

wettelijk kader

3.1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

3.2.

Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW:

Geen recht op uitkering heeft de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.

3.3.

Artikel 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU):

Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

3.4.

. Artikel 45, eerste en tweede lid, van het VWEU:

1. Het verkeer van de werknemers binnen de Unie is vrij.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3.5.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b van Verordening 1408/71:

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‘grensarbeider’ verstaan iedere werknemer of zelfstandige die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent op het grondgebied van een Lid-Staat en woont op het grondgebied van een andere Lid-Staat, waarheen hij in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert (…).

3.6.

Artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Verordening 1408/71:

Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17 is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij op grond van een van de in de voorgaande punten genoemde regels (…) aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.

3.7.

Artikel 71 van Verordening 1408/71:

71, lid 1, a-ii: De volledig werkloze grensarbeider heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, alsof die wettelijke regeling tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest; deze uitkering wordt door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend;

71, lid 1, b-i: Een werknemer die geen grensarbeider is en gedeeltelijk of door onvoorziene omstandigheden of volledig werkloos is, doch ter beschikking blijft van zijn werkgever of van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde staat, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die staat, alsof hij op het grondgebied van die staat woonde; deze uitkering wordt door het bevoegde orgaan verleend;

71, lid 1, b-ii: Een werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de lidstaat waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die staat, alsof hij zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied daarvan had uitgeoefend; deze uitkering wordt door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend. (…)

4.

beoordeling

4.1.

Gelet op de verstrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering per 5 juli 2010 is in geschil of eiseres in de periode van 14 februari 2010 tot 5 juli 2010 in aanmerking kwam voor een Nederlandse werkloosheidsuitkering op grond van de WW.

4.2.

Bij de beoordeling hiervan ziet de rechtbank zich allereerst geplaatst voor de ter zitting besproken vraag naar het procesbelang van eiseres. Verweerder heeft ter zitting gewezen op de verdiscontering van WW-rechten in de Wet WIA en het mogelijke gevolg indien eiseres over de periode in geding alsnog in aanmerking gebracht zou worden voor een WW-uitkering. In dat geval zou de toegekende loongerelateerde arbeidsongeschiktheidsuitkering, die een vaste duur kent, wellicht over een te lange periode zijn verstrekt. Dit zou aanleiding kunnen geven tot verrekening.

Hoewel niet kan worden uitgesloten dat dit effect zich in enigerlei mate voordoet, staat niet vast dat eiseres op grond van een gegrondverklaring van dit beroep netto in het geheel geen financieel voordeel zal ontvangen. Onder die omstandigheden is geen plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring wegens het ontbreken van procesbelang.

4.3.

Inhoudelijk overweegt de rechtbank voorts het volgende.

4.4.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn primaire standpunt dat eiseres een zogenoemde ‘postactieve’ werknemer is en als zodanig valt onder de categorie van personen als omschreven in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van de Verordening, met als gevolg dat niet Nederland, maar [land] de bevoegde lidstaat zou zijn.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiseres in de periode van belang haar werkzaamheden (nog) niet definitief had gestaakt. Eiseres ontving in die periode een ZW-uitkering, een uitkering die, anders dan een invaliditeits- of arbeidsongeschiktheidsuitkering, slechts voor een in de tijd beperkte periode van ziekte wordt verstrekt. Tevens wijst de rechtbank in dit verband op artikel 8, eerste lid, onder a, van de ZW, waarin is bepaald dat personen die ziekengeld ontvangen ingevolge de ZW mede als werknemer worden beschouwd.

4.5.

Hieraan kan worden toegevoegd dat een dergelijke uitleg ook wordt bevestigd door de nieuwe Europese coördinatieverordening, Verordening 883/2004. Deze Verordening bepaalt in artikel 11, tweede lid dat personen die een uitkering ontvangen als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst, worden beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. Deze regeling zorgt ervoor dat de fictie wordt gehanteerd dat iemand nog steeds werkt wanneer hij een uitkering ontvangt op grond van eerder verrichte werkzaamheden. Bepaalde (langdurende) uitkeringen zijn van deze gelijkstellingsbepaling uitgezonderd, maar een met ziekengeld te vergelijken uitkering wordt hierbij niet genoemd. Weliswaar is deze Verordening niet van toepassing op de situatie in dit geding, maar waar het betreft een situatie als die van eiseres vormt zij wel een bevestiging van de rechtsontwikkeling die reeds in gang was gezet onder Verordening 1408/71.

4.6.

Ten slotte overweegt de rechtbank in dit verband dat ook Titel III van Verordening 1408/71 geen bepaling bevat die zou dwingen tot de conclusie dat eiseres post-actief is in de zin van het hierboven genoemde artikel in Verordening 1408/71. Dat zelfde geldt overigens voor Verordening 883/2004.

4.7.

Ervan uitgaande dat verweerder bevoegd is, en dat eiseres geldt als werknemer die valt onder de Nederlandse wetgeving, is vervolgens de vraag of verweerder zich terecht op het (subsidiaire) standpunt heeft gesteld dat eiseres op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht heeft op een WW-uitkering. Daartoe is van belang te beoordelen of het in dit artikel besloten liggende woonplaatsvereiste in het licht van het unierecht, meer specifiek de beginselen van vrij verkeer van werknemers en unieburgers, gerechtvaardigd is.

4.8.

De rechtbank overweegt dat op dit punt acht moet worden geslagen op twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof), het arrest in de zaak De Cuyper (te vinden op http://curia.europa.eu onder nummer C-406/04) en het arrest in de zaak Petersen (idem, nummer C-228/07).

4.9.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigering van een WW-uitkering, enkel op de grond dat de aanvrager buiten Nederland woont, naar zijn aard een belemmering is van het vrij verkeer van werknemers. Verweerder is evenwel van mening dat de in de WW neergelegde woonplaatseis gerechtvaardigd is. In dat kader heeft verweerder naar voren gebracht dat de Verordening zelf, afgezien van de artikelen 69 en 71, het stellen van een woonplaatseis toestaat en dat het Hof in het arrest De Cuyper het stellen van de woonplaatseis gerechtvaardigd heeft geacht op grond van de mogelijkheid voor het uitkeringsverstrekkend orgaan om controle uit te voeren op de rechtmatigheid van de uitkering. Verweerder ziet in het geval van eiseres weliswaar geen controle- en toezichtproblemen op het gebied van bemiddeling en beschikbaarheid, maar mogelijk wel met betrekking tot controle op bijvoorbeeld neveninkomsten. Voorts heeft verweerder verwezen naar het arrest Petersen, punt 60, waarin het Hof in de daar voorliggende casus heeft gezegd dat de (werkloosheids)uitkering die bij wijze van voorschot is verstrekt in afwachting van een beslissing over invaliditeit, mag worden beëindigd als blijkt dat er van arbeidsongeschiktheid geen sprake meer is, tenzij artikel 69 van Verordening 1408/71 van toepassing is.

4.10.

De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest De Cuyper de verplichting om in een lidstaat te verblijven waar het orgaan zich bevindt dat de uitkering verschuldigd is, niet strijdig heeft geacht met artikel 21 van het VWEU (oud: 18 EG). Het Hof heeft hierin overwogen dat een verblijfsvoorwaarde die naar nationaal recht wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wettelijke voorwaarden voor de uitkering aan werklozen, voldoet aan het evenredigheidsvereiste.

4.11.

Met verwijzing naar rechtsoverweging 3.3.3 van de hiervoor genoemde verwijzingsuitspraak van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN7959, overweegt de rechtbank dat het Hof in het latere arrest Petersen zijn rechtsoordeel ten opzichte van het arrest De Cuyper echter lijkt te hebben genuanceerd, voor zover een lidstaat geen enkel argument heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de voorwaarde van een woonplaatsvereiste objectief gerechtvaardigd en evenredig is. In dat geval moet artikel 39 EG (thans: artikel 45 VWEU) zo worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat de toekenning van een werkloosheidsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de rechthebbende zijn woonplaats heeft in die lidstaat. Naar aanleiding van de stellingname van verweerder voegt de rechtbank daar nog aan toe, dat het Hof in punt 60 weliswaar alleen artikel 69 van Verordening 1408/71 noemt als toetsingsmaatstaf, maar dat het direct daarna ook toetst aan artikel 39 EG, en concludeert dat het dossier in de voorliggende zaak Petersen geen enkel element bevat dat een objectieve rechtvaardiging zou kunnen bieden voor het woonplaatsvereiste dat gold voor de toekenning van de in die zaak aan de orde zijnde uitkering.

4.12.

De rechtbank stelt vast dat in de zaak van eiseres zich niet de situatie voordoet dat verweerder geen enkel argument heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van het woonplaatsvereiste. Evenmin is sprake van toepasselijkheid van artikel 69 van de Verordening. Dan resteert de vraag of het stellen van het woonplaatsvereiste als objectief gerechtvaardigd en evenredig kan worden beschouwd.

4.13.

In dat kader stelt de rechtbank voorop dat verweerder geen problemen ziet waar het betreft de aan een werkloosheidsuitkering verbonden verplichtingen met betrekking tot bemiddeling en beschikbaarheid. Daarin kan dan ook geen rechtvaardiging zijn gelegen.

4.14.

Wel heeft verweerder gewezen op de noodzaak van controle op met name andere, mogelijke neveninkomsten van eiseres ziet.

4.15.

In dat verband stelt de rechtbank voorop, dat de mogelijkheid van verwerving van neveninkomsten over de grens in een situatie van een inwoner van de grensstreek (al dan niet grensarbeider zijnde) altijd aanwezig is. Dat heeft echter niet in de weg gestaan aan een bijzondere regeling voor werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders, waarbij het systeem is gehandhaafd dat slechts één lidstaat bevoegd is.

De rechtbank voegt daar nog aan toe dat binnen dat systeem voor verweerder ook nog de mogelijkheid bestaat tot contact en informatie-uitwisseling met het [land] zusterorgaan. Dat relativeert het door verweerder geschetste risico eens te meer.

4.16.

Specifiek met betrekking tot de situatie van eiseres ziet de rechtbank het verwerven van (neven-)inkomsten in [land] voor de periode in dit geding van belang ook niet als een reële mogelijkheid. Daartoe wijst de rechtbank er allereerst op dat eiseres in het verleden juist in Nederland, en niet in [land] werkzaam is geweest. De rechtbank wijst verder op de psychische problemen waarmee eiseres reeds ten tijde in dit geding van belang kampte, en de daarop gevolgde toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een volledige arbeidsongeschiktheid. Ook die elementen maken het verrichten van nevenwerkzaamheden in de situatie van eiseres tot weinig meer dan een theoretische mogelijkheid. Dit vindt bevestiging in het feit dat ook niet is gebleken dat eiseres feitelijk werkzaamheden is gaan verrichten.

4.17.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verweerder aangevoerde gronden in dit geval onvoldoende toereikend zijn om de met het woonplaatsvereiste gemaakte inbreuk op het vrij verkeer te rechtvaardigen. Het vasthouden aan het in artikel 19, eerste lid, onder e van de WW neergelegde woonplaatsbeginsel is daarom naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onevenredig.

4.18.

De conclusie op grond van het voorgaande is dat verweerder de aanvraag van eiseres ten onrechte heeft afgewezen op grond van artikel 19, eerste lid, onder e van de WW.

4.19.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 45 van het VWEU.

4.20.

De rechtbank ziet geen mogelijkheid voor een finale beslechting van het geschil nu nadere besluitvorming door verweerder nodig is, waaronder een te verrichten toetsing of aan de overige voorwaarden voor een WW-uitkering is voldaan. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.21.

De rechtbank zal verweerder voorts opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, mrs. J.H.M. van de Ven en M.C. Eggink, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.

de griffier

de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending ervan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB