Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7983

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
HA ZA 13-97
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident 843a Rv; Een rechtspersoon dient te kunnen beschikken over de door haar bestuurders of commissarissen in de uitoefening van hun functie met betrekking tot de onderneming van de rechtspersoon gevoerde correspondentie; E-mails voldoende concreet omschreven om te worden aangemerkt als bepaald in de zin van 843a Rv; Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2013-0424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/534453 / HA ZA 13-97

Vonnis in incident van 30 oktober 2013

in de zaak van

de naamloze vennootschap

FAIRSTAR HEAVY TRANSPORT N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het e-mailincident,

advocaat mr. P.D. Olden te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats], [land],

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het e-mailincident,

advocaat mr. F.M. Peters te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

CADENZA MANAGEMENT LIMITED,

gevestigd te St.Helier, Jersey, Channel Islands,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het e-mailincident,

advocaat mr. F.M. Peters te Amsterdam,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. F.M. Peters te Amsterdam,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats], gemeente [plaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het e-mailincident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats], [land],

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het e-mailincident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

6. [gedaagde 6],

wonende te [woonplaats], gemeente [plaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Eiseres zal hierna (wederom) Fairstar worden genoemd, verweerders in het e-mailincident zullen [gedaagde 1], Cadenza, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 10 juli 2013,

  • -

    de conclusie van antwoord in het e-mailincident, met producties, zijdens [gedaagde 1] en Cadenza,

  • -

    de conclusie van antwoord in het e-mailincident, met producties, zijdens [gedaagde 4] en [gedaagde 5].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het e-mailincident

2.1.

Fairstar vordert in dit incident, op straffe van verbeurte van een dwangsom

bij wijze van provisionele vordering op de voet van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de duur van dit geding,

althans op de voet van artikel 843a of artikel 843 b Rv,

[gedaagde 1], Cadenza, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] te veroordelen om binnen vijf werkdagen;

  • -

    de e-mails die zij te hunner beschikking of onder hun berusting hebben en/of

  • -

    die krachtens het verlof van de Voorzieningenrechter te Amsterdam van 24 augustus 2012 zijn beslagen en in gerechtelijke bewaring zijn genomen,

aan Fairstar af te geven,

althans om daarvan een afschrift te verstrekken,

althans om de e-mails af te geven of afschrift daarvan te verstrekken aan door de rechtbank aan te wijzen deskundige of deskundigen die alsdan na een door hem of hen te maken selectie de e-mails of een selectie daarvan, al dan niet in afschrift, aan Fairstar zal of zullen afgeven.

2.2.

Fairstar heeft in haar dagvaarding de e-mails waarvan zij in dit incident afgifte of afschrift vordert omschreven als:

alle e-mails met de daaraan gehechte bijlagen , ongeacht de wijze waarop deze e-mails beschikbaar zijn in hetzij elektronische vorm of in hard-copy, op welke gegevensdrager dan ook en al dan niet geconverteerd naar (andere) bestandstypen, die

A. oorspronkelijk zijn ontvangen door elk van [gedaagde 1], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] op hun respectievelijke “[(...)]” domein en die zijn doorgestuurd en ontvangen op hun respectievelijke privédomein ([prive domein]) en

B. zijn verstuurd of ontvangen door elk van [gedaagde 1], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] op en van hun respectievelijke privédomein ([prive domein]),


mits en uitsluitend voor zover die e-mails door [gedaagde 1], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn verstuurd of ontvangen terwijl zij in functie waren als bestuurder, respectievelijk commissaris van Fairstar en betrekking hebben op Fairstar en de door haar gedreven onderneming.

2.3.

In het vonnis in incident van 10 juli 2013 heeft deze rechtbank, voor zover hier van belang, verklaard onbevoegd te zijn om kennis te nemen van de op artikel 223 Rv gestoelde vordering jegens [gedaagde 1]. Ook overigens geldt dat de vordering voor zover gestoeld op artikel 223 Rv niet toewijsbaar is. Ingevolge het bepaalde in artikel 223 Rv kan de rechter desgevorderd voor de duur van het geding een voorlopige voorziening treffen. Uitgangspunt is daarbij dat, nu de voorziening slechts kan worden gegeven voor de duur van het geding, deze haar werking verliest zodra in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Om die reden kan op de voet van artikel 223 Rv slechts een voorziening worden gegeven die na beëindiging van het geding ook weer ongedaan kan worden gemaakt. De incidentele vordering tot afschrift of afgifte van de e-mails strekt ertoe om Fairstar in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de inhoud van die e-mails. Kennisname van de inhoud van de e-mails door Fairstar kan echter naar zijn aard niet meer ongedaan gemaakt worden. Dit brengt mee dat de vordering op de voet van artikel 223 Rv niet toewijsbaar is.

2.4.

Vervolgens is aan de orde of de incidentele vordering toewijsbaar is op grond van de artikelen 843a en/of 843b Rv.

Grondslag artikel 843a Rv

2.5.

De vordering tot afgifte van of inzage in bescheiden en documenten is slechts toewijsbaar wanneer is voldaan aan de vereisten als opgesomd in het eerste lid van genoemd artikel, te weten dat Fairstar een rechtmatig belang heeft bij de afgifte van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij Fairstar partij is.

2.5.1.

[gedaagde 4] en [gedaagde 5] waren tot 28 augustus 2012 lid van de raad van commissarissen van Fairstar. [gedaagde 1] was tot 16 juli 2012 bestuurder van Fairstar. Cadenza is een door [gedaagde 1] gecontroleerde vennootschap. Tussen Cadenza en Fairstar bestond een ‘services agreement’ op basis waarvan Fairstar in ruil voor de door [gedaagde 1] verrichte bestuurderswerkzaamheden aan Cadenza een management fee, bonussen en onkostenvergoeding betaalde.

2.5.2.

De gevorderde e-mails zijn blijkens de door Fairstar gegeven omschrijving door [gedaagde 1], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] verstuurd of ontvangen, terwijl zij in functie waren als bestuurder, respectievelijk commissaris van Fairstar en hebben betrekking hebben op Fairstar en de door haar gedreven onderneming. Daarmee is gegeven dat de gevorderde e-mails zien op een rechtsbetrekking waarbij Fairstar partij is. Dat Cadenza, [gedaagde 1], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] kunnen beschikken over dergelijke e-mails is niet in geschil.

2.5.3.

Uit de tussen Fairstar enerzijds en [gedaagde 1], respectievelijk [gedaagde 4] en [gedaagde 5] anderzijds bestaande rechtsbetrekkingen volgt ook dat Fairstar een rechtmatig belang heeft bij afgifte van de e-mails. Een rechtspersoon dient immers te kunnen beschikken over de door haar bestuurders of commissarissen in de uitoefening van hun functie met betrekking tot de onderneming van de rechtspersoon gevoerde correspondentie. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat alle naar of via het domein [(...)] verzonden e-mails in beginsel betrekking hebben op Fairstar en de aan haar verbonden onderneming en dat het, indien dat niet het geval mocht zijn, aan [gedaagde 1], Cadenza, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] is om aan te geven dat en waarom bepaalde specifieke e-mails desondanks uitsluitend privé- aangelegenheden betreffen, zodat Fairstar bij inzage of afschrift daarvan geen rechtmatig belang heeft.

2.5.4.

Anders dan [gedaagde 1], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hebben aangevoerd, zijn de onder 2.2.A omschreven e-mails voldoende bepaald. Allereerst gaat het uitsluitend om e-mails die zijn verzonden of ontvangen in de periode dat [gedaagde 1], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] bestuurder respectievelijk commissaris waren van Fairstar. Verder is de vordering beperkt tot e-mails die aan [gedaagde 1], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn verzonden naar of via het domein [(...)] en die zijn doorgestuurd aan de specifiek genoemde (privé) e-mailadressen [prive domein]

Daarmee zijn de e-mails waarvan onder 2.2.A afschrift wordt gevorderd voldoende concreet omschreven om te worden aangemerkt als bepaald in de zin van artikel 843a Rv (vergelijk HR 26 oktober 2012, LJN BW9244). Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor alle onder 2.2.B omschreven e-mails, mits en voor zover die zijn ontvangen of verstuurd in reactie op of in samenhang met een van de onder 2.2.A omschreven e-mails en aldus deel uitmaken van één e-mail correspondentie waarvan in ieder geval één van de gewisselde e-mails is ontvangen via het domein [(...)] en doorgestuurd aan de specifiek genoemde (privé) e-mailadressen of een van de gewisselde e-mails is verzonden via het domein [(...)].

2.6.

Met [gedaagde 1], Cadenza, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] is de rechtbank van oordeel dat zij ingevolge het derde en vierde lid van artikel 843a Rv niet gehouden kunnen worden afschrift te verstrekken van de met hun advoca(a)t(en) of notaris(sen) gevoerde correspondentie. Dit geldt evenwel niet voor de door hen uit hoofde van hun functie met de advoca(a)t(en) of notaris(sen) van Fairstar gevoerde correspondentie. De toe te wijzen vordering zal in zoverre beperkt worden.

2.7.

Voor de overige onder 2.2.B bedoelde e-mails geldt dat met de enkele door Fairstar gegeven (algemene) omschrijving van de inhoud van die e-mails onvoldoende concreet wordt aangewezen om welke van en naar de (privé) e-mailadressen gestuurde e-mails het gaat, zodat de vordering in zoverre onvoldoende bepaald is in de zin van artikel 843a Rv en om die reden zal worden afgewezen.

2.8.

Gelet op het bovenstaande behoeft de op artikel 843b Rv gestoelde vordering - die beperkt is tot de via [(...)] verstuurde e-mails - geen nadere bespreking.

2.9.

Onder [gedaagde 4] en [gedaagde 5] is bewijsbeslag gelegd op hun privé-computersystemen en deze bevinden zich onder de deurwaarder. Dat [gedaagde 4] en [gedaagde 5] daarnaast nog kunnen beschikken over andere e-mails die overeenkomstig het voorgaande voor afgifte in aanmerking komen, is onvoldoende gesteld of gebleken. De toewijzing van de incidentele vordering jegens hen zal daarom worden beperkt tot het verstrekken van afschrift van de e-mails op de computerbestanden die onder het bewijsbeslag vallen en die zich dus onder de deurwaarder bevinden. Jegens [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zal ook geen dwangsom worden opgelegd, nu Fairstar met behulp van de deurwaarder zelf zal kunnen bewerkstelligen dat aan de na te noemen veroordeling wordt voldaan.

2.10.

In het geval van [gedaagde 1] en Cadenza zijn (nog) geen computerbestanden in beslag genomen. [gedaagde 1] en Cadenza zullen derhalve zelf uitvoering moeten geven aan na te noemen veroordeling. Aangezien [gedaagde 1] en Cadenza wel voldoende tijd moeten hebben om dit zorgvuldig te kunnen doen, zal hen, anders dan gevorderd, een termijn van 30 dagen worden gegeven. De gevorderde dwangsom zal ten aanzien van [gedaagde 1] en Cadenza worden beperkt en gemaximeerd als na te noemen.

2.11.

Ten aanzien van de wijze waarop inzage in of afschrift van de e-mails moet worden verstrekt, hebben partijen verzocht een derde aan te wijzen om op basis van de hiervoor genoemde criteria een selectie te maken. Om praktische redenen zal de rechtbank de deurwaarder aanwijzen die ook de onder [gedaagde 4] en [gedaagde 5] in beslag genomen computerbestanden onder zich heeft (hierna: de Deurwaarder). De rechtbank zal bepalen dat ook [gedaagde 1] en Cadenza (een) gegevensdrager(s) met een digitale kopie van de e-mails aan de deurwaarder ter beschikking zullen moeten stellen, waarna de Deurwaarder op basis van de door de rechtbank vastgestelde criteria een selectie zal kunnen maken van de aan Fairstar te verstrekken e-mails.

2.12.

De rechtbank is van oordeel dat Fairstar voldoende (processueel) belang heeft bij de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad zodat deze zal worden toegewezen. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het in afwijking van het wettelijk systeem openstellen van tussentijds hoger beroep.

2.13.

[gedaagde 1], Cadenza, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zullen als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in dit incident, tot op heden vastgesteld op € 904,00 (twee punten tarief € 452,00).

2.14.

Ingevolge artikel 843a lid 1 Rv zullen de eventuele kosten van het verstrekken van (afschrift van) de e-mails als na te noemen voor rekening van Fairstar komen.

3 De beslissing

De rechtbank

in het e-mailincident

3.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en Cadenza om op kosten van Fairstar binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis aan Fairstar een afschrift te verstrekken van alle e-mails met de daaraan gehechte bijlagen, al dan niet geconverteerd naar (andere) bestandstypen, die zij onder hun berusting of ter beschikking hebben en die

A. oorspronkelijk zijn ontvangen door [gedaagde 1] op zijn “[(...)]” domein en die zijn doorgestuurd en ontvangen op zijn (privé)domein [prive domein], en

B. zijn verstuurd of ontvangen door [gedaagde 1] van en op zijn (privé)domein [prive domein], voor zover die zijn ontvangen of verstuurd in reactie op of in samenhang met een van de onder A genoemde e-mails en dus deel uitmaken van één

e-mailcorrespondentie waarvan in ieder geval een van de gewisselde e-mails is ontvangen op of verzonden van of via het domein [(...)],

mits en uitsluitend voor zover die e-mails door [gedaagde 1] zijn verstuurd of ontvangen terwijl hij in functie was als bestuurder van Fairstar,

3.2.

bepaalt dat [gedaagde 1] en Cadenza aan deze veroordeling dienen te voldoen door aan de Deurwaarder (een) gegevensdrager(s) ter beschikking te stellen met een digitale kopie van de onder 3.1 omschreven e-mails met de daaraan gehechte bijlagen,

3.3.

bepaalt dat [gedaagde 1] en Cadenza ieder voor zich een dwangsom verbeuren van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet geheel aan deze veroordeling voldoen, tot een maximum van elk € 500.000,00,

3.4.

veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagde 5] om op kosten van Fairstar, binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis aan Fairstar een afschrift te verstrekken van alle zich onder het bewijsbeslag bevindende e-mails met de daaraan gehechte bijlagen, al dan niet geconverteerd naar (andere) bestandstypen, die

A. oorspronkelijk zijn ontvangen door [gedaagde 4] en [gedaagde 5] op hun “[(...)]” domein en die zijn doorgestuurd en ontvangen op hun (privé)domein, [prive domein], en

B. zijn verstuurd of ontvangen door [gedaagde 4] en [gedaagde 5] van en op hun (privé)domein [prive domein], voor zover die zijn ontvangen of verstuurd in reactie op of in samenhang met een van de onder A genoemde e-mails en dus deel uitmaken van één

e-mailcorrespondentie waarvan in ieder geval een van de gewisselde e-mails is ontvangen of verzonden van of via het domein [(...)],

mits en uitsluitend voor zover die e-mails door [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn verstuurd of ontvangen terwijl zij in functie waren als commissaris van Fairstar,

3.5.

bepaalt dat de Deurwaarder van de van [gedaagde 1] en Cadenza verkregen e-mails en van de voormelde onder [gedaagde 4] en [gedaagde 5] in beslag genomen e-mails in digitale vorm een afschrift aan Fairstar zal verstrekken, tenzij deze e-mails uitsluitend privé- aangelegenheden betreffen en/of deel uitmaken van de door [gedaagde 1], Cadenza, [gedaagde 4] en/of [gedaagde 5] met hun advoca(a)t(en) of notaris(sen) gevoerde correspondentie als bedoeld in r.o. 2.6,

3.6.

veroordeelt [gedaagde 1], Cadenza, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] in de proceskosten aan de zijde van Fairstar tot op heden begroot op € 904,00,

3.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.

wijst het in dit incident meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.H. Vink, mr. R.A. Dudok van Heel en mr. R. Raat en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.