Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7871

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
13/701761-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Qat is sinds 5 januari 2013 op lijst II bij de Opiumwet vermeld. De rechtbank beantwoordt de vraag of verdachte aan het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (Aanwijzing Opiumwet (2012A021, in werking getreden op 1 januari 2013) en Richtlijn Opiumwet, softdrugs 5.19 (in werking getreden op 1 juli 2011)) het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd voor het aanwezig hebben van ruim 5,5 kilogram qat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/701761-13

Datum uitspraak: 28 november 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [1982],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA adres] en daar feitelijk verblijvend.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J. Louman, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. M.F. Wijngaarden en

T.J. Kodrzycki, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 11 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5554,33 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende qat, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit.

3.2

Ontvankelijkheid officier van justitie

3.2.1

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de ‘Richtlijn Opiumwet, softdrugs 5.19’ door te dagvaarden.

Bij gebreke aan een speciale richtlijn voor qat, dient deze richtlijn te worden toegepast en deze richtlijn stelt dat pas bij meer dan 1 kilogram softdrugs een dagvaarding moet volgen. De in de tenlastelegging vermelde hoeveelheid qat is een gebruikershoeveelheid en staat gelijk aan minder dan 1 kilogram wiet.

3.2.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Het Openbaar Ministerie heeft een vervolgingsrichtlijn opgesteld ten aanzien van hennep, niet ten aanzien van qat. Van dagvaarden in strijd met een vervolgingsrichtlijn is dus geen sprake.

3.2.3

Oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld moet worden dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadslieden aldus dat een beroep wordt gedaan op het vertrouwensbeginsel. Van belang is vast te stellen dat in de Aanwijzing Opiumwet (2012A021, in werking getreden op 1 januari 2013) niet expliciet melding is gemaakt van een vervolgingsbeleid betreffende qat. Dat bevreemdt niet, aangezien qat pas sinds 5 januari 2013 op de bij de Opiumwet behorende lijst II is geplaatst. Slechts voor een aantal middelen van lijst II is bepaald voor welke hoeveelheden in beginsel niet wordt vervolgd, dan wel eerst een strafbeschikking wordt opgelegd alvorens tot dagvaarding wordt overgegaan. Het is niet aan de rechtbank te bepalen wat met betrekking tot qat geldt als een ‘geringe hoeveelheid voor eigen gebruik’. Verdachte kan aan deze regeling, merkt de rechtbank ambtshalve op, niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben ontleend dat hij niet vervolgd zou worden.

Daarnaast geldt de Richtlijn Opiumwet, softdrugs 5.19 (in werking getreden op 1 juli 2011), waarnaar de raadslieden verwijzen. Deze richtlijn is blijkens de toelichting van toepassing op alle middelen van lijst II, behalve de zogenoemde paddo’s. Natuurlijk was bij de inwerkingtreding het bezit van qat niet strafbaar, maar dat doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het ruim geformuleerde toepassingsbereik. Anders gezegd: de richtlijn is nu ook van toepassing op qat. Dit oordeel vindt overigens bevestiging in de nota van toelichting bij het besluit tot strafbaarstelling van qat. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in die nota geschreven dat handhaving van het verbod op qat ‘binnen de bestaande kaders’ zal plaatsvinden.

Uit de Richtlijn Opiumwet, softdrugs 5.19 valt op te maken dat als uitgangspunt heeft te gelden dat pas wordt gedagvaard voor het bezit van softdrugs vanaf een gewicht van 1000 gram, zonder onderscheid naar soort softdrugs. Aangezien verdachte wordt verweten ongeveer 5,5 kilo qat voorhanden te hebben gehad, kon hij ook aan deze regeling niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd voor het aanwezig hebben van deze hoeveelheid qat.

3.3

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De rapporten in het dossier van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut kunnen niet worden gekoppeld aan het in deze zaak (onder meer onder verdachte) in beslag genomen materiaal ten aanzien waarvan het vermoeden bestond dat dit qat was. Er kan dus niet worden vastgesteld dat het materiaal dat onder verdachte in beslag is genomen ook daadwerkelijk qat is.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 11 april 2013 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5554,33 gram qat, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

5 Het bewijs en bewijsoverwegingen

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die in een eventuele aanvulling op dit verkorte vonnis zullen worden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

De politie heeft op 12 april 2013 in en om het pand Florijn 244 in Amsterdam Zuidoost onder verdachte en vier medeverdachten materiaal in beslag genomen ten aanzien waarvan het vermoeden bestond dat dit qat was.

Het materiaal dat onder medeverdachte Adam in beslag is genomen, zat in twee dozen en een tas. Van het materiaal dat in de twee dozen zat, is per doos een afzonderlijk monster genomen. Van het materiaal dat in de tas zat, is geen monster genomen. Ten aanzien van verdachte en de drie andere medeverdachten geldt dat van het materiaal dat onder hen afzonderlijk in beslag is genomen telkens één monster is afgenomen. In totaal zijn dus zes monsters afgenomen.

In het dossier zitten zes rapporten van de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut die ieder afzonderlijk betrekking hebben op onderzoek naar een monster ‘takjes en blaadjes’. De rapporten bevatten steeds dezelfde conclusie: het onderzochte materiaal is geïdentificeerd als qat; Catha edulis Forsk. Terzijde merkt de rechtbank op dat deze conclusies niet moeten worden verward met de, ook in alle zes de rapporten getrokken, conclusie dat de monsters het werkzame bestanddeel cathinon bevatten. Dat is een middel dat op lijst I van de Opiumwet staat.

Ten aanzien van de zes afzonderlijke rapporten kan niet worden vastgesteld op welk monster het rapport ziet. Weliswaar is in de rapporten bij de monsters telkens een kenmerk vermeld, maar de koppeling van deze kenmerken aan de zes monsters die zijn genomen van het materiaal dat onder verdachte en de medeverdachten in beslag is genomen, ontbreekt in het dossier. Er kan dus niet per rapport worden vastgesteld op welk (onder welke verdachte) in beslag genomen materiaal het betrekking heeft.

In de rapporten is echter wel telkens een politieregistratienummer vermeld dat overeenkomst met het registratienummer op de kennisgevingen van inbeslagneming (2013087573). Gelet hierop en op de omstandigheid dat het aantal rapportages overeenkomt met het aantal monsters, stelt de rechtbank vast dat de zes rapporten betrekking hebben op de zes monsters. Nu in de rapporten de conclusie steeds dezelfde is, levert de omstandigheid dat de rapporten niet afzonderlijk aan de onder de verschillende verdachten in beslag genomen materialen kunnen worden gekoppeld geen bewijsprobleem op; alle monsters zijn geïdentificeerd als qat en dus betreft het in beslag genomen materiaal waarvan de monsters zijn genomen ook qat.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De raadslieden hebben gesteld dat verdachte niet wist dat het aanwezig hebben van qat strafbaar was en dat hij daarom niet strafbaar is en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitgangspunt bij een dergelijk beroep op rechtsdwaling, is dat iedereen wordt geacht de wet te kennen. Van de burger wordt verwacht dat hij serieus onderzoek doet naar de wettelijke regelingen die gelden in het maatschappelijk verkeer, waarvan die burger deel uitmaakt. Van verdachte had mogen worden verwacht dat hij als qat gebruiker, had onderzocht of qat in Nederland al dan niet een verboden verdovend middel is. Deze onderzoeksplicht betekent niet eenmalig onderzoek doen, maar vereist dat verdachte ook op de hoogte blijft van actuele ontwikkelingen. Dat qat pas sinds 5 januari 2013 een verboden verdovend middel is, maakt de gestelde rechtsdwaling daarom niet verontschuldigbaar.

Verder is aan de strafbaarstelling van qat in de media de nodige aandacht gegeven. Voor de conclusie dat de gestelde rechtsdwaling verontschuldigbaar is vanwege onvoldoende overheidsvoorlichting ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten.

Het beroep op rechtsdwaling kan dan ook niet slagen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 170, -, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen.

Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij hetgeen het College van Procureurs-generaal hem mondeling heeft geadviseerd als strafvorderingsrichtlijn voor het aanwezig hebben van qat, namelijk het uitgangspunt dat 1 gram hennep gelijk staat aan 50 gram qat.

8.2

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot schuldigverklaring zou komen, heeft de verdediging bepleit verdachte geen straf op te leggen. Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging zou komen, hebben de raadslieden de rechtbank verzocht een voorwaardelijke geldboete op te leggen als waarschuwing.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval oplegging van een onvoorwaardelijke straf niet passend is en dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft en enkele dagen in verzekering heeft doorgebracht op een politiebureau. Een waarschuwing in de vorm van een lagere voorwaardelijke geldboete volstaat in dit geval.

Gezien het voorgaande bestaat aanleiding bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en 3 en 11 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 150, - (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 dagen.

Beveelt dat deze geldboete niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Piena, voorzitter,

mrs. B.T. Beuving en M. Woerdman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2013.