Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7855

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
C/13/510719
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen hebben gedurende het huwelijk hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd (van – kort gezegd – periodieke verrekening van inkomen naar koude uitsluiting) en een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin ter afwikkeling van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden een verrekenvordering is overeengekomen van € 7.000.000,- door de man aan de vrouw te betalen bij (o.m.) echtscheiding. De vrouw beroept zich onder meer op de nietigheid van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden ogv misbruik van omstandigheden en dwaling en nietigheid van de vaststellingsovereenkomst ogv artikel 3:196 BW juncto artikel 1:135 lid 2 BW. De rechtbank oordeelt dat de vordering van de vrouw tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst ingevolge artikel 3:200 BW is vervallen. De overige verzoeken van de vrouw worden afgewezen. Het verzoek van de vrouw tot vaststellen alimentatie wordt eveneens afgewezen wegens het ontbreken van behoeftigheid aan haar zijde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

zaaknummer / rekestnummer: C/13/510719 / FA RK 12-1355 en C/13/532513 / FA RK 12-10312 AP/TZ

Beschikking van 25 september 2013

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. C.L.M. Smeets te Amsterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. L.H. Haarsma te Tynaarlo.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 6 februari 2013, waarin de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken en waarin de man in de gelegenheid is gesteld om uitsluitend zijn standpunt te onderbouwen dat op de vordering van de vrouw meer is voldaan dan het bedrag van € 4.205.358,- en de vrouw in de gelegenheid is gesteld om uitsluitend op dit standpunt van de man te reageren.

1.2.

Vervolgens is ter griffie van de rechtbank ingekomen op 12 februari 2013 en op 14 februari 2013 een faxbericht van de zijde van de vrouw, op 28 februari 2013 een faxbericht van de zijde van de man, op 1 maart 2013 een faxbericht met bijlagen van de zijde van de man, op 5 maart 2013 een faxbericht van de zijde van de vrouw en op 6 maart 2013 een faxbericht van de zijde van de man.

1.3.

Bij brief van 20 maart 2013 heeft de griffier partijen onder meer bericht dat de rechtbank de reactie van de man tijdig acht ingediend en dat de vrouw alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om op de brief met bijlagen van de man, gedateerd 11 februari 2013, te reageren.

1.4.

Op 18 april 2013 is ter griffie van de rechtbank ingekomen een faxbericht met bijlagen van de zijde van de vrouw, tevens ingekomen op 19 april 2013 per gewone post. Op 29 mei 2013 is ingekomen een faxbericht van de zijde van de vrouw, tevens ingekomen op 30 mei 2013 per gewone post.

1.5.

De zaak is behandeld ter zitting (pro forma) op 24 juni 2013, waarbij de beschikkingsdatum is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum] na het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden, overeengekomen bij akte van [datum], hielden – kort gezegd – onder meer in uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en een periodieke verrekenplicht van onverteerd inkomen:

Artikel 5

1. Per het einde van het jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen, hetgeen van hun inkomen over dat jaar onverteerd is of door belegging van onverteerd inkomen is verkregen.

(…)

4. Bijeenvoeging en verdeling kunnen niet meer gevorderd worden nadat drie jaren zijn verstreken sedert het einde van het betrokken jaar.

Op de staat van aanbrengsten bij die huwelijkse voorwaarden staat onder meer vermeld aan de zijde van [verzoeker]:

- 50 aandelen à f 500,- nominaal in [bedrijf], gevestigd te [plaats];

2.2.

Uit het huwelijk zijn drie, thans meerderjarige, kinderen geboren.

2.3.

Staande het huwelijk hebben partijen de huwelijkse voorwaarden gewijzigd bij akte van 22 mei 2006. Hierin is onder meer overeengekomen dat partijen elke gemeenschap van goederen uitsluiten (koude uitsluiting).

Verder is hierin onder meer de volgende passage opgenomen:

AANTEKENING NOTARIS

Ik, notaris, heb de verschenen personen er uitdrukkelijk op gewezen dat de door hen gekozen, hiervoor opgenomen nieuwe huwelijksvoorwaarden erin resulteren dat de lotsverbondenheid die zij in relationeel opzicht jegens elkaar voelen en heeft geleid tot hun huwelijkssluiting, niet ook in financieel opzicht zal worden geëffectueerd, maar dat zij, integendeel, in financieel opzicht gescheiden, eigen posities zullen krijgen (behouden), aldus dat inkomens- en vermogensmutaties van de ene echtgenoot in beginsel de andere echtgenoot niet zullen aangaan (dit behoudens eventuele beperkingen voortvloeiend uit de wet). Ik heb hen erop gewezen dat ervaring leert dat het voorkomt dat echtgenoten deze vermogensrechtelijke scheiding gedurende het bestaan van hun huwelijk uit het oog verliezen, althans zich dat niet meer ten volle realiseren, en dat die gevolgen met name bij beëindiging van het huwelijk soms als onrechtvaardig worden ervaren.

De verschenen personen hebben mij daarop uitdrukkelijk meegedeeld dat zij zich de geschetste gevolgen van de onderhavige huwelijksvoorwaarden ten volle realiseren, wenselijk achten en mitsdien bewust aanvaarden.

2.4.

Daarnaast hebben partijen bij akte van 22 mei 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter uitvoering van de huwelijkse voorwaarden van [datum]. Hierin zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

(…)

- zij hebben tot op heden nimmer vastgesteld hoe groot ieders inkomen was en hebben dit ook nog nimmer samengevoegd en verdeeld;

(…)

II. OVEREENKOMST EN VASTSTELLING

1. Vervaltermijn

Onder verwijzing naar de in de inleiding bedoelde wetgeving en jurisprudentie stellen partijen vast dat een beroep op de vervaltermijn van artikel 5 lid 4 van hun huwelijkse voorwaarden onredelijk zou zijn, omdat zij zich niet bewust waren van de werking van dit beding en zij zich tegenover elkander niet zo zakelijk opstellen. Dit heeft tot gevolg dat zij verplicht zijn om wat is overgebleven van het inkomen van alle aan dit kalenderjaar voorafgaande jaren na voldoening voor de voormelde kosten (hierna genoemd: ‘het onverteerd inkomen’), alsnog bijeen te voegen en bij helfte te verdelen (…).

2. Geen recapitulatie over afzonderlijke huwelijksjaren

De echtgenoten komen overeen om niet meer ten aanzien van ieder vóór ondertekening van deze overeenkomst verstreken kalenderjaar (…) waarop de verrekenverplichting betrekking heeft, afzonderlijk vast te stellen hoe groot ieders verteerd inkomen was. Zij zien daarvan af omdat zij van mening zijn dat die vaststelling:

  • -

    een groot tijdsbeslag zou vergen;

  • -

    aanzienlijke kosten voor accountants en eventuele andere deskundigen zou vergen;

  • -

    naar hun inschatting niet zou leiden tot een vaststelling van de omvang van de verrekeningsplicht met een door hen voldoende geachte nauwkeurigheid;

  • -

    een mate van zakelijkheid vereist tussen de echtgenoten die zijn niet in overeenstemming achten met de wijze waarop zij invulling wensen te geven aan hun huwelijkse relatie.

3. Verschaffen benodigde gegevens

Mede gezien het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 juncto artikel 1:143 Burgerlijk Wetboek hebben de echtgenoten elkander in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de administratie (voorzover beschikbaar) betreffende ieders vermogen.

4. Omvang verrekenverplichting

(…)

De echtgenoten zijn van mening dat een exacte, cijfermatig onderbouwde berekening van hetgeen uit de verrekenverplichting voortvloeit niet is te maken. Teneinde onzekerheid te voorkomen zijn zij met elkaar in overleg getreden. Zij zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw uit hoofde van de huwelijksvoorwaarden verschuldigd is per de datum vermeld in het hoofd van deze akte, een bedrag van zeven miljoen euro (€ 7.000.000,-).

5. Schuldigerkenning uit hoofde van de verrekenverplichting

De man is mitsdien verschuldigd aan de vrouw een bedrag in contanten groot zeven miljoen euro (…).

Ik, notaris, heb de man en de vrouw erop gewezen dat vaststelling door deskundige derden en uiteindelijk de rechter, mogelijk leidt tot een vordering met een hogere (of lagere) omvang dan die van het schuldig erkende bedrag. De echtgenoten, in het bijzonder de vrouw, realiseren zich dat. Teneinde discussies af te sluiten kiezen zij welbewust voor een vaststelling van hetgeen de vrouw uit de verrekeningsverplichting toekomt zonder daaraan door financiële deskundigen opgestelde vermogensoverzichten en –opstellingen ten grondslag te leggen.

6. Voorwaarden en bedingen van schuldigerkenning

  1. Over het schuldig erkende bedrag is de man een enkelvoudige rente verschuldigd aan de vrouw gelijk aan de wettelijke rente per een januari van het kalenderjaar waarin de periode ligt waarover de rente dient te worden berekend, te voldoen op één en dertig december van elk jaar, voor het eerst te rekenen met ingang van de datum waarop tussen partijen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het schuldig erkende bedrag, te weten tweeëntwintig februari tweeduizend vijf, op één en dertig december tweeduizend en zes.

  2. (…)

  3. (…)

  4. De vordering met rente is opeisbaar:

1. (…)

2. op eerste schriftelijke verzoek van de vrouw;

3. alsmede indien zich één van de na te vermelden omstandigheden voordoet:

-ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten;

(…).

7. Kwijting

De man en de vrouw verklaren dat zij aldus naar wederzijds genoegen uitvoering hebben gegeven aan de huwelijksvoorwaarden. De vrouw verleent de man kwijting, onverminderd haar recht op nakoming van het schuldig erkende bedrag met rente.

III. AANTEKENINGEN NOTARIS

Onverminderd de voorlichting van mij, de notaris, waaraan hiervoor is gerefereerd, heb ik, de notaris, de aandacht van de man en de vrouw onder meer gevestigd op het volgende:

  1. (…)

  2. tussen de datum waarop tussen partijen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het schuldig erkende bedrag en de datum van ondertekening van deze akte, is tijd verstreken. Partijen hebben daarin geen aanleiding gezien om te komen tot aanpassing van het schuldig erkende bedrag;

  3. het heeft partijen volledig vrij gestaan advies in te winnen van anderen, zoals advocaten, notarissen en accountants. Ik, notaris, heb hen die mogelijkheid bij de aanvang van de behandeling van het dossier uitdrukkelijk voorgehouden gezien het financiële belang dat voor beide echtgenoten is gemoeid met de onderhavige vaststelling.

(…)

2.5.

Partijen zijn in 2009 feitelijk gescheiden gaan leven.

2.6.

De vrouw heeft in juli/augustus 2011 een dubbel appartement gekocht aan [straatnaam]. Zij woonde ten tijde van de mondelinge behandeling op 28 januari 2013 in de voormalige echtelijke woning aan [straatnaam]. Deze woning is volledig eigendom van de man.

2.7.

In confessie tussen partijen is dat de man uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst (tenminste) een bedrag van € 4.205.358,00 aan de vrouw heeft betaald.

2.8.

Bij brief van 4 december 2012 van de vrouw aan de man heeft de vrouw de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006 buitengerechtelijk vernietigd op grond van artikel 3:196 van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 1:135, tweede lid, BW.

3 Het verzoek van de man

De man verzoekt – voorzover thans nog van belang –

  • -

    de vrouw te veroordelen de echtelijke woning aan [straatnaam] te verlaten op een door de rechtbank te bepalen datum; althans

  • -

    de vrouw te veroordelen haar volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de echtelijke woning en alle handelingen te verrichten die in verband met deze verkoop nodig zijn, waaronder doch daartoe niet beperkt het toelaten van potentiële kopers en de makelaar in de woning.

4 Het verweer en de zelfstandige verzoeken van de vrouw

De vrouw verweert zich tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen.

Zij verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoeken,

I. (…)

II. te verklaren voor recht dat de huwelijkse voorwaarden van 22 mei 2006 buiten rechte vernietigd zijn bij haar email aan de man in januari 2011;

III. indien en voor zover de rechtbank niet van oordeel is dat de huwelijkse voorwaarden van 22 mei 2006 buiten rechte vernietigd zijn door de verklaring van de vrouw, deze huwelijkse voorwaarden te vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden;

IV. indien en voor zover de rechtbank niet van oordeel is dat de huwelijkse voorwaarden van 22 mei 2006 buiten rechte vernietigd zijn door de verklaring van de vrouw, deze te vernietigen op grond van dwaling;

V. indien en voor zover de rechtbank niet van oordeel is dat de huwelijkse voorwaarden van 22 mei 2006 buiten rechte vernietigd zijn door de verklaring van de vrouw deze te vernietigen op grond van onrechtmatige daad;

VI. de man te veroordelen tot het betalen aan haar van een bedrag van € 7.679.370,- te vermeerderen met rente en kosten vanaf 23 november 2011 tot de dag der algehele voldoening uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006;

VII. een door de man met ingang van 1 januari 2011 aan haar te betalen uitkering in haar levensonderhoud te bepalen van € 100.000,- per maand, althans met ingang van een zodanige datum en op een zodanig bedrag als juist wordt geacht;

VIII. te bepalen dat zij gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [straatnaam], tot het moment dat zij haar woning in [plaats] kan betrekken;

IX. (…)

X. te bepalen dat er tussen partijen vanaf 22 mei 2006, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum, een wettelijke gemeenschap van goederen bestaat;

XI. partijen te gelasten over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarbij aan ieder der partijen, dus zowel aan de man als aan de vrouw, de helft van de totale gemeenschap toekomt;

XII. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Bij verzoekschrift houdende een vermeerdering van verzoeken ex artikel 283 juncto 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), ingekomen bij de rechtbank op 15 januari 2013 heeft de vrouw verzocht dat het de rechtbank moge behagen bij beschikking, voor zover wettelijk mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

XIII A. te oordelen dat de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006 door middel van het buitengerechtelijke schrijven van 4 december 2012 door middel van buitengerechtelijke vernietiging is ontbonden en te oordelen dat partijen verplicht zijn tot verrekening van niet verrekende inkomsten en/of niet verrekend vermogen over de periode van aanvang huwelijk tot 22 mei 2006 dan wel tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

B. de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006 zoals deze is aangegaan door partijen te vernietigen op grond van artikel 3:196 BW juncto artikel 1:135, tweede lid, BW en te oordelen dat partijen gehouden zijn tot verrekening van niet verrekende inkomsten en/of niet verrekend vermogen over de periode van aanvang huwelijk tot 22 mei 2006 dan wel tot een datum die juist wordt geacht;

XIV. te veroordelen dat de man gehouden is aan de vrouw een schadevergoeding te betalen op grond van onrechtmatige daad welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat;

XV. te oordelen dat de man op grond van ongerechtvaardigde verrijking is gehouden de door de vrouw geleden schade te vergoeden welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat.

XVI. de man te veroordelen aan haar alle stukken over te leggen zijnde jaarstukken en andere financiële stukken over de laatste drie jaren ter zake vennootschappen waarin hij direct of indirect deelneemt alsmede aangiften Inkomstenbelasting over de afgelopen drie jaren, loonspecificaties, jaaropgaven en andere financiële stukken waaruit de vermogenspositie en inkomenspositie van de man kan worden afgeleid op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 15.000,- per dag;

XVII. (…)

De vrouw heeft de verzoek onder IX. en XVII. ter zitting ingetrokken. Deze verzoeken behoeven derhalve geen bespreking meer.

5 Het verweer van de man op de verzoeken van de vrouw

De man verzoekt de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen.

6 De beoordeling

6.1.

Echtelijke woning (het verzoek van de man en het zelfstandig verzoek van de vrouw onder VIII)

6.1.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat zij gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning tot het moment dat zij haar woning in [plaats] kan betrekken. Ten tijde van de mondelinge behandeling op 28 januari 2013 heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw de echtelijke woning gelegen aan [straatnaam] uiterlijk 1 maart 2013 dient te verlaten. Hij wees er daarbij op dat de vrouw reeds in juli/augustus 2011 een nieuw appartement heeft gekocht dat sindsdien wordt verbouwd. De vrouw stelde ten tijde van de mondelinge behandeling dat zij haar appartement nog niet kon betrekken omdat de verbouwing vertraging had opgelopen.

De man stelt dat de door hem te betalen hypotheekrente ten behoeve van de woning aan [straatnaam] reeds met ingang van 1 januari 2012 niet langer fiscaal aftrekbaar is voor hem, omdat de woning vanaf dat moment niet langer meer kwalificeerde als zijn hoofdverblijf. Hij wil daarom weer zijn intrek nemen in die woning, zodat hij van de fiscale aftrekmogelijkheden gebruik kan maken en dan in de tussentijd de woning verkoopklaar kan maken. Hij erkent dat hij inmiddels met zijn partner een nieuwe woning heeft gekocht aan [straatnaam], maar stelt dat deze woning nog niet af is.

6.1.2.

Op grond van artikel 1:165 BW kan de rechter bepalen dat de vrouw de bewoning en het gebruik van de echtelijke woning voortzet gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Indien en voor zover de in artikel 1:165 BW bedoelde termijn van zes maanden niet reeds zijn overschreden, ziet de rechtbank in de door de vrouw geschetste omstandigheden, het belang van de man in ogenschouw nemende, onvoldoende aanleiding om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Dat brengt mee dat de vrouw de woning aan [straatnaam], voorzover zij hierin nog steeds verblijft, met onmiddellijke ingang dient te verlaten. De rechtbank wijst het verzoek van de man terzake toe. Aan de beoordeling van het subsidiair door de man geformuleerde verzoek komt de rechtbank daarom niet toe.

6.2.

Wijziging huwelijkse voorwaarden

Ontvankelijkheid

6.2.1.

De man is primair van mening dat de verzoeken van de vrouw onder II tot en met V, waarmee wordt beoogd een wijziging te realiseren van het tijdens het huwelijk geldende huwelijksvermogensrecht, niet zijn aan te merken als een voorziening in de zin van artikel 827 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zodat de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk is in haar verzoeken.

6.2.2.

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat haar verzoeken, zoals hiervoor opgesomd, als betrekking hebbend op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden kunnen worden aangemerkt als verzoeken tot het treffen van een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 Rv, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoeken.

(Buitengerechtelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006 (het verzoek van de vrouw onder XIII A en B)

6.2.3.

De vrouw verzoekt te oordelen dat de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006 vanwege buitengerechtelijke vernietiging op grond van artikel 3:196 BW (in samenhang met artikel 1:135 BW) is ontbonden door middel van een door haar op 4 december 2012 aan de man gestuurde brief.

6.2.4.

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek, daar de vordering van de vrouw is vervallen. De rechtsvordering tot vernietiging van de verrekening is pas ingesteld op 14 december 2012, terwijl de verrekening reeds heeft plaatsgevonden op 22 mei 2006, aldus de man.

6.2.5.

De vrouw meent dat de vervaltermijn pas is gaan lopen op het moment van ontbinding van het huwelijk, zodat zij ook in dit geval haar vordering tijdig heeft ingesteld. Zij verwijst hierbij naar de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, waaruit blijkt dat de vordering opeisbaar is bij ontbinding van het huwelijk. Daaruit concludeert zij dat de vervaltermijn neergelegd in artikel 3:200 BW is opgeschort tot het moment van ontbinding van het huwelijk.

6.2.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3:200 BW vervalt een rechtsvordering tot vernietiging door verloop van drie jaren na de verdeling. Op grond van artikel 1:135, tweede lid, BW is artikel 3:200 BW eveneens van toepassing op de verrekening. De rechtbank is van oordeel dat artikel 3:200 BW ook van toepassing is op de buitengerechtelijke vernietiging. Dat brengt mee dat de vrouw na afloop van drie jaar na de verrekening noch een buitengerechtelijke vernietiging kan inroepen van de verrekening noch een vordering tot vernietiging van die verrekening kan instellen.

Met de man is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van Hof Arnhem van 21 oktober 2008 (NJF 2009, 94) en 31 augustus 2012 (LJN: BN9598), van oordeel dat de termijn bedoelt in artikel 3:200 BW ook in het geval van een verrekening aanvangt met het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst tot verrekening (in casu de vaststellingsovereenkomst gedateerd op 22 mei 2006) en niet met het tijdstip waarop de verrekening wordt geëffectueerd. Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst blijkt ontegenzeggelijk dat het de bedoeling van die overeenkomst was om (onder meer) vast te stellen hoe partijen alsnog uitvoering zouden geven aan hun verrekenverplichting voortvloeiend uit de huwelijkse voorwaarden van [datum]. Verder is in de vaststellingsovereenkomst het bedrag dat de man uit hoofde van de verrekenverplichting aan de vrouw verschuldigd is expliciet genoemd, waarmee de verrekeningsvordering op dat moment vast stond. De vervaltermijn zoals bedoeld in artikel 3:200 BW is dientengevolge naar het oordeel van de rechtbank aangevangen op 22 mei 2006, zodat de rechtsvordering van de vrouw tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst is vervallen. Dit brengt mee dat de vrouw evenmin nog een buitengerechtelijke vernietiging van die vaststellingsovereenkomst kon inroepen. De vrouw is derhalve niet-ontvankelijk in haar verzoeken onder XIII.A en B.

(Buitengerechtelijke) vernietiging van de huwelijkse voorwaarden van 22 mei 2006 (verzoeken van de vrouw onder II, III en IV)

6.2.7.

De vrouw verzoekt te verklaren voor recht dat de huwelijkse voorwaarden van 22 mei 2006 buitengerechtelijk zijn vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden door middel van een door haar in januari 2011 gestuurde email aan de man. Subsidiair verzoekt de vrouw op grond van artikel 3:44 BW (misbruik van omstandigheden), dan wel op grond van artikel 6:228 BW (dwaling) de huwelijkse voorwaarden te vernietigen .

6.2.8.

Op grond van artikel 3:49 BW wordt een vernietigbare rechtshandeling vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak. Uit artikel 3:50 lid 1 BW volgt dat een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling vernietigt, door hem in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaald persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Uiteraard heeft de verklaring slechts effect indien een vernietigingsgrond – en daarmee een vernietigingsbevoegdheid – bestaat.

6.2.9.

Ingevolge artikel 3:52 BW verjaart een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling in geval van misbruik van omstandigheden drie jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en ingeval van dwaling drie jaar nadat de dwaling is ontdekt. Op grond van het tweede lid van artikel 3:52 BW kan na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd.

6.2.10.

Nog los van de vraag of de bij emailbericht van januari 2011 gezonden verklaring van de vrouw de man heeft bereikt, hetgeen de man betwist, is voldoende komen vast te staan dat de man de werking van de buitengerechtelijke verklaringen heeft betwist en dat er derhalve, anders dan de vrouw betoogt, geen sprake is van rechtsverwerking. Zoals de man terecht heeft aangevoerd is voor het aannemen van rechtsverwerking het enkel tijdsverloop of een enkel stilzitten onvoldoende. Voor rechtsverwerking is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de vrouw het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de man niet meer op de buitengerechtelijke vernietiging zou reageren, hetzij de vrouw in haar positie onredelijk zou worden benadeeld ingeval de man alsnog de vernietiging zou inroepen. Van rechtsverwerking kan dan ook slechts sprake zijn indien de man zich zou hebben gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens alsnog te gelde maken van het betrokken recht. Met de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden dan wel van voornoemde gedragingen. Het beroep op rechtsverwerking faalt mitsdien.

6.2.11.

Indien er discussie ontstaat omtrent de vraag of er aan de eisen voor vernietigbaarheid is voldaan, zoals in casu het geval is, kan ter zake een rechterlijk oordeel worden uitgelokt op grond van artikel 3:302 BW.

De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of er ter zake van de huwelijkse voorwaarden sprake is van een vernietigingsbevoegdheid en indien die bevoegdheid bestaat, een vernietigingsgrond.

6.2.12.

De man stelt primair dat de vorderingen van de vrouw zijn verjaard, nu de notariële akte is gepasseerd op 22 mei 2006 en de vorderingen van de vrouw met inachtneming van de wettelijke verjaringstermijnen van drie jaar op 22 mei 2009 zijn verjaard. Subsidiair stelt de man dat een vernietigingsgrond ontbreekt, nu er geen sprake was van misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 BW of dwaling zoals bedoeld in artikel 6:228 BW en/of artikel 6:196 BW. Hij verzet zich tegen omkering van de bewijslast zoals door de vrouw betoogd.

6.2.13.

De vrouw meent dat de verjaringstermijn van drie jaar voor wat betreft de vernietiging van de huwelijkse voorwaarden eerst is gaan lopen vanaf december 2010, toen voor haar, na overleg met haar adviseurs, duidelijk werd wat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden met zich meebracht.

6.2.14.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor de vraag of de huwelijkse voorwaarden van 22 mei 2006 nog kunnen worden vernietigd is het volgende van belang. Om vast te stellen of er sprake was van misbruik van omstandigheden en zo ja, op welk moment deze invloed heeft opgehouden te werken althans of er sprake was van dwaling en zo ja, wanneer die dwaling door de vrouw is ontdekt, zijn de volgende stellingen van partijen relevant.

6.2.15.

De vrouw stelt dat haar eerst op 22 mei 2006 door de man werd verteld dat de huwelijkse voorwaarden zouden wijzigen omdat die erg verouderd waren, hetgeen niet gunstig zou zijn voor haar. De werkelijke inhoud van de nieuwe voorwaarden is haar op geen enkele wijze uitgelegd. Haar is slechts voorgehouden dat het wijzigen van de voorwaarden beter voor haar zou zijn. Zij stelt dat zij ook nooit eerder een concept akte van de nieuwe huwelijkse voorwaarden had gezien, voordat zij moest tekenen. Zij heeft de vaststellingsovereenkomst pas getekend nadat de man haar thuis een A4-tje had voorgehouden waarop vermeld stond dat, mochten partijen uit elkaar gaan, zij naast de € 7.000.000,- voortvloeiende uit de vaststellingsovereenkomst nog een bedrag van € 25.000.000,- van de man zou ontvangen. Dit door beide partijen ondertekende A4-tje is inmiddels onvindbaar, aldus de vrouw. Naar de mening van de vrouw heeft de man haar tijdens het huwelijk aldoor verzekerd dat hij in het geval van een scheiding altijd voor haar zou blijven zorgen en haar bij herhaling beloofd haar heel goed achter te laten. Eerst in december 2010 werd voor haar duidelijk, na overleg met haar adviseurs, wat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden met zich meebracht. Volgens de vrouw is de wijziging tot stand is gekomen met misbruik van omstandigheden zoals bedoeld in art 3:44 BW, omdat zij ten opzichte van de man afhankelijk en onervaren was en zij bovendien lijdt aan dyslexie en dysfasie. Onder verwijzing naar het door een door de vrouw ingeschakelde fiscaal advocaat ingeschatte vermogen van de man per 1 januari 2011 van minimaal € 115.000.000,-, acht zij overduidelijk dat zij door de wijziging benadeeld is. De man had zich van het bevorderen van de rechtshandeling moeten onthouden. Daarbij is volgens haar van belang dat de man een zakenman is en dat zowel de notaris als de financieel adviseurs, waarmee zij naar haar zeggen één gesprek heeft gevoerd, adviseurs zijn van de man en zijn ondernemingen.

Indien de man openheid van zaken had gegeven over de werkelijke reden en gevolgen van de wijziging had zij hiermee nooit ingestemd en daarom is er volgens haar sprake van dwaling zoals bedoeld in art 6:228 BW. Zij beroep zich op een uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 2005 (NJ 2006, 99). De man heeft volgens de vrouw haar voorgehouden dat de huwelijkse voorwaarden uit 1983 verouderd waren en dat dit niet gunstig was voor haar. De aanpassing zou er toe leiden dat alles ook beter geregeld zou worden voor haar. De man heeft haar voorgelogen over zijn intenties, haar overtuigd haar handtekening te zetten onder de akte en beloofd goed voor haar te zorgen ook bij scheiding.

6.2.16.

De man stelt, onder verwijzing naar de staat van aanbrengsten bij de akte huwelijkse voorwaarden van [datum], dat hij reeds ten tijde van de huwelijkssluiting een eigen onderneming dreef, te weten [bedrijf] Ter uitvoering van de huwelijkse voorwaarden uit [jaartal] heeft hij stelselmatig winkelpanden op naam van de vrouw laten zetten en aandelen aan haar overgedragen. De man is van mening dat partijen aldus tijdens het huwelijk overgespaard inkomen hebben verrekend, waardoor de vrouw reeds een groot vermogen heeft verworven. Partijen hebben er bewust voor gekozen om een vast bedrag af te spreken, waardoor de vrouw, tezamen met het vermogen dat door hem tijdens het huwelijk reeds was overgedragen, na de wijziging van de huwelijkse voorwaarden inmiddels over een vermogen beschikt van ruim € 22.000.000,-. Beide partijen realiseerden zich destijds heel goed dat de waarde van het vermogen van de man, voor zover dit al voor verrekening op grond van de oude huwelijkse voorwaarden in aanmerking zou komen, ten tijde van een eventuele echtscheiding in de toekomst, anders zou kunnen zijn, dat wil zeggen zowel hoger als lager. Beide partijen wensten op dat moment echter volledige zekerheid en duidelijkheid voor de vrouw te creëren over de hoogte van het bedrag waar zij recht op zou hebben wanneer onverhoopt een echtscheiding zou volgen. Van een A4-tje, zoals door de vrouw gesteld, is de man niets bekend. Overigens komt het door de vrouw genoemde bedrag van € 25.000.000,= dat de man haar zou hebben beloofd nagenoeg overeen met het bedrag dat de vrouw thans feitelijk ontvangt, te weten het voornoemde bedrag van ruim € 22.000.0000,=, aldus de man.

De wijziging van de huwelijks voorwaarden in 2006 is volgens hem geen plotselinge stap geweest, maar een proces van jaren. Hij stelt dat hij al jaren bezig was, mede op initiatief van zijn fiscalisten, om zijn vermogen langzamerhand over te hevelen naar zijn kinderen in het kader van een estate planningsgedachte. In 2004 is hier al voor het eerst over gesproken. De vrouw is betrokken geweest bij diverse gesprekken en heeft ook actief gesproken en meegedacht over de aan de wijziging van de huwelijkse voorwaarden ten grondslag liggende estate planningsgedachte, aldus de man. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft hij de volgende brieven overgelegd.

  • -

    Een brief gedateerd 30 juli 2004 van [naam notaris] (hierna: de notaris) gericht aan de man en de vrouw;

  • -

    Een brief gedateerd 10 september 2004 van de notaris gericht aan de man en de vrouw;

  • -

    Een emailbericht gedateerd 11 februari 2005 van [naam 1] en [naam 2] van [bedrijf] gericht aan de man;

  • -

    Een brief gedateerd 26 april 2005 van de notaris gericht aan de man en de vrouw;

  • -

    Een brief gedateerd 9 augustus 2005 van de notaris gericht aan de man en de vrouw;

  • -

    Een brief gedateerd 1 september 2005 van de notaris gericht aan de man en de vrouw;

  • -

    Een emailbericht gedateerd 27 juni 2012 van de advocaat van de notaris gericht aan de advocaat van de man;

  • -

    Een emailbericht gedateerd 6 juli 2012 van de advocaat van de notaris gericht aan de advocaat van de man.

6.2.17.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat er op 5 augustus 2004 een bespreking heeft plaatsgevonden waarbij partijen, [naam 1], [naam 2] (beiden werkzaam bij [bedrijf]) en de notaris aanwezig waren over de te treffen voorzieningen voor het geval van overlijden van partijen waarbij de bij aanvang van het huwelijk gesloten huwelijkse voorwaarden ook aan de orde zijn gekomen en waarbij is gesproken over de mogelijkheid de toen bestaande voorwaarden te wijzigen. Uit de brieven van de notaris blijkt dat de notaris partijen telkenmale uitvoerig heeft voorgelicht over de gevolgen van de te maken beslissingen. Namens de notaris verklaart zijn advocaat in de email van 27 juni 2012 dat de notaris zich nadrukkelijk herinnert dat hij zeer uitvoerig voorafgaande aan de ondertekening van de akten met partijen de betekenis van een en ander heeft besproken. Verder wordt daarin verklaard dat zich in het dossier van de notaris zich door partijen geparafeerde concepten van beide akten bevinden. In het emailbericht van 11 februari 2005 afkomstig van de adviseurs van [bedrijf] aan de man schrijven de adviseurs: “Wij verzoeken je in ieder geval om, samen met je vrouw, tot een indicatieve waarde van je huidige vermogen te komen. (…) Vanzelfsprekend kunnen wij je van dienst zijn bij het opstellen van een dergelijke berekening, dit lijkt ons echter in eerste instantie met name iets waar jij en je vrouw over moeten nadenken.“ In de brief van 26 april 2005 wordt door de notaris opgemerkt: “Om ieder misverstand daarover uit te sluiten wijs ik in het bijzonder [verweerster] maar ook [verzoeker] erop dat deskundigen (notaris/advocaat in samenwerking met een accountant, en uiteindelijk de rechter) de aanspraken van [verweerster] voortvloeiende uit jullie huwelijksvoorwaarden op een belangrijk hoger bedrag zouden kunnen bepalen. Voor [verzoeker] zou het te verrekenen bedrag wellicht op een lager bedrag kunnen worden bepaald. Die aanspraken geeft [verweerster] (respectievelijk [verzoeker] indien het te verrekenen bedrag lager zou worden vastgesteld) met ondertekening van de vaststellingsovereenkomst prijs.” De rechtbank acht de enkele stelling van de vrouw, dat het in werkelijkheid niet is gegaan zoals de man uitvoerig en onderbouwd met stukken heeft gesteld, onvoldoende. De vrouw heeft haar standpunt, dat er kort gezegd op neer komt dat de man verzuimd heeft haar goed en onpartijdig voor te (doen) lichten, niet nader onderbouwd, terwijl deze stelling haaks staat op hetgeen uit de door de man overgelegde correspondentie en de inhoud van de notariële akten blijkt. Dat de vrouw de brieven van de notaris nooit onder ogen heeft gekregen, zoals zij stelt en de man betwist, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu uit de stukken voldoende is komen vast te staan dat de notaris meermalen met zowel de man als de vrouw heeft gesproken over de inhoud van die brieven en zich in het dossier van de notaris ook door beide partijen geparafeerde conceptakten bevinden. Overigens heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank tegenover de betwisting van de man, onvoldoende gesteld om aan te nemen dat in dit geval van de man een ‘verzwaarde voorlichtingsverplichting’ jegens de vrouw mocht worden verwacht. De vrouw heeft gedurende een groot deel van het huwelijk meegewerkt in de onderneming van de man en heeft naar haar eigen zeggen een cruciale rol gespeeld in het bedrijf. Zij is na het uiteengaan van partijen in overleg getreden met adviseurs, teneinde inzicht te krijgen in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en heeft naar aanleiding daarvan reden gezien om deskundigen in te schakelen. Dat de vrouw destijds in de aanloop naar de wijziging van de huwelijkse voorwaarden niet een dergelijke keuze heeft gemaakt, hetgeen overigens niet ongebruikelijk is in een huwelijkssituatie en vanuit dat gezichtspunt zeker begrijpelijk, heeft haar wellicht in een wat minder stevige positie gebracht dan de man, maar betekent nog niet dat de vrouw niet kon overzien wat de vermogensrechtelijke consequenties waren van de akten. De omstandigheid dat de vrouw, zoals zij heeft gesteld, aan dyslexie en dysfasie zou lijden, maakt dat niet anders, al is het alleen al omdat er bijna twee jaar is verstreken tussen de eerste door de notaris gestuurde brief en de uiteindelijke ondertekening van de akten en de vrouw daarom niet onder tijdsdruk heeft gestaan. Voor beide partijen gold bovendien dat op het moment dat zij zich bogen over de huwelijkse voorwaarden uit [jaartal], in de jaren 2005 en 2006, de vermogensrechtelijke gevolgen van het in stand laten van die huwelijkse voorwaarden en het niet sluiten van de vaststellingsovereenkomst in het geval van een mogelijke toekomstige echtscheiding volstrekt ongewis waren, terwijl het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden voor beide partijen tot financiële duidelijkheid strekte.

In het licht van de door de man overgelegde correspondentie en de inhoud van de notariële akten, in het bijzonder hetgeen in de paragraaf ‘aantekeningen notaris’ staat opgetekend, is veeleer aannemelijk dat partijen, weloverwogen en zonder haast tot de wijziging van de huwelijkse voorwaarden zijn gekomen, waarbij zij zich de gevolgen van die wijziging ten volle hebben gerealiseerd, wenselijk hebben geacht en mitsdien bewust hebben aanvaard, ook al hebben partijen daarbij mogelijk ieder een eigen beweegreden gehad. De vrouw heeft in ieder geval tegenover de gedegen onderbouwde standpunten van de man onvoldoende gesteld om aan te nemen dat:

  • -

    de man het tot stand komen van de wijziging huwelijkse voorwaarden heeft bevorderd ofschoon hetgeen hij wist of moest begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden; èn

  • -

    de man wist of moest begrijpen dat de vrouw door bijzondere omstandigheden bewogen werd tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden; althans

  • -

    de huwelijkse voorwaarden onder invloed van dwaling zijn gewijzigd en bij een juiste voorstelling van zaken niet zouden zijn gewijzigd zijn gesloten; èn

  • -

    de dwaling te wijten is aan een inlichting van de man en hij niet mocht aannemen dat de huwelijkse voorwaarden ook zonder deze inlichting zouden worden gewijzigd; althans

  • -

    de man in verband met hetgeen hij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de vrouw had behoren in te lichten.

Dat de vrouw de destijds overeengekomen afspraken nadien en thans, nu partijen inmiddels in een echtscheidingsproces zijn verwikkeld, als onrechtvaardig ervaart, levert op zichzelf onvoldoende grond op voor vernietiging van die afspraken, evenals de omstandigheid dat met de wetenschap van nu destijds misschien een andere keuze zou zijn gemaakt.

Nu er geen sprake is van misbruik van omstandigheden of dwaling is de verjaringstermijn niet gaan lopen. De rechtbank ziet, gelet op al het voorgaande, geen reden om tot omkering van de bewijslast te komen, zoals de vrouw heeft verzocht. De verzoeken van de vrouw, voorzover betrekking hebbende op de vernietiging van de huwelijkse voorwaarden, worden daarom afgewezen.

Verzoeken van de vrouw onder V, XIV, XV en XVI

6.2.18.

Het verzoek onder V heeft de vrouw ter zitting gewijzigd in het verzoek zoals geformuleerd onder XIV. Het verzoek onder V behoeft derhalve geen bespreking meer. In het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor onder 6.2.17 heeft overwogen heeft de vrouw onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de man bij de totstandkoming van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld althans dat er sprake is van onrechtvaardige verrijking. Het verzoek tot het veroordelen van de man tot het betalen van schadevergoeding wordt derhalve afgewezen. De verzoeken van de vrouw strekkende tot het doen verstrekken van inlichtingen en stukken door de man wordt, onder verwijzing van hetgeen hiervoor is overwogen, eveneens afgewezen. De rechtbank ziet niet in op welke grond de man gehouden zou zijn de vrouw die inlichtingen te verstrekken.

Resterend verschuldigd bedrag uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst (verzoek van de vrouw onder VI)

6.2.19.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot het betalen aan haar van een bedrag van € 7.679.370,- te vermeerderen met rente en kosten vanaf 23 november 2011 tot de dag der algehele voldoening uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006, te verminderen – zo begrijpt de rechtbank – met het reeds door de man uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst betaalde bedrag van € 4.205.358,-. De man stelt dat hij uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst reeds een hoger bedrag heeft voldaan. Hij onderbouwt zijn standpunt door te stellen dat hij in de jaren 2010 tot en met 2012 betalingen heeft verricht aan de vrouw, ter hoogte van een bedrag van € 317.000,-, die verrekend dienen te worden met zijn schuld op grond van de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast stelt hij dat door de vrouw zonder zijn toestemming opnames zijn gedaan van zijn rekening, van in totaal € 295.900,-, waarvan hij steeds gesteld heeft dat deze moeten worden verrekend met de schuld.

6.2.20.

Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man met de door hem overgelegde onderbouwing er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de betalingen van de man aan de vrouw en de opnames van de vrouw van zijn rekening, die volgens de vrouw overigens met zijn instemming zijn geschied, zien op de voldoening van zijn schuld uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst. Dat brengt mee dat de man aan de vrouw nog verschuldigd is een bedrag van € 2.794.642,00 te vermeerderen met de op grond van de vaststellings-overeenkomst verschuldigde rente. Het verzoek tot veroordeling van de man in de kosten vanaf 23 november 2011 tot de dag der algehele voldoening wordt als onvoldoende gespecificeerd en gemotiveerd afgewezen.

6.3.

Alimentatie (verzoek van de vrouw onder VII)

6.3.1.

De vrouw stelt dat zij uit haar vermogen, overwegend vastgoed, een netto rendement haalt van circa € 290.000,- per jaar. Daarnaast heeft zij spaargeld, waar zij naar haar zeggen op inteert. Partijen hebben altijd op hoge welstand geleefd. Volgens de vrouw deelde de man gewoonlijk grote bedragen in contanten uit aan haar, terwijl zij daarnaast kon pinnen van de gemeenschappelijke rekening. Op grond daarvan acht de vrouw een door de man te betalen uitkering in haar levensonderhoud van € 100.000,- per maand niet buitensporig.

6.3.2.

De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan alimentatie. Daarbij wijst hij erop dat zij ultimo 2010 een inkomen had uit haar panden van € 260.000,-, een box 2 vermogen van ruim € 5.700.000,- en een box 3 vermogen aan banktegoeden en effecten van ruim € 1.300.000,-.

6.3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgeno(o)t(e)e recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de gewezen echtgeno(o)t(e) wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk. Niet in geschil is dat partijen in hoge welstand hebben geleefd, ook in de laatste jaren van hun huwelijkse samenleving. De man heeft evenwel onbetwist gesteld dat de vrouw, na voldoening door hem van het restant van zijn schuld uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst, over een vermogen zal beschikken van ruim € 22.000.000,-. Een deel van dat vermogen, ruim € 2,7 miljoen, is reeds door de vrouw aangewend voor de aankoop van een woning, waardoor zij geen huur of hypotheeklasten heeft te voldoen en vanuit het onroerend goed ontvangt zij, naar eigen zeggen circa € 290.000,- aan inkomsten per jaar. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw na de echtscheiding in een zodanige vermogenspositie verkeert, dat zij niet behoeftig is. Haar ruime vermogen levert naar het oordeel van de rechtbank zodanig veel op aan rendementen en mogelijkheden dat zij geacht kan worden een staat te voeren die haar in redelijkheid past en het leven in ruime welstand, zoals zij ook tijdens het huwelijk gewend was geraakt, voort te zetten. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie wordt daarom afgewezen.

6.4.

Verzoeken van de vrouw onder X en XI

6.4.1.

De vrouw heeft deze verzoeken ter zitting aangevuld met de volgende zinsnede: althans te bepalen dat partijen gehouden zijn vanaf 22 september 1983 tot verrekening van de niet verrekende inkomsten en of het niet verrekende vermogen onverwijld over dienen te gaan.

6.4.2.

Deze verzoeken liggen voor afwijzing gereed daar een grondslag daartoe ontbreekt. Tussen partijen wordt immers afgerekend conform de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006.

6.5.

Veroordeling proceskosten

Reeds op de grond dat partijen gewezen echtelieden zijn, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten af. De proceskosten worden zoals te doen gebruikelijk in echtscheidingsprocedures gecompenseerd.

7 De beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt de vrouw, indien en voorzover zij de echtelijke woning aan [straatnaam] thans nog bewoont, deze woning binnen een week na heden te verlaten;

- verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken onder XIII.A en B;

- veroordeelt de man tot het betalen aan de vrouw van een bedrag van € 2.794.642,00 (zegge: twee miljoen zevenhonderd vierennegentig duizend zes honderd twee en veertig euro en nul eurocent) te vermeerderen met de op grond van de vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2006 verschuldigde rente;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.E. van der Pol, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.E.D.M. Zijlmans, griffier, op 25 september 2013.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.