Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7841

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
C/13/441900 / FA RK 09-8346 + C/13/455957 / FA RK 10-2810 + C/13/450327 / FA RK 10-871
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2014:769, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat aan de oppervlakte wellicht geen kind-signalen te ontdekken zijn, maar dat uit de rapportages van de deskundigen en de standpunten van zowel de Raad als BJAA blijkt dat er andere serieuze signalen zijn om aan te nemen dat het niet in het belang van [minderjarige] is om verstoken te blijven van contact met zijn vader. Daarnaast is uit de overgelegde stukken op geen enkele wijze gebleken dat er in het verleden sprake is geweest van kindermishandeling dan wel seksueel misbruik.

Nu de vrouw geen enkele medewerking aan een contactregeling tussen de man en [minderjarige] wenst te verlenen, schaadt de vrouw de belangen van [minderjarige] en de man dusdanig dat zij de rechtbank geen andere keuze laat dan te bepalen dat [minderjarige] op een andere plek dan bij haar ondergebracht dient te worden.

De man heeft aangegeven dat hij de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen.

Nu er thans geen verzoek ligt tot plaatsing van [minderjarige] in een crisisgezin en de rechtbank hiertoe niet ambtshalve kan beslissen, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man.

Nu [minderjarige] bij de man zijn hoofdverblijfplaats zal krijgen, de man het contact tussen de vrouw en [minderjarige] niet zal frustreren, de man de hulpverlening voor [minderjarige] zal inzetten die de deskundigen, de Raad en BJAA nodig achten en hij daarnaast de communicatie tussen de vrouw en hemzelf in het belang van [minderjarige] weer zou willen opstarten, is de rechtbank van oordeel dat de man alleen met het gezag over [minderjarige] belast dient te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/441900 / FA RK 09-8346 + C/13/455957 / FA RK 10-2810 + C/13/450327 / FA RK 10-871 (EV/DR/LB-IZ)

Beschikking van 27 november 2013 betreffende de echtscheiding en de wijziging voorlopige voorzieningen

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [plaats],

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw dan wel de moeder,

advocaat mr. R.A. Korver te Amsterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [plaats],

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man dan wel de vader,

advocaat mr. J.M. Wigman te ‘s-Gravenhage.

Als deskundige in deze zaak is benoemd:

het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie,

locatie [locatie],

hierna te noemen: het NIFP,

Als informanten zijn aangemerkt:

  1. de Raad voor de Kinderbescherming,
    regio [regio],
    locatie [locatie],
    hierna te noemen: de Raad,

  2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie [locatie],

locatie [locatie],

hierna te noemen: BJAA,

advocaat mr. E. Lam te Amsterdam,

3. mw. dr. [persoon 1], kinder- en jeugdpsychiater,

gevestigd te [plaats],

hierna te noemen mevrouw [persoon 1],

4 mw. drs. [persoon 2], orthopedagoog en gz-psycholoog,

gevestigd te [plaats],

hierna te noemen mevrouw [persoon 2].

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij beschikking van 25 januari 2012 – welke is hersteld bij beschikking van 14 maart 2012 – is onder meer een via het NIFP te bemiddelen persoon en/of instantie tot deskundige benoemd. Daarnaast is bepaald dat een psychologisch en psychiatrisch onderzoek van elk der partijen en een psychologisch onderzoek van [minderjarige]deel zal uitmaken van het deskundigenonderzoek en dat partijen ieder € 7.500,-, zijnde de helft van het begrote voorschot in verband met het in te stellen deskundigenonderzoek over dienen te maken.

Bij beschikking van 14 maart 2012 – welke is hersteld bij beschikking van 16 mei 2012 – heeft de rechtbank onder andere de definitieve kinderbijdrage bepaald en heeft de rechtbank de behandeling omtrent het gezag, de hoofdverblijfplaats en de contact- of omgangsregeling, in afwachting van het deskundigenbericht alsmede de reacties van partijen hierop aangehouden.

Bij beschikking van 11 juli 2012 heeft de rechtbank onder andere het aanvullend voorschot vastgesteld op € 14.754,- en heeft de rechtbank bepaald dat partijen ieder de helft van dit voorschot dienen te voldoen.

Vervolgens is de zaak pro forma behandeld op 1 oktober 2012, 7 januari 2013, 4 maart 2013 en 6 mei 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het op 14 juni 2013 door mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] opgemaakte deskundigenrapporten met daarbij de (gespecificeerde) eindnota’s en de reacties van partijen daarop.

De behandeling heeft vervolgens plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 oktober 2013.

Gehoord zijn:

  • -

    partijen bijgestaan door hun advocaten;

  • -

    mevrouw [persoon 3] namens de Raad;

  • -

    mevrouw [persoon 4] namens BJAA, bijgestaan door mr E. Lam, advocaat van BJAA;

  • -

    mevrouw [persoon 1], voornoemd;

  • -

    mevrouw [persoon 2], voornoemd;

  • -

    mevrouw prof. dr. [persoon 5], partij-deskundige aan de zijde van de vrouw.

2 Het deskundigenonderzoek van het NIFP

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de psychiatrische en psychologische rapporten opgemaakt betreffende de man, de vrouw en de minderjarige en gedateerd 14 juni 2013. De conclusies uit deze rapporten worden hieronder verkort samengevat en weergegeven.

De man:

Psychiatrisch onderzoek

Er wordt bij de man geen psychiatrische stoornis in engere zin vastgesteld. De rapporteur is van mening dat hij als gevolg van de vele problemen, voortkomend uit de slepende echtscheiding, een rationele en afhankelijke houding heeft aangenomen als afweer van gevoelens van teleurstellingen, pijn en frustraties. Betreffende zijn afweer hanteert hij aldus rationalisatie met een afhankelijke pose, terwijl achter deze façade een sensitieve, optimistische persoon schuilgaat. De rapporteur concludeert dat er sprake is van een persoonlijkheidsconstitutie met de neiging tot rationaliseren van emoties en zich afhankelijk opstellen in combinatie met een sterk verantwoordelijkheidsbesef betreffende zijn zoon.

Vanuit het onderhavige onderzoek heeft de man getoond voldoende mogelijkheden in huis te hebben om zich als adequate vader te kunnen presenteren, ook intrinsiek. De wijze waarop de man thans op de problematiek reflecteert getuigt van betrokkenheid, toewijding en qua intentie wilskracht om een adequate vader te willen zijn voor zijn zoon. Hij heeft voldoende zelfinzicht, ook ten aanzien van de onderhavige problematiek en hij is bereid met eventuele specifieke zorg en behandeling, aangaande de eventuele toekomstige ontwikkeling, de verantwoordelijkheid in de opvoeding van zijn kind weer volledig op zich te nemen. Omdat er geen interactie-observatie heeft plaatsgevonden, kan de rapporteur niets specifieks zeggen over de affectieve en pedagogische vaardigheden van de man.

De relatie tussen de ouders onderling is thans zeer conflict beladen. Vanuit het verleden beschrijft de man hun relatie als competitief, met onenigheid om kleine dingen en met symmetrische escalaties. De vrouw beweert dat de man hun zoon seksueel heeft misbruikt en fysiek heeft mishandeld. De man bestrijdt dit. Duidelijk is geworden dat de ouders niet met elkaar rechtstreeks kunnen communiceren. De man is wel bereid om met de vrouw te overleggen, in het belang van het kind.

Psychologisch onderzoek

De man heeft een disharmonisch intelligentieprofiel. Terwijl hij performaal bovengemiddeld functioneert, zijn de verbale capaciteiten gemiddeld. Het verwoorden van gedachten en gevoelens is voor de man veel moeilijker dan planning en organisatie. De man is een open, vriendelijke, enigszins naïeve man. De gehele ontwikkeling is nog lichtelijk onrijp. Hij doet zich graag stevig voor, maar in de basis is hij onzeker en derhalve krenkbaar en kwetsbaar. De man weet zich in de meeste situaties goed te handhaven, maar in conflictsituaties schiet de coping tekort. Als de spanning en stress hoog oploopt neigt de man de realiteit uit het oog te verliezen en raakt hij ontregeld. Hij heeft zichzelf dan niet meer goed in de hand en kan impulsief reageren. Er is onvoldoende innerlijk remming en controle om zijn ontremde kanten voldoende te beheersen en hij reageert zijn frustratie op de omgeving af. Hij heeft weinig contact met zijn gevoelsleven: hij voelt nauwelijks wat er in hem omgaat, Ook woede en angst worden onvoldoende doorvoeld en voornamelijk geloochend en afgesplitst. Bij de man is er sprake van een gebrekkige, diffuse identiteitsontwikkeling. Er is weinig integratie van het eigen gevoelsleven met het zelf en te weinig differentiatie met het zelf en de ander. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een zwakke onderliggende persoonlijkheidsstructuur. Vanuit die structuur is het voor hem moeilijk om in een intieme relatie zichzelf effectief staande te houden, omdat hij zichzelf verliest in een sterke neiging tot fuseren met de ander.

Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een klinische stoornis en/of andere aandoeningen en/of psychische problemen die een reden geven tot zorg. Met betrekking tot de persoonlijkheid zijn er aanwijzingen voor een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur, zonder dat er echter gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis in de zin dat er sprake is van een significante mate van lijden of beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere terreinen. De persoonlijkheid kenmerkt zich door afhankelijke en ontwijkende trekken.

Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de man zich onvoldoende in het kind zou kunnen inleven, te weinig begrip voor hem zou hebben of onvoldoende zou kunnen aansluiten bij zijn ontwikkelingsbehoeften. Als een taxatie wordt gemaakt van het ouderfunctioneren van de man en uit wordt gegaan van de drie kernfuncties die het denken en doen van de ‘goed-genoeg-ouder’ beschrijven, namelijk interpreteren, respecteren en regisseren, dan is de verwachting op basis van onderhavig persoonlijkheidsonderzoek dat de man in staat is de drie kernfuncties met betrekking tot het kind uit te voeren en dat hij derhalve voldoende oudercompetenties heeft.

Op dit moment is er geen communicatie mogelijk tussen de ouders ten aanzien van het gezamenlijk gezag over het kind. Vanuit het persoonlijkheidsonderzoek van de man zijn er echter geen aanwijzingen gevonden dat hij, onder professionele begeleiding, niet in staat zou zijn met zijn ex-partner te (leren) communiceren.

Het is niet de verwachting dat de problematiek van het kind verergert door het handhaven van het gezamenlijk gezag. De problematiek van het kind is niet zozeer dat de ouders onenigheid hebben en niet tot beslissingen omtrent hem komen. Voor het kind is de problematiek dieper gelegen, namelijk het na scheiding geen ruimte krijgen om met beide ouders een relatie aan te gaan.

Met betrekking tot de ouders wordt een intensief traject van mediation noodzakelijk geacht. Daarnaast wordt individuele begeleiding van beide ouders geadviseerd. De man heeft begeleiding nodig hoe om te gaan met zijn zoon, die hij een aantal jaren niet heeft meegemaakt, en waar hij logischerwijs van vervreemd moet zijn.

Mocht het bovenstaande niet haalbaar blijken te zijn en de vrouw bij haar standpunten blijven ten aanzien van de man, dan wordt als uiterste consequentie gedacht aan een plaatsing van het kind op een neutraal terrein, bijvoorbeeld een crisispleeggezin, van waaruit gewerkt kan worden aan het in balans brengen van de relatie tussen het kind en zijn beide ouders. Signalen kunnen dan neutraal worden opgepikt en geïnterpreteerd. Nadat enig herstel in de verhoudingen heeft plaatsgevonden kan het kind terugkeren naar mogelijk zowel de leefsituatie van de vrouw als van de man.

De vrouw:

Psychiatrisch onderzoek

Er wordt bij de vrouw geen psychiatrische stoornis in engere zin vastgesteld. In de context van haar psychosociale ontwikkeling zijn er wel zorgen met betrekking tot haar (emotionele) zelfstandigheid en haar rol als moeder. De rapporteur is van mening dat zij een rationele en juridisch strijdbare houding heeft aangenomen, ook als afweer van haar intense teleurstellingen, pijn en frustraties in de relatie met de man. Haar afweer is sterk, terwijl achter deze façade een intelligente en analytische vrouw schuilgaat, die als moeder het allerbeste voor haar kind wil. De voortdurende strijd met derden gaat uiteindelijk ten kosten van haar eigen gemoedsrust, geluk en emotionele ontwikkeling. De rapporteur is van mening dat, als gevolg van haar persoonlijkheidsconstitutie (neiging tot rationaliseren en intellectualiseren van emoties en strijd als coping in stressvolle situaties) in combinatie met het verantwoordelijkheidsbesef voor haar kind, het risico aanwezig is voor chronische emotionele overvraging en uitputting in haar rol als (alleenstaande) ouder van haar kind.

De vrouw is nooit van haar eigen familie losgekomen en zij heeft de man als het ware in haar familiekluwen getrokken. De scheiding tussen de diverse generaties in haar eigen familie is onvoldoende en de indruk ontstaat dat hierdoor de afhankelijkheidspositie van de vrouw wordt versterkt. De wijze waarop zij thans op haar problematiek reflecteert getuigt enerzijds van toewijding en qua intentie adequaat moederschap, anderzijds van beperkte zelfreflectie en dito zelfinzicht. Haar zelfinzicht imponeert nog wat beperkt, dit in samenhang met de intense behoefte haar kind te willen beschermen en met de afhankelijke positie van haar familie. Deze houding kan in theorie beklemmend zijn in de ontwikkeling van haar kind.

In haar rol als opvoeder van haar kind komt beslist een aantal positieve aspecten naar voren, waaruit blijkt dat de vrouw deze taak zo optimaal mogelijk tracht te vervullen en deze ook daadwerkelijk op zich neemt. Zij heeft, naar inzicht van de rapporteur, echter onvoldoende mogelijkheden (competenties) om naar haar eigen functioneren te kijken op het vlak van emoties en beleving. Er is daarbij sprake van beperkt zelfinzicht (met betrekking tot haar afhankelijkheid in relaties en haar gevoelsafweer), hoewel de vrouw beslist het allerbeste voor haar kind wil, zoals zij dit ook belijdt. De rapporteur heeft het kind zelf niet onderzocht en kan daarom niet de specifieke behoeften van het kind beoordelen. In zijn algemeenheid kan wel worden gesteld dat een kind de behoefte heeft aan een groeizame relatie en/of aan positieve contacten met zowel zijn vader als met zijn moeder. De vraag is nu of de vrouw bereid is, ten aanzien van die ontwikkeling van haar zoon, zijn volledige behoeften te onderkennen, zoals een relatie en/of contacten van het kind met zijn vader en of zij, indien gewenst, zich kan aanpassen en voor een andere gedragslijn kan kiezen. Voorkomen dient te worden dat de druk op het kind te hoog wordt en hij verstrikt raakt in loyaliteitsproblematiek indien de contacten weer op gang komen. Dit zal in de praktijk betekenen dat de vrouw over haar eigen schaduw heen zal moeten stappen en zou moeten leren toelaten dat het kind ook een emotionele band met zijn vader kan en mag ontwikkelen. De vrouw beleeft de relatie met haar kind uitsluitend positief. Kenmerkend is dat zij in het relationele vlak met derden geen ambivalentie verdraagt (en nuances) waardoor haar kind onvoldoende kan leren om ook zelf ambivalentie te verdragen. De persoonlijkheidsontwikkeling van het kind kan zich (in zijn algemeenheid) daardoor niet optimaal ontwikkelen, in termen van het vormen van een positief manbeeld. De kans op de vorming van een symbiotische relatie met de moeder wordt vergroot en dit gaat ten koste van een evenwichtige persoonlijkheidsontwikkeling van het kind. Duidelijk is geworden dat de ouders niet met elkaar rechtstreeks kunnen communiceren en tot dusverre ook niet met hulp van andere instanties conflictvrij met elkaar kunnen communiceren. De vrouw wil zich niet verzoenen met de man, dit is voor haar uitgesloten. In haar beleving is de contactbreuk definitief, omdat hij volgens haar structureel niet te vertrouwen is. Zoals de vrouw de man bejegent, met haar overtuigingen, kan zij hem niet tegemoet treden en schermt zij haar zoon voor zijn vader definitief af. Dit is niet in het belang van het kind, omdat zij allebei ouder zijn. Overleg is immers noodzakelijk.

Psychologisch onderzoek

De vrouw is een opgewekte, vrolijke vrouw wier zelfbeeld echter onvoldoende is geïntegreerd. Negatieve aspecten van het zelf worden overdekt door een grandioos zelf. In relatie tot anderen kent de vrouw geen nuance in aantrekkelijke kanten van een ander en minder aantrekkelijke kanten. De ander wordt geïdealiseerd of gedevalueerd/vernietigd. Het zelfgevoel is krenkbaar en kwetsbaar en afhankelijk van externe bronnen van bevestiging, ondanks de competente kanten die er ook zijn (voldoende intelligentie, goede werkkring).

Er is moeite met het verdragen van intimiteit en een grote behoefte anderen onder controle te houden. Vanuit een egocentrische inslag voelt zij zich snel tekortgedaan, maar ziet zij niet dat zijzelf moeite heeft met emotionele investeringen. In relatie tot het kind kan de persoonlijkheid van de vrouw moeilijkheden geven met betrekking tot de ontwikkeling van

zijn autonomie en eigen identiteit door hem zijn vader te onthouden.

Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een klinische stoornis en/of andere aandoeningen en/of psychische problemen die een reden geven tot zorg.

Met betrekking tot de persoonlijkheid zijn er aanwijzingen voor een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur, zonder dat er echter gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis in de zin dat er sprake is van een significante mate van lijden of beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere terreinen. De persoonlijkheid kenmerkt zich door afhankelijke en ontwijkende trekken.

Als een taxatie wordt gemaakt van het ouderfunctioneren van de vrouw en uit wordt gegaan van de drie kernfuncties die het denken en doen van de ‘goed-genoeg-ouder’ beschrijven, namelijk interpreteren, respecteren en regisseren, dan wordt geconcludeerd dat de vrouw in staat is de drie kernfuncties met betrekking tot het kind uit te voeren en dat zij derhalve voldoende oudercompetenties heeft.

Met betrekking tot de echtscheidingssituatie toont de vrouw echter onvoldoende inleving in de ontwikkelingsbehoeften van het kind, namelijk dat het voor een kind belangrijk is om met beide ouders een relatie te ontwikkelen. Ook haar extreem emotioneel geladen benadering van het vermeende seksueel misbruik en mishandeling van het kind conflicteert met effectief ouderschap. Wanneer een kind geconfronteerd wordt met eventuele heftige traumatische ervaringen, dan wordt van opvoeders een neutrale en accepterende houding verwacht, zodat het kind ruimte voelt de ervaring te verwerken. Zodra de opvoeders vervloeien met de problematiek van het kind is er geen veilige ruimte voor het kind om te komen tot verwerking.

Op dit moment is er geen communicatie mogelijk tussen de ouders ten aanzien van het gezamenlijk gezag over het kind. Vanuit het persoonlijkheidsonderzoek wordt een herstel van de communicatie vanuit de vrouw somber en zorgelijk ingeschat, omdat zij geen enkele ruimte laat zien de man in het leven van het kind een plek te willen geven.

Het is niet de verwachting dat de problematiek van het kind verergert door het handhaven van het gezamenlijk gezag. De problematiek van het kind is niet zozeer dat de ouders onenigheid hebben en niet tot beslissingen omtrent hem komen. Voor het kind is de problematiek dieper gelegen, namelijk het na scheiding geen ruimte krijgen om met beide ouders een relatie aan te gaan.

Met betrekking tot de ouders wordt een intensief traject van mediation noodzakelijk geacht. Daarnaast wordt individuele begeleiding van beide ouders geadviseerd. Met betrekking tot de vrouw wordt het belangrijk gevonden dat zij geholpen wordt te accepteren dat haar ex-partner als vader van het kind voor hem als zodanig belangrijk is.

Mocht het bovenstaande niet haalbaar blijken te zijn en de vrouw bij haar standpunten blijven ten aanzien van de man, dan wordt als uiterste consequentie gedacht aan een plaatsing van het kind op een neutraal terrein, bijvoorbeeld een crisispleeggezin, van waaruit gewerkt kan worden aan het in balans brengen van de relatie tussen het kind en zijn beide ouders. Signalen kunnen dan neutraal worden opgepikt en geïnterpreteerd. Nadat enig herstel in de verhoudingen heeft plaatsgevonden kan het kind terugkeren naar mogelijk zowel de leefsituatie van de vrouw als van de man.

[minderjarige]

Psychologisch onderzoek

[minderjarige] is een blije en opgewekte, hoogbegaafde jongen met een harmonisch intelligentieprofiel. De sociaal-emotionele ontwikkeling verloopt leeftijdsadequaat. Het sociaal inzicht en de sociale vaardigheden zijn voldoende. Emotioneel is er voldoende veerkracht en controle. De psychoseksuele ontwikkeling verloopt leeftijdsadequaat. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een verstoorde/gestagneerde psychoseksuele ontwikkeling. [minderjarige] is gehecht aan de vrouw. In de gehechtheidsrelatie is er echter te weinig onderscheid (differentiatie) tussen de vrouw en het kind. De oorzaak hiervan is gelegen in de heftige echtscheidingsstrijd tussen de ouders. In relatie met de man toont [minderjarige] verzet en afweer. Hij is negatief op zijn vader betrokken, vanwege de echtscheidingsstrijd tussen de ouders. Door de strijd is de hechting met de man verstoord geraakt. Het wordt voor de ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk gevonden dat hij in staat wordt gesteld met beide ouders een hechtingsrelatie te ervaren.

Zorgsignalen liggen op het onbewuste niveau, waar sprake is van angst en verwarring. In de spelobservatie laat [minderjarige] onbewust veel angst, verwarring maar ook agressie en geweld zien. Tevens geeft hij met de worsteling aan dat de werkelijkheid niet is wat je denkt dat hij is en dat er heimelijke figuren zijn (clown en nepdokter) die de hele zaak voor het lapje houden. De onderliggende dynamiek is waarschijnlijk een uiting van de klempositie in de strijd tussen de ouders.

[minderjarige] ervaart een te sterke positieve verbondenheid met zijn moeder. Er is geen ruimte voor het ervaren van enige negativiteit in de relatie. [minderjarige] ervaart te weinig onderscheid tussen zichzelf en zijn moeder. Het hele systeem van de moeder met grootouders, tante en oom wordt door [minderjarige] als een kluwen ervaren. Een kluwensysteem is een risicofactor voor een gezonde uitgroei van de autonomie en identiteit. De loyaliteit ten aanzien van de vrouw is verstikkend. Met betrekking tot de man ervaart hij geen ruimte om loyaliteit bij zichzelf toe te staan. Zijn vader moet uit het leven worden verbannen. Zorgelijk is dat [minderjarige] deze aanname al heeft veralgemeniseerd ten aanzien van alle papa’s. Tegelijk toont [minderjarige] naar moeder trekken van parentificatie in de zin dat hij het voor haar opneemt, haar beschermt met betrekking tot de problemen die zij ervaart met vader bijvoorbeeld op de rechtbank of in het verleden, in de relatie.

[minderjarige] heeft evenals alle andere kinderen een veilige, gestructureerde, liefdevolle opvoedingssituatie nodig. Met andere woorden: hij heeft een normale opvoedingssituatie nodig. Dat betekent dat hij als kind in de gelegenheid wordt gesteld met beide ouders een relatie te ontwikkelen, om zo vanuit die relaties zijn eigen identiteit te ontwikkelen.

Geadviseerd wordt de omgang tussen de man en het kind in het kader van een intensief hulpverleningsproces te herstellen. Naast begeleiding van de ouders wordt speltherapie van [minderjarige] geadviseerd om zijn onderliggende angsten in relatie tot beide ouders te verwerken en hem te helpen zichzelf tot te staan evenwichtiger in relatie tot beide ouders te mogen staan.

3 Standpunten van partijen en belanghebbenden na het deskundigenonderzoek

De man

De man is van oordeel dat de rechtbank op basis van de huidige rapportages vanuit het NIFP een antwoord heeft gekregen op de door de rechtbank aan de onderzoekers gestelde vragen en dat de uitkomsten er niet om liegen. In feite toont het zijn gelijk aan. De man heeft samen met de Raad, al reeds in 2010 gewaarschuwd voor het ontstaan van een loyaliteitsconflict vanwege de houding en gedragingen van de vrouw. De aversie van [minderjarige] jegens hem komt voort uit de houding die de vrouw inneemt. De Raad heeft eerder gemeend dat “vanwege de rust en stabiliteit” voor [minderjarige] het hoofdverblijf bij de vrouw moest blijven. Het rapport toont volgens de man echter aan dat de vrouw deze verantwoordelijkheid niet op een juiste wijze invulling heeft gegeven en dat de vrouw het kind in ernstige mate heeft belast met haar strijd tegen de man. De onderzoekers stellen zelfs vast dat [minderjarige] trekken vertoont van parentificatie. Het deskundigenbericht spreekt naar het oordeel van de man boekdelen. Uit het onderzoek is vast komen te staan dat er sprake is van een loyaliteitsconflict. De onderzoekers sturen aan op een spoedig contactherstel tussen de man en de minderjarige. De man verzoekt dan ook in het belang van de minderjarige de schorsing van de omgang tussen hem en de minderjarige direct op te heffen en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen. Daarnaast verzoekt de man dat er een omgangsregeling met de vrouw wordt vastgesteld. In het belang van de minderjarige dient deze omgangsregeling allereerst te worden vormgegeven via omgang bij Jeugdzorg, zodanig dat de minderjarige door de man bij Jeugdzorg wordt gebracht, de vrouw omgang heeft met de minderjarige aldaar en dat de minderjarige daarna weer meegaat met de man naar huis. Uiteindelijk is de man bereid mee te werken aan een omgangsregeling waarbij de man en de vrouw een gelijke omgangsregeling met de minderjarige hebben.

De man acht het plaatsen van de minderjarige in een crisisgezin niet noodzakelijk en niet wenselijk. De man baseert zich hierbij op gesprekken met Jeugdzorg en andere ervaringsdeskundigen. Indien de minderjarige uit de invloedsfeer van de vrouw dient te worden gehaald, is plaatsing bij hem het meest geïndiceerd (en prevaleert dat boven een plaatsing in een crisisopvang). Mocht de wijziging van de hoofdverblijfplaats althans voorlopige toevertrouwing bij hem niet plaatsvinden, dan geniet volgens de man een crisisgezin wel de voorkeur.

De man stelt dat het noodzakelijk is dat het gezag (tijdelijk) geheel bij hem komt te liggen. De vrouw heeft, samen met haar familie, met haar houding en gedragingen van de afgelopen jaren, aangetoond dat zij niet in staat is om het gezag over de minderjarige, en de verplichtingen die dit met zich brengt, op een voor de minderjarige verantwoorde wijze, inhoud en vorm te geven. Zo licht de vrouw de man niet in over de schoolresultaten en andere zaken aangaande de minderjarige. Pas na inmenging van Jeugdzorg wordt hij nu enigszins door de school geïnformeerd. Ook informeert de vrouw de man niet over de vakanties. De man acht het dan ook tevens noodzakelijk dat de vrouw het paspoort van de minderjarige aan hem overhandigt.

De vrouw wil dat er in onderhavige zaak aan waarheidsvinding wordt gedaan. De man wil en verwacht niet anders. Dit begint naar het oordeel van de man al bij het juist weergeven van de feiten en omstandigheden door partijen zelf. Bij de grondige (medische) onderzoeken van de minderjarige bij het AMC en bij de huisarts kwamen geen aanwijzingen naar voren van fysieke mishandeling of tekenen van ander letsel.

De man stelt dat de zedenpolitie hem nimmer als verdachte heeft aangemerkt. Uit de feiten is vast komen te staan dat de beschuldigingen van de vrouw naar de man toe als onderdeel van een vechtscheiding moeten worden gezien. De man is van mening dat de vrouw haar valse beschuldigingen enkel en alleen inzet om de man uit het leven van de minderjarige te bannen.

Kenmerkend voor de vrouw is dat zij meerdere door haar zelf uitgekozen “deskundigen” inzet en die voorziet van haar eenzijdige en leugenachtige verhaal om daarmee de man te belasten.

De man ziet het verzoek van de vrouw om een contra expertise dan ook niet anders dan een nieuwe poging van de vrouw om wederom het proces te vertragen. Daarnaast vraagt de man zich af of de vrouw na het contamineren van het onderzoek bij FORA in feite niet al een tweede kans heeft gehad: ditmaal bij het NIFP.

De man stelt dat de vrouw een zeer ernstige en kwalijke drogreden verkondigt. Zij voert de door haar zelf veroorzaakte periode van het ontbreken van contact tussen de man en de minderjarige aan als reden om de huidige situatie vooral in stand te houden, onder het mom dat het nu zo goed gaat met de minderjarige. In feite wil de vrouw zichzelf belonen voor haar “contempt of court”.

Er is volgens de man geen toestemming gevraagd en/of verleend om over de deskundigenrapporten een product review uit te voeren. Om bovenstaande reden dient de door mevrouw [persoon 5] gemaakte product review naar het oordeel van de man buiten beschouwing te worden gelaten. Daarnaast heeft zij niet alle voorhanden stukken meegenomen in haar product review. Ook maakt de product review duidelijk dat mevrouw [persoon 5] over onjuiste en onvoldoende dossierkennis beschikt. Zij gaat kennelijk wederom (volledig) af op de beweringen van de vrouw. Ook heeft zij het Raadsrapport van 8 juli 2010 er niet bij betrokken en is zij er niet van op de hoogte dat dit rapport niet door de Raad is ingetrokken. Daarnaast is mevrouw [persoon 5] niet objectief en kan zij, mede door haar zeer ongepaste en vijandige opmerking tegenover de man, alleen al om die reden niet serieus worden genomen als onafhankelijke deskundige.

Ook is volgens de man opvallend dat mevrouw [persoon 5] geen, althans weinig aandacht heeft voor de zeer verontrustende uitlatingen van de minderjarige naar de onderzoekers toe (en waar deze vandaan komen).

De vrouw

De vrouw stelt dat de onderzoeksters zich, naast de feitelijke onjuistheden en omissies, onvoldoende baseren op de huidige wetenschappelijke gezaghebbende inzichten en standaard. De onderzoeksters hebben niet de vereiste objectiviteit in acht genomen, cruciale feiten genegeerd en zelfs geloochend, en niet alle personen waar zij wel uitspraken over doen en meningen over uiten zelfs maar uitgenodigd voor een gesprek, laat staan daadwerkelijk gesproken. De vrouw stelt dat op basis van de rapportages en adviezen van de onderzoeksters geen waarheidsgetrouwe beslissingen kunnen worden genomen.

Daarbij hebben het NIFP en de onderzoeksters de vrouw ten onrechte, en tot schade van [minderjarige], de mogelijkheid ontnomen om hun aanpak tijdig te toetsen aan de huidige wetenschappelijke standaard en werkelijkheid. De op de door onderzoeksters geconstrueerde quasi-‘waarheid’ gebaseerde adviezen, missen naar haar overtuiging ieder realiteitsgehalte.

De onderzoeksters hebben daarnaast bij hun onderzoeksopzet, bij de uitvoering van hun onderzoek en bijgevolg ook bij hun daaruit voortvloeiende rapportages in essentiële mate onvoldoende rekening gehouden met de serieuze risicotaxatie die in het dossier aanwezig was. Zij blijken zelfs geen enkel onderzoek te hebben gedaan naar de cruciale risicofactoren voor [minderjarige] in relatie tot zijn vader. Het (voor)oordeel dat [minderjarige] contact dient te hebben met beide ouders, lijkt te prevaleren boven enige andere overweging, en boven het belang van [minderjarige]. De onderzoeksters creëren daardoor gevaar voor [minderjarige] en voor haar en bovendien vergroten zij de risico’s in plaats van dat zij de bestaande risico’s uitsluiten. Doordat en zolang er geen enkel serieus onderzoek is geweest naar de verdenkingen tegen de vader en er geen enkele opheldering is voor het ontstaan van het letsel van [minderjarige] en de meldingen door [minderjarige] alsmede voor de signalen die [minderjarige] geeft van kindermishandeling en seksueel misbruik door zijn vader, kan er naar inzicht van de vrouw geen sprake zijn van een veilig en positief contact tussen [minderjarige] en de vader dat in het belang is van [minderjarige].

Volgens de vrouw kan niet anders worden geconcludeerd dan dat alle bronnen bevestigen dat het heel goed gaat met [minderjarige]. Er is veiligheid, continuïteit, geborgenheid en perspectief voor een goede ontwikkeling. De vergaande en zeer ingrijpende interventie die nu door de onderzoeksters wordt geadviseerd, is naar de mening van de vrouw volstrekt in strijd met de werkelijkheid van moeder en kind en strijdig met de belangen en het welzijn van [minderjarige].

De door de onderzoeksters geconstateerde aversie van [minderjarige] tegen zijn vader kan volgens de vrouw worden gezien als een teken van PTSS. Dat deze aversie van [minderjarige] niet autonoom zou zijn en niet door de gedragingen van de vader zelf tijdens de omgang bij [minderjarige] zou zijn veroorzaakt, is volgens de moeder slechts gebaseerd op de vooroordelen dan wel veronderstellingen van onderzoeksters en wordt niet gedragen door enig feit. Gezien deze aversie alsook gezien het tijdsverloop meent de vrouw dat de verzochte wijziging van de hoofdverblijfplaats dient te worden afgewezen. De vrouw meent dat de man met het doen van dit verzoek heeft aangetoond de realiteit geheel uit het oog te zijn verloren.

De vrouw stelt dat de methode om aan de hand van een spel met anatomische poppen vast te stellen of een kind al dan niet misbruikt is, al jaren geleden ernstig in diskrediet is gebracht. Onderzoeksters hebben desalniettemin voornoemde methode gebruikt en daar vergaande conclusies aan verbonden. Alleen al daardoor kan gesteld worden dat de rapportages niet voldoen aan de eisen die daar in redelijkheid aan gesteld mogen worden. Onderzoeksters gaan er totaal aan voorbij dat zeker bij kinderen op een dergelijke jonge leefijd als die van [minderjarige] het herstelvermogen groot is. De vrouw is van mening dat doordat [minderjarige] liefdevol is opgevangen door zijn sociale omgeving en in veiligheid is gebracht, zodanig dat hij geen contact meer heeft gehad met zijn vader. er bij hem momenteel niet veel actueel trauma te zien is en deze hooguit bovenkomt als een en ander getriggerd wordt of als [minderjarige] te horen krijgt dat hij toch naar zijn vader toe moet.

De rapportages over de vader schieten naar het inzicht van de vrouw volledig tekort. Zo worden de zeer zorgelijke signalen ten aanzien van de man compleet genegeerd.

Zo geeft mevrouw [persoon 2] in haar rapport aan dat de man een zwak gestructureerde persoonlijkheid heeft, wat zich onder meer uit in beperkte woedebeheersing, krenkbaarheid en zwakke copingvaardigheden om stress het hoofd te bieden.

De vrouw stelt zich dan ook op het standpunt dat de vader niet over voldoende ouderschapskwaliteiten beschikt om contact tussen hem en [minderjarige] in het belang van het kind te achten. Nu de door de rechtbank gelaste onderzoeken hier geen duidelijkheid in hebben gebracht kunnen die naar inzicht van de vrouw bezwaarlijk ten grondslag worden gelegd aan enige beslissing inhoudende dat er weer contact tussen vader en zoon zou moeten komen.

Het stoort de vrouw dat in hoge mate wordt gesuggereerd dat [minderjarige] onderdeel is van een heftige echtscheidingsstrijd. Uit geen enkele afgenomen test of ingewonnen informatie blijkt dat het slecht zou gaan met [minderjarige] of dat hij last zou hebben van die echtscheidingsstrijd. Daarbij komt dat de onderzoekster stellen dat in de verdere toekomst zich mogelijke een loyaliteitsconflict kan voordoen als er niet direct een zeer ingrijpende interventie zou plaatsvinden. De echte motieven voor deze voorgestelde, ingrijpende en onomkeerbaar beschadigende interventie blijven ten onrechte in het duister.

De vrouw wenst tegenbewijs te kunnen leveren middels het doen uitvoeren van een contra-expertise. Zij heeft hiertoe een product review van mevrouw [persoon 5] overgelegd.

Uit deze review komt onder meer naar voren dat de onderzoeken en de rapportages van het NIFP tekortkomingen behelzen zoals gebruik en interpretatie van ‘tests’, die als onwetenschappelijk te boek staan (poppenmethode, tekening van een bloot jongetje), ondeskundige en onvolledige interpretatie van tests (TAT, spel-observatie [minderjarige]), selectief rapporteren en interpreteren van de data, onvoldoende verankering van diagnostische conclusies in de data, onvoldoende rekening houden met de context waarin het onderzoek plaatsvindt, onvoldoende overweging van alternatieve hypothesen (‘conformation-bias’/vooringenomenheid) en de psychologische belangen en het welzijn van het kind onvoldoende centraal stellen. Deze tekortkomingen zijn volgens mevrouw [persoon 5] zodanig dominant aanwezig en ernstig dat geconcludeerd dient te worden dat van een onafhankelijk en objectief onderzoek en rapportage geen sprake is. Mevrouw [persoon 5] adviseert de rechtbank met klem, gezien de ondeugdelijkheid en vooringenomenheid van de huidige onderzoeken en rapportages, de adviezen, zoals geformuleerd in deze rapportages, te negeren.

Dat de door de rechtbank benoemde deskundigen meer tijd hebben genomen dan thans aan partijen is vergund om zich te voorzien van ter zake deskundig advies dan wel een contra-expertise is volgens de vrouw in strijd met de fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde. Met beroep op artikel 6 EVRM en artikel 3 IVRK meent de vrouw te verzoeken haar een redelijke termijn te vergunnen waarbinnen zij aanvullende stukken van door haar zelf ingeschakelde deskundigen bij de rechtbank kan indienen.

Daarnaast verzoekt de vrouw vervangende toestemming te verlenen om alle ruwe test- en onderzoeksgegevens over [minderjarige] alsook van de eerste contactrapportage die er over hem is gemaakt welke is voorgelegd aan het NIFP voor feedback ter beschikking te stellen aan mevrouw [persoon 5] voor een second opinion.

De vrouw stelt zich gelet op het bovenstaande op het standpunt dat bepaald dient te worden dat [minderjarige] zijn gewone hoofdverblijfplaats bij haar zal hebben, dat de omgang minimaal tot het twaalfde levensjaar van [minderjarige] geschorst blijft, dan wel zoveel korter als dat [minderjarige] zelf aangeeft zijn vader wel te willen zien.

Daarnaast wenst zij alleen met het gezag belast te worden aangezien de man zijn positie anders kan blijven misbruiken in strijd met het belang van [minderjarige].

De Raad

De Raad is van mening dat niets het starten van begeleide omgang tussen de man en de minderjarige op dit moment in de weg staat. De minderjarige dient een evenwichtig beeld te krijgen van zijn vader. Op dit moment heeft [minderjarige], omdat hij enkel het referentiekader van de vrouw kent, niet de vrije keuze om zijn zijnsloyaliteit te benutten. Dit dient volgens de Raad te veranderen. Daarnaast stelt de Raad dat de ouders en niet het kind de keuze dienen te maken of er contact is.

BJAA

BJAA volgt de adviezen van de door het NIFP aangezochte deskundigen. BJAA ziet onvoldoende redenen om te bepalen dat er geen contact dient te zijn tussen de man en de minderjarige. BJAA adviseert om zo spoedig mogelijk via De Bascule te beginnen met speltherapie voor [minderjarige] en gesprekken met de ouders en daarnaast de omgang onder begeleiding van BJAA op te starten. De Bascule kan op korte termijn starten maar beide ouders dienen hier dan wel achter te staan en hun medewerking hieraan te verlenen.

Indien het traject bij De Bascule niet op gang komt zal BJAA bekijken of een machtiging uithuisplaatsing nodig is aangezien BJAA van mening is dat het in het belang van de minderjarige is dat contactopbouw met zijn vader gaat plaatsvinden. Er dient volgens BJAA iets te gebeuren om weer beweging in deze zaak te krijgen.

4 De verdere beoordeling

Vervangende toestemming in verband met second opinion

De vrouw heeft bezwaren tegen het onderzoeksrapport dat door de door het NIPF aangezochte deskundigen is opgemaakt. Deze bezwaren onderbouwt de vrouw onder andere met een product review van mevrouw [persoon 5].

Ten eerste stelt de rechtbank dat artikel 6 EVRM met zich meebrengt dat partijen voldoende in de gelegenheid dienen te worden gesteld om op het uitgebrachte deskundigenrapport ten overstaan van de rechter hun reactie te kunnen geven. Nu partijen zowel een (verlengde) schriftelijke ronde is gegund en zij daarnaast ter zitting hun reactie hebben kunnen geven op het deskundigenrapport is de rechtbank van oordeel dat niet, zoals de vrouw stelt, in strijd met de fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde is gehandeld.

Ten tweede geldt op grond van de geldende jurisprudentie dat de waardering van deskundigenbewijs is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat hij daarbij een grote mate van vrijheid heeft. In beginsel heeft de rechter een beperkte motiveringsplicht ook wat betreft zijn beslissing de zienswijze van de deskundige al dan niet te volgen; de inhoud van deze motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het bewijsmateriaal en de aard en de mate van precisering van de daartegen door partijen aangevoerde bezwaren. Deze waarderingsvrijheid en deze beperkte motiveringsplicht gelden, naar het voorkomt, ook ten aanzien van het oordeel van de rechter omtrent de betrouwbaarheid van het bericht van de deskundige in het licht van diens (betwiste) deskundigheid.

Gelet op de ter zitting gevoerde discussie, de door mevrouw [persoon 5] aangevoerde argumenten en de reactie van mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] is naar het oordeel van de rechtbank door mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] voldoende aangetoond dat zij de vereiste objectiviteit in acht hebben genomen en de psychologische belangen en het welzijn van [minderjarige] centraal hebben gesteld. Daarnaast is volgens de rechtbank onvoldoende gebleken dat zij zich niet hebben gebaseerd op de huidige wetenschappelijke gezaghebbende inzichten en standaarden. De rechtbank is dan ook, in tegenstelling tot mevrouw [persoon 5] en anders dan de vrouw, van oordeel dat mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] onafhankelijk en objectief onderzoek hebben gedaan. Ook de Raad en BJAA, die geacht worden eveneens deskundigen te zijn ten aanzien van de problematiek die in deze zaak aan de orde is, gaan op de deskundigheid van mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] af.

Daarnaast heeft de vrouw voorafgaand aan het onderzoek door het NIFP ingestemd met de geschetste aard van het onderzoek en de geformuleerde vraagstelling zodat de rechtbank aan de opmerkingen van de vrouw daaromtrent voorbij gaat. Tot slot is de product review enkel gebaseerd op standpunten en stukken die mevrouw [persoon 5] van de vrouw heeft ontvangen en niet gebaseerd op gesprekken met de man dan wel met [minderjarige].

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om de rapporten van mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] buiten beschouwing te laten. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de vrouw in de gelegenheid te stellen om een second opinion aan te vragen en zal derhalve geen vervangende toestemming verlenen om de ruwe test- en onderzoeksgegevens over [minderjarige] alsook van de eerste conceptrapportage die er over hem is gemaakt welke is voorgelegd aan het NIFP ter beschikking te stellen aan mevrouw [persoon 5].

De Bascule

De rechtbank acht het prijzenswaardig dat BJAA nogmaals wil proberen om door middel van De Bascule partijen, en in dit geval voornamelijk de vrouw, in beweging te krijgen. De rechtbank ziet echter geen enkel draagvlak bij de vrouw om een dergelijk traject op te starten nu de vrouw ter zitting, bij monde van haar advocaat, heeft aangegeven dat omgang tussen de man en [minderjarige] volstrekt onaanvaardbaar is en dat moet worden bepaald dat de omgang tot het twaalfde levensjaar van [minderjarige] geschorst dient te blijven.

De rechtbank zal het door BJAA voorgestelde traject bij De Bascule dan ook niet volgen.

Hoofdverblijfplaats/Gezag/Omgangsregeling

De rechtbank is van oordeel dat aan de oppervlakte wellicht geen kind-signalen te ontdekken zijn, maar dat uit de rapportages van de deskundigen en de standpunten van zowel de Raad als BJAA blijkt dat er andere serieuze signalen zijn om aan te nemen dat het niet in het belang van [minderjarige] is om verstoken te blijven van contact met zijn vader. Daarnaast is uit de overgelegde stukken op geen enkele wijze gebleken dat er in het verleden sprake is geweest van kindermishandeling dan wel seksueel misbruik.

Nu de vrouw geen enkele medewerking aan een contactregeling tussen de man en [minderjarige] wenst te verlenen, schaadt de vrouw de belangen van [minderjarige] en de man dusdanig dat zij de rechtbank geen andere keuze laat dan te bepalen dat [minderjarige] op een andere plek dan bij haar ondergebracht dient te worden.

De man heeft aangegeven dat hij de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen; hij zal ervoor zorg dragen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige] (onder begeleiding van BJAA) gewaarborgd blijft en dat [minderjarige] de hulpverlening krijgt die door zowel de deskundigen als de Raad en BJAA nodig wordt geacht.

Nu er thans geen verzoek ligt tot plaatsing van [minderjarige] in een crisisgezin en de rechtbank hiertoe niet ambtshalve kan beslissen, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man. Gelet op de houding van de vrouw in het verleden en thans, heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat de vrouw zal handelen in het belang van [minderjarige] zoals geschetst in de rapportages en geadviseerd door de Raad en BJAA. Het ingrijpende karakter van deze beslissing voor alle betrokkenen heeft de rechtbank in haar overwegingen meegewogen. Met het oog op de toekomstige evenwichtige ontwikkeling van [minderjarige] is naar het oordeel van de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dit de meest wenselijke beslissing. De omstandigheid dat [minderjarige] onder toezicht van BJAA staat dient te waarborgen dat zo spoedig mogelijk de nodige hulp voor hem wordt opgestart om hem hierin te begeleiden.

De hoofdregel is dat partijen het gezamenlijk gezag uitoefenen over hun kind na de ontbinding van hun huwelijk. De rechtbank acht de communicatieproblemen tussen partijen in deze zaak echter zodanig ernstig en partijen hebben een zodanig andere visie op wat in het belang van de minderjarige moet worden geacht, dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen zijn ouders terwijl niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Nu [minderjarige] bij de man zijn hoofdverblijfplaats zal krijgen, de man het contact tussen de vrouw en [minderjarige] niet zal frustreren, de man de hulpverlening voor [minderjarige] zal inzetten die de deskundigen, de Raad en BJAA nodig achten en hij daarnaast de communicatie tussen de vrouw en hemzelf in het belang van [minderjarige] weer zou willen opstarten, is de rechtbank van oordeel dat de man alleen met het gezag over [minderjarige] belast dient te worden. BJAA dient er voor zorg te dragen dat zo spoedig mogelijk speltherapie bij de Bascule opgestart zal worden en dat het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder op een zo verantwoord mogelijke wijze gecontinueerd zal worden. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de begeleiding van de omgang tussen de vrouw en [minderjarige] zal plaatsvinden volgens de aanwijzingen van BJAA en dat partijen beiden hun medewerking hieraan dienen te verlenen

Paspoort

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man dient mee te werken aan afgifte van een paspoort en dat de vrouw het paspoort van het kind in haar beheer heeft. De rechtbank heeft tot op heden de beslissing met betrekking tot het paspoort aangehouden totdat wordt beslist omtrent de hoofdverblijfplaats dan wel het gezag. Gelet op de beslissing van de rechtbank dat de man met het eenhoofdig gezag belast zal worden, zal de rechtbank dit verzoek van de vrouw afwijzen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man de beschikking zal hebben over het paspoort van [minderjarige].

Kinderbijdrage

De man geeft aan (in zijn brief van 26 juli 2013) dat de rechtbank nog een beslissing dient te nemen ten aanzien van de aanpassing van de kinderbijdrage indien de omgangsregeling wijzigt.

Op 14 maart 2012 heeft de rechtbank uitgaand van het verblijf van [minderjarige] bij de vrouw een definitieve kinderbijdrage vastgesteld en het meer of anders verzochte met betrekking tot de kinderbijdrage afgewezen. Nu de man niet expliciet om een wijziging van deze beschikking heeft verzocht, ziet de rechtbank geen mogelijkheden om, ondanks dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats bij de man zal bepalen, de vastgestelde kinderbijdrage te wijzigen.

Kinderopvangtoeslag

De man verzoekt (in zijn brief van 17 oktober 2013) aanvullend te bepalen dat hij in verband met de kinderopvangtoeslag een vordering heeft op de vrouw ter hoogte van € 5.654,- en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hij voert hiertoe aan dat de bedragen over 2007 en 2008 een gezamenlijke schuld betreffen. De man stelt pas op 8 januari 2010 voor het eerst begonnen te zijn met terugbetalen van de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag, deze datum is gelegen na de peildatum. De man stelt daarnaast dat de vrouw de bedragen over 2009 en 2010 geheel aan hem terug dient te betalen, daar zij deze bedragen dubbel heeft ontvangen. Het bedrag over 2009 wat door de man is ontvangen heeft hij aan de crèche betaald. De vrouw heeft in die periode eveneens een verzoek voor kinderopvangtoeslag ingediend en ontvangen. In 2010 heeft de vrouw een bedrag van € 399,- zonder zijn toestemming en na de peildatum van de gezamenlijke rekening gehaald, zogenaamd ten behoeve van de kinderopvang, terwijl zij vanuit de Belastingdienst op haar eigen naam hier een eigen tegemoetkoming voor kreeg.

Hetgeen de vrouw aanvoert op de laatste pagina van haar pleitnotie, te weten dat de aanvulling van het verzoek van de man met een financieel verzoek moet worden afgewezen dan wel dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de verdelingsprocedure tot in de hoogste instantie is uitgeprocedeerd, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking op dit verzoek nu in de verdelingsprocedure is bepaald dat de man niet-ontvankelijk was in zijn verzoek aangaande de kinderopvangtoeslag omdat hij onvoldoende gemotiveerd gesteld heeft waarom deze vordering in een dergelijk procedure zou passen.

De rechtbank heeft daarentegen eerder in deze procedure in haar beschikking van 14 maart 2012 bepaald dat beide ouders verantwoordelijk zijn voor de te veel ontvangen kinderopvangtoeslag. Op dat moment stond nog niet vast wat het uiteindelijke bedrag was wat de man (en wellicht ook de vrouw) terug diende te betalen aan de belastingdienst en was daarnaast niet inzichtelijk waaraan en door wie het teveel betaalde was uitgegeven. De rechtbank kon vanwege de onbepaaldheid destijds vooralsnog geen beslissing hieromtrent nemen en heeft het verzoek destijds dan ook afgewezen.

Nu de man wederom verzoekt te bepalen dat hij een vordering heeft op de vrouw en thans vast staat wat het bedrag is dat de man dient terug te betalen en de vrouw dit verzoek onvoldoende onderbouwd heeft betwist zal de rechtbank dit verzoek van de man toewijzen.

Kosten deskundigenonderzoek

Nu de door NIFP aangezochte deskundigen hun onderzoek hebben afgesloten, zal de rechtbank thans beslissen over de aan het onderzoek verbonden kosten.

Uit de gespecificeerde eindnota’s van de deskundigen blijkt dat de totale kosten van het onderzoek € 30.709,53 (mevrouw [persoon 1]: € 15.463,53 en mevrouw [persoon 2]: € 15.246,-) bedragen.

De vrouw gaat niet akkoord met de declaraties zoals die zijn ingediend door het NIFP.

De vrouw verzoekt primair dat de declaraties ten laste van ’s Rijks kas komen. Indien het in het belang van het kind nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt de bepaling van artikel 284 lid 1 Rv de rechter de ruimte een deskundige aan te wijzen zonder dat partijen die hoeven te betalen. De kosten voor een dergelijk onderzoek komen dan voor ’s Rijks kas.

Subsidiair verzoekt de vrouw de zaak aan te houden zodat zij zich kan voorzien van een second opinion en ook op inhoudelijk gronden de declaraties kan beoordelen. De rapportages voldoen volgens de vrouw niet aan de wetenschappelijke standaard en daarmee zou zij niet gehouden zijn om enige vergoeding te voldoen.

Meer subsidiair verzoekt de vrouw de declaraties te matigen. Volgens haar valt op dat de declaraties naadloos aansluiten bij de laatst uitgebrachte offertes. Zij betwijfelt dan ook of de bedragen die in rekening worden gebracht nu gebaseerd zijn op daadwerkelijk bestede tijd, dan wel simpelweg aansluiting is gezocht bij de laatst uitgebrachte offerte. Zij komt voor het onderzoek van mevrouw [persoon 2] uit op een bedrag dat minimaal € 5.670,- lager zou moeten zijn en voor mevrouw [persoon 1] heeft te gelden dat dit minimaal zo’n € 7.500,- lager zou moeten zijn. Volgens de vrouw staan de geleverde werkzaamheden geenszins in verhouding tot de gevraagde vergoeding en de kwaliteit van die werkzaamheden. Daarnaast valt niet in te zien dat de in rekening gebrachte reiskosten in redelijkheid nodig waren voor de uitvoering van deze opdracht, nu de deskundigheden van mevrouw [persoon 2] en mevrouw [persoon 1] ook in Amsterdam beschikbaar zijn. Daarnaast valt het de vrouw op dat mevrouw [persoon 2] exorbitant veel reistijd opvoert, mede doordat zij heeft nagelaten de verschillende afspraken in Amsterdam met elkaar te combineren.

De man verzoekt primair te bepalen dat de kosten totaal ten laste komen voor rekening van ’s Rijks kas, mede gezien het feit dat het onderhavige onderzoek zowel door Jeugdzorg, als door de Raad is verzocht.

Subsidiair verzoekt de man dat de kosten voor het deskundigenonderzoek totaal ten laste komen voor rekening van de vrouw, daar zij verantwoordelijk is voor het mislukken van het eerdere onderzoek bij FORA en hiermee een spoedig contactherstel tussen hem en de minderjarige heeft gefrustreerd, alsmede wederom vanwege de houding en gedragingen van de vrouw tijdens dit onderzoek (o.a. het niet opleveren van stukken aan het NIFP, het uiteindelijk inbrengen van extra stukken bij het NIPF zonder melding hiervan te doen bij de man, het niet zorgen voor voldoende basis voor een interactieobservatie tussen de man en de minderjarige en de inhoud van de reactie van de vrouw op de rapporten van het NIFP) en het algemene standpunt van de vrouw, welke zij nog steeds inneemt, waarbij de ernst van de beschuldigingen jegens hem nog extremere vormen aanneemt (ze haalt nu zelfs de broertjes [persoon 6] en [persoon 7] en anderen aan en vergelijkt deze situatie met zijn situatie).

Meer subsidiair verzoekt de man dat de kosten voor het deskundigenonderzoek voor wat betreft de kosten hoger dan € 7.215,25 (het eerdere begrote bedrag van het FORA-onderzoek), ten laste komen voor rekening van de vrouw in verband met het door haar laten mislukken van het eerder onderzoek bij FORA (het hof heeft aangegeven dat de vrouw voor het mislukken van het onderzoek verantwoordelijk is).

Uiterst subsidiair verzoekt de man dat de kosten voor het deskundigenonderzoek in een nader door de rechtbank te bepalen verhouding worden vastgesteld (deel ’s Rijks kas, deel vrouw en deel man), waarbij rekening gehouden wordt met bovenstaande punten.

De rechtbank ziet, gelet op het feit dat de door het NIFP aangezochte deskundigen

hun werkzaamheden hebben verricht op de voet van een benoeming als deskundige door de rechtbank op verzoek van partijen, in de door partijen aangevoerde gronden onvoldoende aanleiding de kosten voor rekening van ’s Rijks kas te laten komen. Er is volgens de rechtbank geen sprake van een doorverwijzing naar een deskundige door de Raad dan wel door BJAA, zodat de rechtbank ook gelet hierop niet zal bepalen dat het Rijk de kosten zal dragen.

De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld geen reden te ziet voor een second opinion zodat de rechtbank de zaak hieromtrent niet zal aanhouden zoals door de vrouw wordt verzocht.

De door het NIFP aangezochte deskundigen hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht verschaft in de kosten die zij hebben moeten maken voor het verrichten van het onderzoek. De door hen opgevoerde kosten komen de rechtbank, mede gelet op het omvangrijke dossier, niet bovenmatig voor. Ten aanzien van de reiskosten merkt de rechtbank op dat partijen ermee hebben ingestemd dat het NIFP de deskundigen zou aanzoeken en dat daarbij niet vooraf is aangegeven dat deze deskundigen in de buurt van Amsterdam dienden te werken. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de kosten van het deskundigenonderzoek te matigen. Nu beide partijen hebben meegewerkt aan dit onderzoek en vanwege de omstandigheden van deze familierechtelijke zaak en de vragen waarop het deskundigenonderzoek betrekking heeft, is de rechtbank van oordeel dat de kosten door elk der partijen bij helfte betaald dienen te worden.

De kosten voor het deskundigenonderzoek worden dan ook door de rechtbank op het bedrag vastgesteld genoemd in de door de deskundigen overgelegde gespecificeerde eindnota’s. Partijen zullen ieder worden veroordeeld om een bedrag van € 15.354,77 te voldoen. De rechtbank heeft van beide partijen het voorschot en het aanvullend voorschot ontvangen. Nu het vastgestelde voorschot niet toereikend is, beveelt de rechtbank partijen dat zij ieder de helft van het restbedrag, te weten € 955,53, rechtstreeks aan de door het NIFP ingeschakelde deskundigen dienen te betalen. Zo dienen partijen ieder nog een bedrag van € 238,88 over te maken naar zowel mevrouw [persoon 1] als mevrouw [persoon 2].

De rechtbank acht het ongeacht het vorenstaande redelijk om de kosten die de deskundigen hebben moeten maken om ter zitting aanwezig te zijn voor ’s Rijks kas te laten komen. Deze kosten zullen dan ook niet in rekening worden gebracht bij partijen.

Vervolgkosten in verband met herstelproces [minderjarige]

De man acht de vrouw volledig verantwoordelijk voor de huidige ontstane situatie van de minderjarige, waardoor de eventuele kosten die gemaakt moeten worden voor het herstelproces bij de minderjarige (en voor de man) geheel voor haar rekening dienen te komen, althans in een door de rechtbank nader te bepalen mate voor rekening van de vrouw dienen te komen.

Nu het thans nog onduidelijk is of en zo ja welke kosten de man in de toekomst zal moeten gaan maken voor het herstelproces bij de minderjarige zal de rechtbank met deze kosten geen rekening houden en het verzoek afwijzen.

Kosten geding

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Voorlopige voorzieningen

Voor zover er nog verzoeken van partijen openstonden in de voorlopige voorzieningen procedures zal de rechtbank, nu zij in de bodemzaak omtrent deze onderwerpen hierna een beslissing zal nemen, deze verzoeken wegens gebrek aan belang afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak met nummer 441900 / FA RK 09-8346

- belast de vader met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:

[minderjarige],
geboren te [plaats] op [2006],

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

- bepaalt dat voornoemde minderjarige hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;

- bepaalt in het kader van een omgangsregeling dat de moeder met voornoemde minderjarige omgang zal hebben in een frequentie en op een wijze zoals door BJAA te bepalen;

- stelt de kosten van het deskundigenonderzoek door het NIFP vast op € 30.709,53, inclusief BTW;

- veroordeelt beide partijen in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek ad

€ 15.354,77;

- beveelt partijen ieder een bedrag van € 238,88, zijnde een vierde van het restantbedrag van de eindnota’s, binnen veertien dagen na heden te voldoen aan mevrouw [persoon 1];

- beveelt partijen ieder een bedrag van € 238,88, zijnde een vierde van het restantbedrag van de eindnota’s, binnen veertien dagen na heden te voldoen aan mevrouw [persoon 2];

-bepaalt dat de kosten van de deskundigen, voor mevr. dr. [persoon 1] € 1087,79 (incl BTW) en mevr. drs. [persoon 2] € 812,52 (incl BTW), gemaakt in het kader van de mondelinge behandeling ter zitting van 29 oktober 2013 ten laste komen van ’s Rijks kas en draag de griffier op zorg te dragen voor betaling van deze nota’s;

- bepaalt dat de man in verband met de kinderopvangtoeslag een vordering heeft op de vrouw ter hoogte van € 5.654,-;

- verklaart deze beschikking tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

- wijst het meer of anders verzochte af.

in de zaken met nummer 450327 / FA RK 10-871 en 455957 / FA RK 10-2810

- wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. de Vos, voorzitter tevens kinderrechter, mr. D.C. van Reekum en mr. H.L.L. Briët, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.M.M. Zuidwijk, griffier, op 27 november 20131

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.