Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7688

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
C/13/551795 / KG ZA 13-1264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Gehengen en gedogen ontruiming Kraanspoor vanwege ernstige klimaatklachten. Vordering afgewezen. Geen kennelijke misslag of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/551795 / KG ZA 13-1264 MvW/SvE

Vonnis in kort geding van 20 november 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDTV MEDIA GROUP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 23 oktober 2013,

advocaat mr. F.C. Borst te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

COMMERZ REAL SPEZIALFONDSGESELLSCHAFT MBH,

gevestigd te Wiesbaden (Duitsland),

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Tuinman te Amsterdam,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ING VASTGOED ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

voegende partij aan de zijde van gedaagde,

advocaat mr. B.D.A. Zwart te Rotterdam.

Partijen zullen hierna IDTV, CRS en ING Vastgoed genoemd worden.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 6 november 2013 heeft IDTV gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. CRS heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. ING Vastgoed heeft een incidentele vordering tot voeging aan de zijde van CRS ingediend, waarvan eveneens een fotokopie aan dit vonnis is gehecht. De voorzieningenrechter heeft de voeging toegestaan, aangezien ING Vastgoed hierbij een belang heeft en de andere partijen in dit geding hiertegen geen bezwaren hebben aangevoerd. ING Vastgoed heeft geconcludeerd tot afwijzing van de door IDTV ingestelde vorderingen. Partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter terechtzitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

aan de zijde van IDTV:[persoon 1] (directeur; hierna: [persoon 1]), mr. [persoon 2] (bedrijfsjurist), met mr. Borst;

aan de zijde van CRS: [persoon 3] (directeur; hierna: [persoon 3]), [persoon 4] (adviseur Installatie & Energie bij Traject; hierna: [persoon 4]) met mr. Tuinman;

aan de zijde van ING Vastgoed: A. de Gier, mr. Zwart en mr. J.R. Wildeboer, kantoorgenoot van mr. Zwart.

2 De feiten

2.1.

CRS is eigenaar van het kantoorgebouw in Amsterdam-Noord, bekend onder de naam Kraanspoor. ING Vastgoed is opgetreden als projectontwikkelaar van Kraanspoor. ING Vastgoed heeft het recht van erfpacht met betrekking tot Kraanspoor met ingang van 15 februari 2008 aan CRS overgedragen.

2.2.

Kraanspoor heeft een oppervlakte van ca. 12.500 m2. IDTV was de eerste huurder van Kraanspoor. Zij huurt sedert 15 augustus 2007 omstreeks 4.586 m2 kantoorruimte en 400 m2 archiefruimte, aanvankelijk van ING Vastgoed en na 15 februari 2008 van CRS. De aanvangshuurprijs bedroeg € 841.374,- ex BTW per jaar. In de op 24 februari 2006 en 27 maart 2006 gedateerde huurovereenkomst staat de volgende bepaling:

8.30 Afwijkingen algemene bepalingen:

1) Artikel 11.5 van de algemene bepalingen is niet van toepassing.

2) Artikel 11.6 van de algemene bepalingen wordt aangevuld met nieuwe zinsnede aan het einde: “Het vorenstaande is niet van toepassing in geval van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de verhuurder” (…)”.

In de van de huurovereenkomst onderdeel uitmakende ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte’ (hierna: de Algemene bepalingen) staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Schade en aansprakelijkheid

(…)

11.5

Verhuurder is niet aansprakelijk voor de gevolgen van gebreken, die hij niet kende of behoorde te kennen bij het aangaan van de huurovereenkomst.

11.6

Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade toegebracht aan de persoon of goederen van huurder en huurder heeft geen recht op huurprijsvermindering, geen recht op verrekening of opschorting van enige betalingsverplichting en geen recht op ontbinding van de huurovereenkomst in geval van vermindering van het huurgenot ten gevolge van gebreken, waaronder die ten gevolge van zichtbare en onzichtbare gebreken aan het gehuurde of het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt, (…) stagnatie in de voorziening van (…) warmte, ventilatie of luchtbehandeling (…)”

2.3.

Voorafgaande aan de constructie van Kraanspoor is de “Beknopte technische omschrijving kantoorgebouw Kraanspoor Amsterdam-Noord” opgesteld. Van de voorlopige versie d.d. 10 december 2004, die door ING Vastgoed en IDTV is getekend, is hier relevant:

1.9 Klimaatinstallatie

Voor het verwarmings- en koelingsysteem zal gebruik worden gemaakt van het IJ-water. (…) De volgende temperaturen zullen bij een buitentemperatuur van -7C en een windsnelheid van 8 m/s in de verschillende ruimten worden gehandhaafd:

kantoren 22°C

hoofdtrappenhuizen, toiletten, hallen en entrees 18°C

technische ruimten 10°C”

2.4.

IDTV ondervindt reeds vanaf aanvang van de huurovereenkomst problemen met het klimaat van Kraanspoor. IDTV heeft CRS op 26 januari 2011 in rechte betrokken.

2.5.

Artona Asset Management B.V. (hierna: Artona), beheerder van CRS, heeft Herman de Groot Ingenieurs (hierna: Herman de Groot) begin 2012 opdracht gegeven het installatieconcept van Kraanspoor te beschouwen. De opdracht hield in het in kaart brengen van storingsgevoelige onderdelen van de klimaatinstallatie en het omschrijven van maatregelen ter beperking van risico’s en vergroting stabiliteit en bedrijfszekerheid.

2.6.

Bij incidenteel vonnis van 5 april 2012 van de kantonrechter zijn de provisionele vorderingen van IDTV die onder andere strekten tot, kort samengevat, de veroordelingen van CRS om haar toe te staan het gehuurde te ontruimen en de huurbetalingen op te schorten en haar een voorschot van € 1.200.000,- op vergoeding van schade te betalen afgewezen. De kantonrechter heeft hiertoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“24. Aannemelijk is dat IDTV en haar personeel al geruime tijd – in wisselende mate – nadeel ondervinden van de gebrekkige temperatuurregeling. (…)

25. De stelling van IDTV dat de installatie naar verwachting gedurende de resterende duur van de huur niet meer naar behoren zal kunnen functioneren, wordt echter niet gevolgd. CRS en ING hebben een en ander met ondersteuning van technische rapportages gemotiveerd betwist. (…) CRS voert opnieuw onderzoek uit naar de onvolkomenheden van de installatie. (…)”

2.7.

Op 9 januari 2013 heeft Herman de Groot een “Plan van Aanpak” (hierna: het Plan van Aanpak) uitgebracht. In het Plan van Aanpak zijn een aantal aanbevelingen gedaan met enerzijds als doel preventie van calamiteiten die kunnen leiden tot klimaatklachten en anderzijds repressie van de gevolgen van deze calamiteiten. CRS heeft vervolgens Traject Adviseurs en Managers b.v. (hierna: Traject) opdracht gegeven het Plan van Aanpak uit te voeren. Volgens het door Traject opgestelde Projectplan zou de uitvoering van het Plan van Aanpak eind juni 2013 afgerond moeten zijn.

2.8.

Bij tussenvonnis van 6 mei 2013 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, overwogen:

“30. Centraal in dit geding staat de werking van de gebrekenregeling van de artikelen 7:204 t/m 7.210 BW. De artikelen 7:204 en 205 BW zijn voor bedrijfsruimte van regelend recht. In dat kader is van belang hetgeen ING en IDTV in de artikelen 8.30 van de huurovereenkomst jo. 11.5 en 11.6 van de algemene bepalingen zijn overeengekomen. Die bepalingen kunnen niet alleen maar taalkundig worden uitgelegd; van belang is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

(…)

34. Voldoende staat (…) vast dat de klimaatinstallatie – vrijwel – vanaf de oplevering van het gehuurde klachten heeft opgeleverd in de zin dat de overeengekomen temperaturen, die voor een werkbaar binnenklimaat moeten zorgen, met regelmaat niet werden gehaald. (…)

38. (…) De eerste kernverplichting van CRS bestond uit het ter beschikking stellen en houden van het gehuurde. De zorg voor een werkbaar binnenklimaat is te beschouwen als een tweede kernverplichting. (…) Partijen hebben expliciete afspraken over de te realiseren binnentemperatuur gemaakt. CRS had op grond van die afspraken en op grond van de hier te gelden verkeersopvattingen in te staan voor een ongestoorde warmteafgifte en koeling. De omstandigheid dat zij zich heeft ingespannen om de oorzaken op te sporen en oplossingen te vinden doen er niet aan af dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tweede kernverplichting. IDTV is daarom in beginsel gerechtigd om op de voet van artikel 11.6 de ontbinding van de overeenkomst te vorderen. Partijen zijn niet expliciet overeengekomen welke norm ten aanzien van de ontbinding heeft te gelden; die van artikel 6:74 jo. 6:265 BW of die van artikel 7:210 BW. Hun bedoelingen blijken evenmin uit stukken, voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst. Artikel 11.6 wordt aldus uitgelegd dat IDTV zich bij een toerekenbare tekortkoming wél kan beroepen op de gebrekenregeling en daarmee ook op artikel 7:210 BW.

39. (…) Geoordeeld wordt dat ING en CRS – als professionele ontwikkelaar en belegger – (…) de gebreken aan de klimaatinstallatie behoorden te kennen (…) In r.o. 35 en 36 zijn de bevindingen in de diverse rapportages genoemd. Daaruit blijkt voldoende dat ten aanzien van de installatie onjuiste aannames werden gehanteerd en dat zich complexe constructie- en materiaalproblemen voordeden. Er moet daarom vanuit worden gegaan dat de installatie wezenlijke gebreken had, die ING en CRS bij deugdelijke opleveringstesten hadden kunnen of moeten ontdekken. Aan IDTV komt derhalve ook een beroep op artikel 7:207 BW toe.

40. De voormelde mankementen kwalificeren als een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. Voldoende staat vast dat zij invloed hebben (gehad) op het huurgenot. De vraag is in welke omvang het huurgenot is verminderd en of die vermindering grond geeft voor de ontbinding van de huurovereenkomst dan wel voor een evenredige vermindering van de huurprijs. Zoals in het bovenstaande beschreven wordt de vraag naar de ontbinding van de huur beoordeeld in het kader van artikel 7:210 BW. Anders dan IDTV bepleit, bestaat er onvoldoende grond om haar buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst op de voet van die bepaling te volgen. Hoe hinderlijk en hardnekkig de uiteenlopende problemen ook waren en/of zijn, niet kan worden geoordeeld dat zij het genot van het gehuurde geheel onmogelijk hebben gemaakt. De klimaatinstallatie had als doel om het gehuurde te verwarmen en te koelen. Aannemelijk is dat het binnenklimaat herhaaldelijk te koud of te warm is geweest. Niet staat echter vast dat dat in overwegende mate het geval is geweest. Bovendien staat vast dat CRS moeite heeft gedaan om oorzaken en oplossingen te zoeken en dat zij tijdelijke maatregelen heeft getroffen. (…) Onweersproken is bovendien dat het gebouw een aanzienlijke waardevermindering zal ondergaan als de huurovereenkomst met IDTV tussentijds wordt ontbonden. (…)”

De kantonrechter heeft verder overwogen dat niet met een toereikende kennis van de relevante feiten over de aantasting van het huurgenot en een evenredige vermindering van de huurprijs kan worden geoordeeld en dat hij benoeming van een deskundige noodzakelijk acht. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door hem geformuleerde vragen omtrent de benoeming van een deskundige.

2.9.

Bij brief van 24 juli 2013 heeft [persoon 3] [persoon 1] onder meer het volgende medegedeeld:

“Wij kunnen je melden dat alle (en zelfs meer) volgens het plan van aanpak uit te voeren werkzaamheden bij IDTV zijn uitgevoerd, getest en 26 juni jl. zijn opgeleverd. (…) Nu de diverse aanpassingen zijn uitgevoerd, moet de installatie opnieuw ingeregeld (finetuning) worden, Dat neemt naar verwachting tot september/oktober in beslag. Daarnaast is het normaal en te verwachten dat, ondanks dat alles getest en werkend opgeleverd is, er enkele storingen of onvolkomenheden op kunnen treden tijdens het gebruik. (…)”

2.10.

Bij tussenvonnis van 29 augustus 2013 heeft de kantonrechter een deskundigenbericht gelast, Ir. A. Boerstra benoemd tot deskundige en iedere verdere beslissing aangehouden.

2.11.

Bij e-mail van 27 september 2013 heeft [persoon 4] aan onder meer [persoon 1] het volgende medegedeeld:

“In de afgelopen weken hebben zich een aantal verstoringen voorgedaan in de warmtelevering in het pand. Deze zijn veroorzaakt door het volledig uitvallen van de warmtepompen. Uit onderzoek is nu gebleken dat de storingsmeldingen vanuit de installatie, om tot op heden onbekende redenen, niet worden door gemeld naar de onderhoudspartij. Dit heeft tot direct gevolg dat storingen in de warmte- en/of koudelevering pas kan worden opgemerkt als de huurders constateren dat het binnenklimaat verslechtert. Op dit moment wordt met man en macht gewerkt om de doormelding weer functioneel te krijgen. (…) Wij vragen (…) om uw begrip voor deze onvoorziene omstandigheden (…)”

2.12.

[persoon 4] heeft Bos bij e-mail van 14 oktober 2013 onder meer het volgende medegedeeld:

“Zoals afgelopen vrijdag besproken, zal aanstaande zaterdag de vervanging starten van de motoren van de regelklepjes op de convectoren. Zoals gezegd is de serie van 300 stuks (van de 750) geleverd met een productiefout. (…) N.B. Pas na vervanging van alle motoren uit de slechte serie, kan het binnenklimaat onder controle worden gekregen. (…)”

2.13.

Bij brief van 23 oktober 2013 heeft (de advocaat van) IDTV de huurovereenkomst met CRS ontbonden onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter in kort geding zal oordelen dat CRS het vertrek van IDTV uit het gehuurde moet gehengen en gedogen.

3 Het geschil

3.1.

IDTV vordert -samengevat –:

I. CRS te veroordelen te gehengen en gedogen dat IDTV de bij haar in gebruik zijnde ruimtes, niet door IDTV onderverhuurde delen van het pand aan het Kraanspoor 50 te Amsterdam ontruimt en derhalve niet langer gebruikt;

II. CRS te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding als gevolg van voortijdige beëindiging van de huur, onder meer bestaande uit verhuis- en inrichtingskosten ten bedrage van € 676.637,-;

III. CRS te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. CRS te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

CRS en ING Vastgoed voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, indien een bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, de voorzieningenrechter haar oordeel in beginsel moet afstemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (vlg. HR 7 januari 2011, LJN: BP0015).

4.2.

IDTV heeft allereerst betoogd dat sprake is van een kennelijke feitelijke en/of juridische misslag in het vonnis van 6 mei 2013. De kantonrechter heeft onderbouwd aangegeven dat CRS toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichting te zorgen voor een werkbaar binnenklimaat. De kantonrechter kon derhalve niet meer toekomen aan een uitleg van artikel 11.6 van de Algemene bepalingen, omdat dit artikel in die situatie niet van toepassing is. IDTV heeft voorts nimmer een beroep gedaan op artikel 7:210 BW en nimmer bepleit dat het huurgenot geheel afwezig zou zijn, maar slechts dat sprake is van een gebrek dat het huurgenot wezenlijk verminderd en van een dusdanig ernstige wanprestatie aan de zijde van CRS dat dit ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Artikel 7:210 BW ziet voorts op de situatie dat de verhuurder niet gehouden is tot herstel, hetgeen evenmin op enig moment door IDTV is bepleit. Doordat de kantonrechter de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door IDTV heeft beoordeeld binnen het kader van artikel 7:210 BW, is sprake van een feitelijke en juridische misslag, aldus – steeds – IDTV.

4.3.

CRS en ING Vastgoed betwisten dat sprake is van een kennelijke feitelijke en/of juridisch misslag. De kantonrechter heeft zijn beslissing om de vordering tot ontbinding in de sleutel van artikel 7:210 BW te plaatsen nader gemotiveerd. Het is derhalve volstrekt onaannemelijk dat de kantonrechter zich op dit punt heeft vergist, aldus CRS en ING Vastgoed.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 6 mei 2013 overwogen dat CRS toerekenbaar tekort is geschoten en dat IDTV daarom in beginsel gerechtigd is om op de voet van artikel 11.6 de ontbinding van de overeenkomst te vorderen. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat partijen niet expliciet overeen zijn gekomen welke norm ten aanzien van de ontbinding heeft te gelden en dat hun bedoelingen evenmin blijken uit de stukken, voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst. De kantonrechter legt artikel 11.6 vervolgens aldus uit dat IDTV zich bij een toerekenbare tekortkoming wel kan beroepen op de gebrekenregeling en daarmee ook op artikel 7:210 BW. De kantonrechter heeft derhalve nader gemotiveerd waarom hij de buitengerechtelijke ontbinding in de sleutel van artikel 7:210 BW heeft geplaatst. Van een kennelijke feitelijke en/of juridische misslag is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake. Het door IDTV aangevoerde bezwaar tegen het vonnis betreft een door de kantonrechter gemaakte afweging en kan in hoger beroep aan de orde worden gesteld.

4.5.

IDTV heeft tevens aangevoerd dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat de kantonrechter in de wetenschap daarvan een andere beslissing zou hebben genomen en IDTV wel zou hebben toegestaan de huur te ontbinden. IDTV heeft hiertoe aangevoerd dat CRS heeft toegezegd dat de uitvoering van het Plan van Aanpak maximaal vijf maanden zou duren en zou aanvangen zodra het Plan van Aanpak gereed was. CRS heeft gegarandeerd dat na uitvoering van het Plan van Aanpak geen sprake meer zou zijn van een gebrekkige klimaatinstallatie. Van deze situatie is de kantonrechter uitgegaan. De uitvoering van het Plan van Aanpak heeft echter de door CRS zelf gegeven termijn van vijf maanden ruimschoots overschreden. Bovendien is inmiddels tevens duidelijk geworden dat de maatregelen zoals omschreven in het Plan van Aanpak niet leiden tot een klimaatinstallatie die voldoende een constante behaaglijke temperatuur waarborgt. IDTV ervaart tot op heden nog steeds problemen met het klimaat in Kraanspoor, aldus IDTV.

4.6.

CRS en ING Vastgoed betwisten dat de door IDTV gestelde (gewijzigde) omstandigheden van dien aard zijn dat de bodemrechter op grond daarvan tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Het is juist dat de uitvoering van het Plan van Aanpak drie maanden uitloopt en dat in de maanden augustus, september en oktober 2013 klimaatklachten zijn ontstaan die in beginsel niet waren voorzien. Dit heeft te maken met de omstandigheid dat er 300 klepmotoren met een productiefout zijn geplaatst. Als deze zijn vervangen, zullen ook deze klachten tot het verleden behoren. Niet aannemelijk is dat de kantonrechter, indien deze omstandigheden bekend waren bij het wijzen van het tussenvonnis van 6 mei 2013, tot een ander oordeel zou zijn gekomen ten aanzien van de buitengerechtelijke ontbinding door IDTV, aldus CRS en ING Vastgoed.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Niet in geschil is dat IDTV al jaren (in meer of mindere mate) klimaatklachten ondervindt. Om een oplossing voor deze klachten te vinden is een Plan van Aanpak opgesteld en is een planning gemaakt voor de uitvoering daarvan. De voorzieningenrechter begrijpt de frustratie van IDTV nu de uitvoering van het Plan van Aanpak langer duurt dan voorzien. IDTV had immers gehoopt dat de klimaatklachten eindelijk tot het verleden zouden gaan behoren. Voldoende aannemelijk is echter dat het uitlopen van de uitvoering van het Plan van Aanpak het gevolg is van onvoorziene omstandigheden. Hiervan kan CRS dan ook geen verwijt worden gemaakt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk dat de kantonrechter, indien hij van de door IDTV gestelde omstandigheden op de hoogte was, tot een ander oordeel met betrekking tot de ontbinding van de huurovereenkomst was gekomen. De kantonrechter heeft immers overwogen dat, hoe hinderlijk en hardnekkig de uiteenlopende problemen ook waren en/of zijn, niet kan worden geoordeeld dat zij het genot van het gehuurde geheel onmogelijk hebben gemaakt. Dat de uitvoering van het Plan van Aanpak langer duurt dan voorzien maakt dit niet anders. Het vonnis van de kantonrechter lijkt voorts niet zo te kunnen worden gelezen dat het op een gegeven moment ophoudt. Met andere woorden, ook als de klimaatinstallatie tijdens de gehele duur van de huurovereenkomst niet naar behoren zal gaan werken, zoals IDTV veronderstelt, is voorshands onvoldoende aannemelijk dat de kantonrechter op de voet van artikel 7:210 BW wel tot ontbinding zal overgaan, omdat ook in dat geval niet kan worden gezegd dat het genot van het gehuurde geheel onmogelijk is.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat zich geen omstandigheden voordoen die een uitzondering op het beginsel dat de voorzieningenrechter haar oordeel in beginsel moet afstemmen op het oordeel van de bodemrechter rechtvaardigen. Dit betekent dat de vorderingen van IDTV zullen worden afgewezen.

4.9.

IDTV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CRS en ING Vastgoed worden voor ieder begroot op: 

- griffierecht € 3.715,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  4.531,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt IDTV in de proceskosten, aan de zijde van CRS tot op heden begroot op € 4.531,00 en aan de zijde van ING Vastgoed tot op heden begroot op € 4.531,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. S. van Excel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.1

1 type: coll: