Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7684

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
505680 - HA ZA 11-2819
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

buren vordering herplaatsing heg afgewezen wegens onvoldoende belang, afwijzing schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer / rolnummer: 505680 / HA ZA 11-2819

Vonnis van 20 november 2013

in de zaak van:

1.

[eiser 1],

2.

[eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M.E.F. Parramore,

t e g e n

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.G. Hees.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 24 november 2011 inhoudende de vordering van [eisers], met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties;

Ingevolge tussenvonnis van 14 maart 2012 heeft een bijeenkomst van partijen gecombineerd met een bezichtiging plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan bevindt zich bij de stukken. Hangende de procedure is eiseres [eiser 1] komen te overlijden. Nu evenwel geen schorsing van het geding heeft plaatsgevonden, is het geding – mede – op naam van [eiser 1] voortgezet. Nadat de zaak eerst naar de parkeerrol is verwezen, hebben partijen vonnis gevraagd.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1.

[eisers] is eigenaar van het perceel op de [adres]. [gedaagde] is eigenaar van het perceel op de [adres]. Genoemde percelen grenzen met de achtertuinen aan elkaar.

1.2.

Het zicht van het ene erf op het andere erf werd sinds circa 50 jaar gedeeltelijk afgeschermd door een ligusterheg.

1.3.

Op 21 juni 2011 heeft op verzoek van [gedaagde] een kadastrale meting plaatsgevonden, waarna drie ijzeren buizen op de erfgrens zijn geplaatst. De ligusterheg is in september 2011 door [gedaagde] verwijderd. [gedaagde] heeft vervolgens ter vervanging op (nagenoeg) dezelfde locatie een rasterwerk geplaatst en een nieuwe heg aangeplant. De kosten hiervan zijn door [gedaagde] betaald.

1.4.

Op 10 oktober 2011 heeft [eisers] [gedaagde] verzocht een soortgelijke als de verwijderde heg te herplaatsen. [gedaagde] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

1.5.

Op 15 november 2011 heeft op verzoek van [eisers] een kadastrale hermeting plaatsgevonden. De kosten hiervan zijn door [eisers] betaald. De resultaten van de kadastrale hermeting wijken niet af van de resultaten van de kadastrale meting van 21 juni 2011.

Vordering en verweer

2.

[eisers] vordert – zakelijk weergegeven – dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot:

  1. herplaatsing, binnen dertig dagen na dit vonnis, van een heg zoveel mogelijk conform de heg welke voor gelijke helften eigendom was van [eisers] en [gedaagde] en door [gedaagde] zonder toestemming van [eisers], onrechtmatig, is gesloopt, op straffe van een boete van € 250,- voor iedere dag dat [gedaagde] zulks nalaat;

  2. betaling van een bedrag van € 5.000,- ter compensatie van geestelijk leed dat [eisers] is aangedaan door de handelwijze van [gedaagde], althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. betaling van alle door [eisers] gemaakte kosten van kadaster en advocaat, begroot op € 10.000,-, danwel een in goede justitie te bepalen bedrag;

  4. betaling van de kosten van het geding.

3.

[eisers] stelt – kort gezegd – dat [gedaagde] door de heg te verwijderen inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers] Nu de heg zich gedeeltelijk op het perceel van [eisers] bevond, zijn [eisers] en [gedaagde] mede-eigenaar voor gelijke delen, waardoor de bestaande toestand niet zonder toestemming van [eisers] veranderd had mogen worden. Subsidiair beroept [eisers] zich op het gemeenschappelijk eigendom van de heg op grond van artikel 5:36 Burgerlijk Wetboek (BW) nu de heg op het midden van de afscheiding stond. Meer subsidiair stelt [eisers] dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van zijn eigendomsrecht dan wel gehandeld heeft in strijd met de redelijkheid en billijkheid welke [gedaagde] als buurman betaamt tegen zijn buurlieden.

4.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering en voert daartoe onder andere – kort gezegd – het volgende aan. De heg stond in zijn geheel op het perceel van [gedaagde] en behoorde daarmee uitsluitend tot zijn eigendom. Van mandeligheid kan geen sprake zijn nu de erfafscheiding niet onder de heg doorliep, maar op enige afstand, circa 5 centimeter, daarvandaan. Bovendien was de heg volledig geworteld in de grond die in eigendom aan [gedaagde] toebehoort, waardoor er van verticale natrekking ten gunste van [eisers] geen sprake kan zijn.

5.

Hierna zal de rechtbank voor zover nodig (nader) ingaan op de (overige) door partijen aangedragen stellingen en verweren.

Beoordeling

Herplaatsing ligusterheg

6.

Als meest verstrekkende verweer heeft [gedaagde] tegen de stellingen van [eisers] aangevoerd dat ook indien – naar hij meent ten onrechte – rechtens komt vast te staan dat [gedaagde] jegens [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld door de ligusterheg te verwijderen, [eisers] geen schade heeft geleden en/of [eisers] onvoldoende belang heeft bij de gevorderde herplaatsing.

7.

Artikel 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Om te kunnen beoordelen of [eisers] voldoende belang heeft bij het instellen van de rechtsvordering kijkt de rechtbank naar het verschil dat toewijzing van de gevorderde herplaatsing oplevert voor [eisers] ten opzichte van de situatie dat de vordering niet wordt toegewezen. Niet alleen is vereist dat er een verschil is, maar het verschil moet ook voldoende zijn om de procedure te rechtvaardigen. Daarnaast moet het belang van [eisers] bij toewijzing van de vordering rechtens relevant zijn.

8.

De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat [eisers] geen voldoende belang heeft bij de gevorderde herplaatsing. Dat [eisers] het hekwerk waar de nieuwe heg op is aangeplant lelijk vindt, is onvoldoende om van een belang als hierboven onder 7. bedoeld te kunnen spreken, zeker nu naar verwachting het hek binnen circa een jaar na aanplanting zo goed als geheel zal zijn bedekt door de nieuwe heg. Overige aanknopingspunten voor het hebben van meer dan een tijdelijk, zuiver esthetisch belang bij de herplaatsing zijn door [eisers] niet naar voren gebracht. De vordering tot herplaatsing zal de rechtbank derhalve bij gebrek aan gesteld belang afwijzen. De overige standpunten en verweren van partijen in dit verband behoeven gezien het voorgaande geen nadere behandeling en aan een bewijsopdracht wordt niet toegekomen.

Immateriële schadevergoeding

9.

[eisers] vordert tevens betaling van een bedrag ter compensatie van geestelijk leed, naar de rechtbank begrijpt als immateriële schadevergoeding. [gedaagde] betwist dat sprake is van een situatie waarin vergoeding op grond van artikel 6:106 BW mogelijk is. Voorts wijst hij op gebrek aan onderbouwing van de hoogte van het gevorderde bedrag en betwist hij de hoogte van het gevorderde.

10.

De rechtbank stelt vast dat door [eisers] geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit het gestelde geestelijk leed volgt. De hoogte van het gevorderde heeft [eisers] bovendien niet toegelicht. Derhalve ziet de rechtbank aanleiding, mede gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], om de vordering van [eisers] tot vergoeding van immateriële schade af te wijzen.

Kadaster- en advocaatkosten

11.

Voorts vordert [eisers] vergoeding van kosten gemaakt aan kadaster en advocaat, begroot op € 10.000,-. [gedaagde] voert ook tegen deze vordering verweer.

12.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] onvoldoende gesteld om de gevorderde kosten te kunnen toewijzen. Niet duidelijk is geworden op welke rechtsgrond hij zich beroept en evenmin zijn feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de rechtbank de grondslagen kan aanvullen. Daarnaast is op geen enkele manier duidelijk geworden waarop de hoogte van de gevorderde kosten is gebaseerd. De vordering tot vergoeding van de kosten gemaakt aan kadaster en advocaat zal derhalve eveneens worden afgewezen.

Proceskosten

13.

Bij deze uitkomst van de procedure zal [eisers] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 904,- (2 punten x tarief € 452,-) aan salaris gemachtigde.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst de vorderingen van [eisers] af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 904,-;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.