Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7678

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
FA RK 12-6558
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging van de bijdrage in het levensonderhoud.

Verlaging van de huwelijksgerelateerde behoefte, mede door afname lotsverbondenheid nu de echtscheiding van partijen verder in het verleden ligt. Indien partijen nog samen zouden zijn geweest, zou de vrouw ook een afname in welstand had ervaren gelet op de inkomensterugval aan de zijde van de man. Mede in aanmerking nemende dat partijen in het convenant hebben opgenomen dat de vrouw voornemens is tijdens de schooltijden van de kinderen werk te zoeken om (deels) in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, komt de rechtbank thans een verlaging van de behoefte van de vrouw redelijk voor.

Wijziging van omstandigheden door inkomensdaling. De rechtbank acht het - gelet op de persoonlijke situatie van de man - niet redelijk om van de man te verlangen dat hij zijn ontslagvergoeding dient aan te (blijven) wenden voor het kunnen blijven voldoen van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/523588 / FA RK 12-6558 (KB MB)

Beschikking van 4 september 2013 betreffende wijziging van de kinderbijdrage en de bijdrage in het levensonderhoud

in de zaak van:

[naam 1],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.H. Six- van der Werf te Soest,

tegen

[naam 2],

wonende te [woonplaats 2],

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.M. Uittenhout te Amsterdam.

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 4 juli 2013.

Gehoord zijn: partijen en hun advocaten.

2 De feiten

Partijen zijn gehuwd op [datum 1]. Hun huwelijk is op [datum 2] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 28 februari 2007 in de registers van de burgerlijke stand.

Tijdens het huwelijk zijn geadopteerd:

  • -

    [naam 3],
    geboren te [geboorteplaats 1] op [datum 3];

  • -

    [naam 4],
    geboren te [geboorteplaats 2] op [datum 4].

Het jongste kind is sinds april 2007 uit huis geplaatst en woont in een instelling. Het oudste kind woont bij de vrouw.

In voornoemde echtscheidingsbeschikking van 28 februari 2007 van deze rechtbank is een door partijen opgesteld echtscheidingsconvenant opgenomen waarin onder meer is vastgelegd een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 1.350,= per kind per maand, alsmede een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 6.000,= per maand.

In februari 2011 zijn partijen in onderling overleg overeengekomen dat de man in 2011 in plaats van (een geïndexeerd bedrag van) € 6.576,34 een bedrag van € 6.000,= per maand aan partneralimentatie dient te voldoen waarbij de man feitelijk € 5.000,= per maand aan de vrouw betaalt en daarnaast jaarlijks twee betalingen van € 6.000,= in januari en juli. Tevens is de jaarlijkse vakantiebijdrage verminderd van € 7.500,= naar € 5.280,=. De kinderbijdrage voor [naam 3] is op € 1.480,= gesteld en voor [naam 4] op € 500,=.

3.1

Het verzoek van de man

De man verzoekt met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 28 februari 2007 van deze rechtbank (en eerdergenoemd convenant), een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam 4] te bepalen van € 350,= per maand met ingang van 1 september 2012, alsmede vast te stellen dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw thans € 2.000,= bruto per maand bedraagt of een ander in goede justitie te bepalen bedrag, en de onderhoudsbijdrage aan de vrouw met ingang van 1 september 2012 te bepalen op € 444,= per maand, mits de onderhoudsbijdrage voor [naam 4] op € 350,= per maand wordt bepaald, en vanaf 2013 op € 160,= per maand.

3.2

Het verweer van de vrouw

De vrouw verweert zich en verzoekt tot afwijzing van de verzoeken van de man. Zij verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek de beschikking van 28 februari 2007, waarin is opgenomen de regeling die partijen zijn overeengekomen, te wijzigen en te bepalen dat

  • -

    de man met ingang van 1 februari 2011 € 6000,= per maand aan de vrouw dient te voldoen;

  • -

    dat de man jaarlijks voor 1 juni, met ingang van 2011, een bedrag van € 5.280,= aan de vrouw zal voldoen;

  • -

    dat de man met ingang van 1 februari 2011 een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [naam 4] dient te voldoen van € 500,= per maand;

  • -

    dat de man met ingang van 1 februari 2011 een bijdrage van € 1.480,= per maand in de kosten van opvoeding en verzorging van [naam 3] dient te voldoen.

3.3

Reactie van de man op zelfstandig verzoek

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans ten hoogste toe te wijzen voor de periode van 1 januari 2011 tot 1 september 2012.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

Kinderbijdrage

De man heeft aangaande de bijdrage voor [naam 4] het volgende aangevoerd. [naam 4] woont thans in een instelling waarvoor de vrouw € 350,= per maand betaalt. De man betaalt de overige kosten van [naam 4]. Aangezien [naam 4] al 6 maanden niet bij de vrouw is geweest, wenst de man de bijdrage van € 150,= per maand ten behoeve van de kosten van verzorging van [naam 4] als hij bij de vrouw was, niet meer te betalen.

De vrouw verzet zich daartegen en betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vrouw betaalt de bijkomende kosten van [naam 4] naast het bedrag van

€ 375,= als eigen bijdrage. In 2011 hebben partijen afgesproken dat de bijdrage voor [naam 4] in 2012 wordt gefixeerd. Voorts stelt de vrouw dat [naam 4] gemiddeld 1x per week naar de vrouw komt en dat in het behandelplan als één van de doelstellingen wordt opgenomen dat hij steeds vaker, ook in de weekenden, naar huis zal gaan.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de behoefte van [naam 4] is gewijzigd door gewijzigde omstandigheden. Niet is gebleken dat [naam 4] niet meer bij de vrouw thuis komt en verder heeft de vrouw gemotiveerd gesteld dat de bijdrage die de vrouw ten behoeve van de [naam 4] aan de instelling voldoet alwaar hij verblijft, niet is veranderd.

Op grond van vorengaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man om wijziging van de kinderbijdrage ten behoeve van [naam 4] dient te worden afgewezen.

Bijdrage in het levensonderhoud

Huwelijksgerelateerde behoefte

De man stelt dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is afgenomen en verzoekt deze te bepalen op € 2.000,= bruto per maand. Hij voert daartoe het volgende aan.

De lotsverbondenheid neemt af naarmate de echtscheiding langer is geleden en daarmee de behoefte van de vrouw aan een door de man te betalen bijdrage. Dat lotsverbondenheid afneemt, blijkt ook uit feit dat de vrouw al jaren een relatie heeft. De man meent dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd, dat haar partner op het adres van zijn ouders staat ingeschreven doet daar niet aan af. Indien zij niet samenwoont, brengt deze relatie wel een kostenbesparing met zich mee. Hij stelt zich op het standpunt dat de resterende behoefte nooit hoger kan zijn dan € 2000,= per maand.

Verder voert hij aan dat na de echtscheiding de vrouw nimmer heeft gewerkt terwijl partijen in het convenant hebben opgenomen dat de vrouw ernaar streeft ten tijde van de schooltijden van de kinderen te gaan werken.

De vrouw verweert zich als volgt.

Bij het maken van de afspraken tussen partijen is expliciet rekening gehouden met het gegeven dat de vrouw sinds 2005 een relatie heeft/had. Deze relatie heeft geen enkel gevolg voor de lotsverbondenheid tussen partijen. [naam 5] (partner van de vrouw) heeft een zeer goede relatie met de kinderen en heeft een positieve invloed op hen. Daarom is afgesproken om geen consequenties te verbinden aan het feit dat de vrouw eventueel zou gaan samenwonen of aan het gegeven dat [naam 5] met enige regelmaat bij de vrouw verbleef.

Thans is overigens alleen nog sprake van een vriendschappelijke relatie tussen de vrouw en [naam 5]. De vrouw ziet hem eenmaal per 2 weken en kinderen hebben eenmaal per week contact met hem.

Voorts stelt de vrouw dat zij wel degelijk heeft geprobeerd een baan te vinden hetgeen gelet op haar werkverleden en omstandigheden – kinderen die speciale zorg behoeven – niet is gelukt. De vrouw heeft verschillende sollicitatieprocedures doorlopen. In 2011 is bij het maken van aanvullende afspraken nog steeds uitgegaan van de in 2007 afgesproken behoefte en is vastgelegd dat zij bij het verwerven van eigen inkomen een hoger bedrag kon behouden zonder dat het in mindering op de partneralimentatie zou komen. De lotsverbondenheid geldt onverkort mede gelet op deze in 2011 gemaakte afspraken. Juist omdat partijen in 2007 rekening hebben gehouden met het gegeven dat de vrouw een relatie had met [naam 5], maakt dat partijen zijn uitgegaan van een sterke lotsverbondenheid.

De huidige situatie is ten opzichte van 2011 niet veranderd, [naam 5] woont niet bij de vrouw en er is geen sprake van kostenbesparing. De vrouw concludeert dat haar behoefte niet is gewijzigd ten opzichte van het jaar 2007 respectievelijk het jaar 2011 zodat het verzoek van de man dient te worden afgewezen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De huwelijksgerelateerde behoefte is gebaseerd op de welstand ten tijde van het huwelijk. De man heeft gedurende twaalf jaren een onderhoudsverplichting jegens de vrouw. Echter, dat impliceert niet dat die onderhoudsverplichting gedurende twaalf jaren op het niveau van de welstand ten tijde van het huwelijk blijft. Verschillende factoren kunnen maken dat de te betalen onderhoudsbijdrage na verloop van tijd naar beneden toe kan worden bijgesteld en afname van de lotsverbondenheid is een factor die een rol kan spelen. Dit is wat de man heeft aangevoerd. Naarmate de echtscheiding van partijen verder in het verleden ligt, neemt de lotsverbondenheid van het huwelijk als basis waarop de onderhoudsverplichting is gegrond, af. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat indien partijen nog samen zouden zijn geweest, de vrouw ook een afname in welstand had ervaren gelet op de inkomensterugval aan de zijde van de man. Mede in aanmerking nemende dat partijen in het convenant van 18 januari 2007 hebben opgenomen dat de vrouw voornemens is tijdens de schooltijden van de kinderen werk te zoeken om (deels) in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, komt de rechtbank thans een verlaging van de behoefte van de vrouw redelijk voor. Bij de beantwoording van de vraag in welke mate de behoefte van de vrouw in redelijkheid dient te worden aangepast, laat de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de man dat hij uit loondienst ontvangt van circa € 5.000,= per maand meewegen. Indien daarvan, na aftrek van de kosten van de kinderen, 60% in aanmerking wordt genomen, zou de behoefte van de vrouw op ruim

€ 1.800,= netto per maand uitkomen. Vorengaande in aanmerking nemende, acht de rechtbank het redelijk om haar behoefte vanaf heden bij te stellen naar € 3.000,= bruto per maand.

Tevens overweegt de rechtbank dat de stelling van de man dat de vrouw zou samenwonen als zijnde gehuwd, gelet op de betwisting door de vrouw, niet aannemelijk is geworden.

Wijziging van omstandigheden vanwege inkomensdaling

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De man stelt dat hiervan sprake is. Ter onderbouwing voert hij aan dat hij per 1 maart 2012 is ontslagen en sinds 1 januari 2011 al een forse salarisverlaging had. Hij stelt dat ten gevolge van zijn ontslag zijn inkomen is gedaald en hij heeft een deel van zijn ontslagvergoeding moeten aanwenden voor de start van een eigen bedrijf. Hij schat zijn inkomen thans op

€ 75.000,= per jaar.

De vrouw verweert zich daartegen. Zij stelt primair dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zij stelt zich op het standpunt dat de man ten laste van zijn ontslagvergoeding een bijdrage moet leveren in haar levensonderhoud en dat hij hoogstwaarschijnlijk inkomsten vanuit zijn BV genereert.


De rechtbank is van oordeel dat alleen al het door de man gestelde betreffende zijn ontslag per 1 maart 2012 is te beschouwen als een omstandigheid in de zin van voornoemd artikel. Daarom zal worden beoordeeld of en zo ja, in hoeverre de onderhoudsbijdrage is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Bij de bepaling van de draagkracht van de man in het jaar 2012 neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

De man had volgens de (herziene) aangifte Inkomstenbelasting 2012, waarvan een bewijs van elektronische verzending aan de Belastingdienst is overgelegd, een winst uit onderneming van

€ 49.569,=. Rekening wordt gehouden met de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek. Verder wordt voor het jaar 2012 een totaal loon uit dienstbetrekking in aanmerking genomen van € 29.894,=. Daarnaast wordt in aanmerking genomen de UWV-uitkering volgens de Werkloosheidswet van € 9.191,=.

De man heeft een eigen woning. Het eigen woningforfait bedraagt € 2.526,=. In verband met de hypothecaire lening gevestigd op die woning betaalt hij € 25.620,= per jaar aan rente, waarvan € 23.094,= fiscaal aftrekbaar is en een bedrag van € 12.725,= als fiscale aftrekpost aan de partner van de man wordt toegerekend. Vorengaande resulteert in een bedrag van

- € 10.369,= aan belastbare inkomsten uit eigen woning. De partner van de man voldoet de helft van woonlast waardoor de rechtbank aan de zijde van de man rekening houdt met de helft van de te betalen jaarlijkse rente van € 25.620,= en het daaraan verbonden fiscale voordeel. De man heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten.

Hij beschikt over een vermogen, bestaande op 31 december 2012 uit bank- en spaartegoeden, andere aandelen, obligaties e.d., ter hoogte van € 288.810,=. Rekening wordt gehouden met een inkomen uit dit vermogen van 2,5%, alsmede met de daarover verschuldigde vermogensrendementsheffing.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij, inclusief eigen risico, € 193,= per maand. Voorts voert de man aan dat hij € 50,= per maand aan niet vergoede kosten voor fysiotherapie dient te voldoen. Gelet op het gegeven dat de man aan de Ziekte van Parkinson lijdt, komen deze kosten de rechtbank niet onredelijk voor en worden deze ten laste van zijn draagkracht in aanmerking genomen.

Verder houdt de rechtbank rekening met de door de man opgevoerde kosten in verband met de omgangsregeling.

De kosten van de kinderen die de man voldoet, € 1480,= per maand ten behoeve van [naam 3] en

€ 500,= per maand ten behoeve van [naam 4], worden in aanmerking genomen, alsmede het fiscale voordeel dat de man geniet in verband met deze kosten van de kinderen.

De rechtbank acht het - gelet op de persoonlijke situatie van de man - niet redelijk om van de man te verlangen dat hij zijn ontslagvergoeding dient aan te (blijven) wenden voor het kunnen blijven voldoen van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de man gemotiveerd heeft gesteld dat hij geen pensioenvoorziening heeft opgebouwd en thans ook niet opbouwt, waardoor deze ontslagvergoeding, althans wat daarvan resteert, en die in een zogenoemde stamrecht BV is gestort, als oudedagsvoorziening dient te worden aangewend. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de man gemotiveerd heeft gesteld dat hij vanwege de Ziekte van Parkinson, waarmee hij kampt, en het feit dat hij niet in vaste dienst is bij zijn werkgever, zich niet kan verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en de ontslagvergoeding mogelijk zal moeten worden aangewend om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud.

Gelet op vorengaande, bepaalt de rechtbank de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2012 op € 583,= per maand.

Voor het jaar 2013 neemt de rechtbank vorengaande eveneens in aanmerking, behalve ten aanzien van het inkomen van de man. Voor het jaar 2013 wordt een inkomen uit dienstbetrekking in aanmerking genomen van € 96.492,=.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de man in 2013 nog activiteiten verricht als zzp-er dan wel vanuit de BV zelf. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de overgelegde aangifte IB 2012, sprake van een ‘gebruikelijk loon’ regeling waar rekening mee zou moeten worden gehouden.

Voornoemd inkomen in 2013 in aanmerking nemende, resteert de man vanaf 1 januari 2013 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van

€ 322,= per maand.

Ingangsdatum

De man verzoekt met ingang van 1 september 2012 de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw naar beneden toe bij te stellen en vanaf het jaar 2013 verder te verlagen. De rechtbank is van oordeel, gelet op de datum van indiening van het verzoekschrift van de man, dat 1 september 2012 als ingangsdatum heeft te gelden. Echter, gelet op de behoorlijke achteruitgang in inkomen die dat voor de vrouw met zich brengt, bepaalt de rechtbank dat

voor zover door de man vanaf 1 september 2012 tot heden meer is betaald of op hem is verhaald, de bijdrage over die periode op dat meerdere. Omdat de bijdrage ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw is verbruikt, kan van de vrouw in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 28 februari 2007, met dienovereenkomstige wijziging van het daarvan deel uitmakende convenant, in zoverre:

- bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2012 € 583,= (vijfhonderddrieëntachtig euro) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat – voor zover de man meer heeft betaald dan wel meer op hem is verhaald over de periode vanaf 1 september 2012 tot 1 januari 2013 – de bijdrage wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald of op hem is verhaald;

- bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2013 € 322,= (driehonderdentweeëntwintig euro) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat – voor zover de man meer heeft betaald dan wel meer op hem is verhaald over de periode vanaf 1 januari 2013 tot heden – de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald of op hem is verhaald;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. Broekhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.H. Botma, griffier, op 4 september 2013.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.