Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7676

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
FA RK 13-4096
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing uit het gezag. Minderjarige is het ouderlijk huis ontvlucht. Gevaar voor eerwraak. Ouders tonen geen inzicht in de problematiek die bij de minderjarige speelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/543402 / FA RK 13-4096 (MN, TN)

Beschikking van 2 oktober 2013 betreffende ontheffing van het ouderlijk gezag

in de zaak van:

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de Raad,

tegen

[naam 1],

wonende te [woonplaats 1],

en

[naam 2],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen de ouders,

advocaat mr. E. Tahitu te Amsterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam ([straatnaam]),

hierna te noemen BJAA.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder het door de Raad op 6 mei 2013 uitgebrachte rapport met advies.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van 30 augustus 2013. Op verzoek van de Raad is de zaak aangehouden. De terechtzitting is voortgezet op 5 september 2013.

Gehoord zijn:

  • -

    [naam 3] namens de Raad;

  • -

    de ouders, bijgestaan door een tolk [(...)], en hun advocaat;

  • -

    [naam 4] namens BJAA.

De minderjarige die 12 jaar of ouder is, is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

Partijen zijn gehuwd op [datum 1]. Uit het huwelijk is onder meer geboren:

[naam 5] ,
geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [datum 2].

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit.

Het gezin is afkomstig uit Pakistan. In 2010 zijn vader, broer [naam 6] (18 jaar) en zus [naam 7] (17 jaar) naar Nederland gekomen. In mei 2011 heeft [naam 5] zich bij hen gevoegd. Moeder en broertje [naam 8] (8 jaar) wonen sinds januari 2013 permanent in Nederland. [naam 5] is samen met haar zus [naam 7] op 3 augustus 2011 het ouderlijk huis ontvlucht. Op 17 augustus 2011 is er een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing uitgesproken. Op 30 augustus 2011 is de voorlopige ondertoezichtstelling omgezet naar een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en is een machtiging uithuisplaatsing verleend voor de duur van 3 maanden. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd laatstelijk tot 17 augustus 2014. De uithuisplaatsing is telkens verlengd, laatstelijk voor vier maanden tot 17 december 2013.

3 Het verzoek

Het verzoek strekt tot ontheffing van het ouderlijk gezag op grond van artikel 1:266 en verder van het Burgerlijk Wetboek (BW) van de ouders over hun minderjarige kind [naam 5]. [naam 7] is niet meegenomen in het verzoek omdat zij inmiddels 18 jaar is geworden.

Het verzoek strekt voorts tot benoeming van BJAA als voogdes.

4 De standpunten van partijen en belanghebbenden

De Raad

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad het op 6 mei 2013 uitgebrachte rapport overgelegd. In dit rapport en de daarop ter zitting gegeven toelichting komt – zakelijk en verkort weergegeven – het volgende naar voren.

[naam 5] heeft in het persoonlijk gesprek met de Raad op 8 april 2013 – verkort en zakelijk weergegeven - aangegeven dat zij fysiek en psychisch is mishandeld alsmede affectief is verwaarloosd door haar ouders (en haar broer). [naam 7] en zij hadden van jongs af aan het gevoel dat zij beter dood konden zijn. De jongens mochten van alles en kregen liefde van ouders, dit in tegenstelling tot de meisjes. Als 12-jarige heeft [naam 5] een keer op het punt gestaan om bij moeder in Pakistan te vertrekken, maar ze wist niet waar zij naar toe kon gaan. In Pakistan kreeg [naam 5] het vooral zwaar, nadat [naam 7] (en vader en broer [naam 6]) naar Nederland waren vertrokken. Moeder sloeg [naam 5] vaak. Zij zette haar nagels in de armen van [naam 5] en trok haar aan haar haren. De situatie verbeterde niet toen zij naar vader in Nederland vertrok. Bij vader werd geen gehoor gegeven aan haar wens om naar school te gaan. Zij kreeg van vader en broer [naam 6] de opdracht om [naam 7] in de gaten te houden en over haar te rapporteren, wat [naam 5] niet uitvoerde. Vader vond het niet goed dat [naam 7] een vriend had. Ze mocht niet met [naam 7] praten en lachen. [naam 5] vertelt verder dat zij en [naam 7] bijna dagelijks door vader en [naam 6] met de vlakke hand werden geslagen. Vervolgens is ze op 3 augustus 2011 samen met [naam 7] het ouderlijk huis ontvlucht.

De Raad heeft in het rapport aangegeven dat het gebruik van geweld in de opvoeding bij wet is verboden. Voorts is veiligheid de minimale conditie waarin een kind gezond en wel kan opgroeien. [naam 5] heeft zich onveilig gevoeld bij ouders. Nog altijd is het voor [naam 5] moeilijk om over haar ouders te praten en te lezen. Zij probeert al jaren haar ervaringen met mishandeling en verwaarlozing te verwerken door middel van therapieën.

In het begin van de plaatsing in de opvang is bizar gedrag aangaande [naam 5] geconstateerd. Ze verstopte zich uit angst voor andere mensen (voor mogelijk geweld) in een kast en onder een tafel en ze ruimde als een schoonmaakster de rommel van anderen op. Inmiddels laat zij ander gedrag zien. Zij wordt door haar mentor omschreven als een volgzaam meisje, dat de neiging heeft zich terug te trekken en niets te zeggen. Het contact maken en onderhouden met andere mensen is thans één van de leerpunten voor [naam 5] binnen de veiligheid van de huidige woonopvang.

Ouders ontkennen dat er sprake is geweest van mishandeling, verwaarlozing en onderdrukking van [naam 5]. Zij spreken uitsluitend positief over [naam 5] en hun omgang met elkaar in het verleden. Zij begrijpen niet waarom [naam 5] destijds van huis is weggelopen en zij willen dat [naam 5] gewoon weer thuis komt wonen. Zij stellen zich niet open voor hulpverlening. Naar voren is gekomen dat de ouders de familie in Pakistan niet op de hoogte hebben gebracht van de situatie van [naam 5] en [naam 7] vanwege familie-eer. Voorts hebben de ouders niet voldaan aan de onderhoudsplicht sinds de uithuisplaatsing. De reden hiervoor is onduidelijk.

Ontheffing van het gezag draagt bij aan de opheffing van de bedreiging van de ontwikkeling van [naam 5]. Tot voor kort gaf zij bij herhaling en op zeer stellige wijze aan dat zij niet teruggeplaatst wilde worden bij haar ouders en ook geen contact met hen wilde hebben. Zelfs haar wens tot contactherstel met haar broertje [naam 8] schoof ze opzij uit angst voor het contact tussen haar en haar ouders. Zij wilde geen risico lopen dat [naam 8] ingezet werd om haar te manipuleren.

Er hebben zich echter recent ontwikkelingen voorgedaan. [naam 5] heeft via internet contact gezocht met haar broer [naam 6], die haar vervolgens van het station in Leeuwarden heeft opgehaald en thuis heeft gebracht. Diezelfde dag is het gezin afgereisd naar het geheime opvangadres van [naam 7] om haar op te halen. De politie die inmiddels op de hoogte was van de situatie heeft [naam 5] vervolgens uit de auto gehaald en haar teruggebracht naar de opvang.

De ouders komen nu eens in de veertien dagen op bezoek bij [naam 5] bij het opvanghuis in Leeuwarden.

De Raad stelt vraagtekens bij de switch die [naam 5] heeft gemaakt. [naam 5] heeft twee jaar lang geen enkel contact gehad en willen hebben met haar familie. Voorts blijven de ouders het verhaal van [naam 5] ontkennen. Het enige dat zij willen is dat [naam 5] naar huis komt. Voorts doet het contact met haar ouders niet af aan haar problematiek. Zij is nog steeds zeer ernstig getraumatiseerd. Ze heeft slaapproblemen waar zij medicatie voor krijgt. Tevens is ze gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) waar ze op dit moment voor wordt behandeld. Gelet op het voorgaande is een ontheffing nog steeds in het belang van [naam 5].

Een ontheffing zal ervoor zorgen dat het recht van [naam 5] op ontwikkeling, onderwijs en continuïteit gewaarborgd zal worden. De instelling waarin [naam 5] is geplaatst biedt haar een gezond, liefdevol en veilig opvoedingsklimaat. Er is nu bijna twee jaar sprake van een uithuisplaatsing en zij heeft langzamerhand geleerd dat ze wat waard is en dat ze ergens wat van mag zeggen en vinden. Zij is een intelligent meisje met een duidelijk toekomstbeeld over werken, wonen en opleiding. Haar begeleiders ondersteunen haar groei en ontwikkeling. Zij bereiden [naam 5] voor op zelfstandigheid in de toekomst, hetgeen past bij de levensfase waarin ze zit. [naam 5] heeft recht op duidelijkheid over haar toekomst- en woonperspectief en op een rustige en stabiele opvoedingssituatie zodat zij haar positieve ontwikkeling kan voortzetten en op een veilige en gezonde wijze zich verder kan ontwikkelen.

De ouders

De ouders hebben ter zitting verzocht om het verzoek tot ontheffing af te wijzen. De grondslag voor de ondertoezichtstelling en de uitplaatsing was de angst van [naam 5] om weer naar huis te moeten. Echter, het initiatief van het contact ligt nu bij [naam 5]. Zij heeft aangegeven graag contact te willen met haar ouders. De ouders zijn van mening dat zij gelet op de laatste ontwikkelingen niet onmachtig en ongeschikt zijn om [naam 5] op te voeden. [naam 5] heeft hen verteld dat zij graag terug wil naar hen en dat ze om hulp schreeuwt maar niemand luistert. De ouders zetten vraagtekens bij de rapportage en de verklaringen van BJAA. Zij laten het aan [naam 5] over of zij wil terugkeren of niet. Het is onjuist dat zij [naam 5] onder druk zouden zetten. Zij heeft zelf diverse keren aangegeven terug naar huis te willen. De kinderrechter deelt deze mening ook gelet op de verlenging van de uithuisplaatsing voor vier maanden in afwachting van deze ontwikkelingen. De ouders menen dat [naam 5] als zij naar huis toe komt vanzelf beter wordt in de armen van haar moeder. Het zou fijn zijn als ze bijvoorbeeld in het weekend twee dagen thuis kon komen. Dit zou heel wat kunnen veranderen in het karakter van het kind.

BJAA

BJAA heeft het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (LECEG) ingeschakeld om te onderzoeken in hoeverre sprake is van dreiging van eergerelateerd geweld of eerwraak. Eergerelateerd geweld kon volgens het LECEG niet worden uitgesloten, omdat het huiselijk geweld eergerelateerd geweld kan worden, nu [naam 5] is weggelopen. Ter zitting heeft BJAA naar voren gebracht dat het niet in het belang van [naam 5] is dat het gezag bij haar ouders blijft, nu zij het verhaal van [naam 5] blijven ontkennen. De ouders zijn van mening dat dit een standaardverhaal is dat BJAA op een heleboel kinderen toepast. BJAA ziet dat [naam 5] helemaal in de war is. Haar angst voor ouders is erg groot. Ze is bang om te vertellen hoe ze zich voelt. Er wordt vanuit haar ouders veel druk gezet op een eventuele terugkeer. Voorts komen de ouders afspraken met de begeleidende instantie niet na.

5 De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 1:266 BW een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Krachtens artikel 1:268, eerste lid, BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van voornoemd wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, BW af te wenden.

Uit het rapport komt een beeld naar voren van een meisje dat getraumatiseerd is door haar verleden en uiteindelijk heeft besloten weg te lopen en onder te duiken. Het gedrag dat zij aanvankelijk vertoonde in de woongroep ondersteunt haar verhaal. Vervolgens kiest zij ervoor om twee jaar lang geen enkel contact met familie te hebben uit angst voor de gevolgen, zelfs niet met haar jongste broer van wie zij heel veel houdt. Voorts is er recent een posttraumatische stressstoornis bij haar geconstateerd. Dat ouders aangeven dat alles is opgelost als [naam 5] weer thuis komt wonen, laat zien dat het hen ontbreekt aan inzicht in de problematiek die bij [naam 5] speelt. Het geeft aan dat de ouders niet in staat zijn [naam 5] te bieden wat zij nodig heeft. Het verhaal van de politie, van [naam 5] en haar zus, de zorginstantie en de opvang is eensluidend. Dat [naam 5] thans aan haar ouders anders heeft verklaard doet hier niet aan af. Ook de gedragingen en reacties van de ouders ter zitting geven weer dat zij onmachtig zijn om [naam 5] op te voeden. Ook ter zitting hebben zij uitdrukkelijk de juistheid van het verhaal van [naam 5] betwist. Zij staan niet open voor enige hulp of begeleiding. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat voldoende is aangetoond dat de ouders ongeschikt en onmachtig zijn hun plicht tot opvoeding en verzorging van [naam 5] te vervullen.

Voorts staat vast dat de ondertoezichtstelling van [naam 5] ten minste zes maanden heeft geduurd. Er wordt dus voldaan aan de wettelijke voorwaarden die worden gesteld aan de bevoegdheid van de rechtbank om de ouders tegen hun wil te ontheffen van het ouderlijk gezag, hetgeen niet zonder meer meebrengt dat ontheffing dient plaats te vinden. Ter beoordeling van het verzoek dienen de belangen van alle betrokkenen te worden afgewogen, waarbij aan de belangen van het kind het meeste gewicht toekomt.

Gebleken is dat de ouders geen inzicht tonen in de problemen die bij [naam 5] spelen en zij ontkennen dat [naam 5] hulp nodig heeft, zodat zij [naam 5] niet de verzorging en opvoeding kunnen bieden die zij nodig heeft. Sinds [naam 5] contact heeft opgenomen met haar ouders, willen ouders graag dat zij zo snel mogelijk weer thuis komt wonen. Zij leggen zich derhalve niet neer bij de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en veroorzaken daarmee verwarring bij [naam 5]. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het van belang dat de ouders worden ontheven uit het gezag. Wat betreft het contact met de ouders dient door BJAA te worden bezien welk contact in het belang van [naam 5] is.

Het voorgaande heeft de rechtbank tot de overtuiging gebracht dat, na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden en na een uithuisplaatsing van een jaar en zes maanden, gegronde vrees bestaat dat deze maatregelen – door de ongeschiktheid en onmacht van de ouders om hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen –onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 lid 1 BW af te wenden, zodat het verzoek tot gedwongen ontheffing voor toewijzing vatbaar is.

Nu met de ontheffing een voorziening in het gezag over [naam 5] moet worden getroffen zal de rechtbank BJAA met toepassing van artikel 1:295 BW met de voogdij belasten. BJAA heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij te aanvaarden.

6 De beslissing

De rechtbank:

- ontheft:

[naam 1] voornoemd en

[naam 2] ,

van het ouderlijk gezag over de minderjarige:

- [naam 5],
geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [datum 2],

- belast met de voogdij over voornoemde minderjarige:

Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam, [straatnaam];

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Nijssen, voorzitter tevens kinderrechter, mr. A.H.E. van der Pol en mr. H.P.E. Has , rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.F.A. Notenboom, griffier, op 2 oktober 20131

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.