Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7675

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
FA RK 12-10658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn een geregistreerd partnerschap met partnerschapsvoorwaarden aangegaan.

In deze voorwaarden zijn partijen –onder andere- een (partner)alimentatie nihilbeding overeengekomen.

Het beroep van de ene partij op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

(bij vervroeging)

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/533335 / FA RK 12-10658 (MB KO)

Beschikking van 11 september 2013 betreffende de ontbinding van het

geregistreerd partnerschap

in de zaak van:

[naam 1],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen [naam 1],

advocaat mr. N. Grijmans-Veenendaal te Amsterdam,

tegen

[naam 2],

wonende te [woonplaats 2],

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen [naam 2],

advocaat mr.drs. E.A.J. Verschuur-van der Voort te Bloemendaal.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

1.2

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 augustus 2013, alwaar zijn verschenen: partijen en hun advocaten.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn, onder partnerschapsvoorwaarden, een geregistreerd partnerschap aangegaan te [plaats 1] op [datum 1].

2.2

Partijen hebben beide de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast is [naam 2] tevens

Burger van Rusland.

2.3

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 29 mei 2013 van deze rechtbank is bepaald dat [naam 1] met ingang van 29 mei 2013 een bedrag van € 1.725,= zal betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [naam 2], bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts is bepaald dat [naam 1] bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning.

2.4

Op [datum 2] is [naam 3], de zoon van [naam 1], geboren.

3 De verzoeken en de verweren

3.1

[naam 1] verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar:

  1. uit te spreken de ontbinding van het geregistreerd partnerschap;

  2. te bevelen dat partijen dienen over te gaan tot afwikkeling van hun partnerschapvoorwaarden.

3.2

[naam 2] refereert zich ten opzichte van het verzoek onder 1. Hij verweert zich tegen het verzoek onder 2. Bij (gewijzigd) zelfstandig verzoek, verzoekt [naam 2] de rechtbank bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat te bepalen:

3. dat [naam 1] aan [naam 2] ten titel van bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te betalen een bedrag van € 1.750,= bruto per maand, althans een in goede justitie te betalen bedrag;

4. dat de vaststelling van de verdeling van de op basis van de partnerschapsvoorwaarden te verdelen goederen op een nader door [naam 2] aan te geven wijze zal plaatsvinden, de verdeling daarvan vast te stellen en partijen te veroordelen om de goederen te verdelen zodanig dat ieder het goed waar hij recht op heeft levert aan de ander.

3.3

[naam 1] verweert zich tegen de verzoeken van [naam 2]. Ter zitting heeft [naam 1] zijn verzoek aangepast in die zin dat hij thans verzoekt te bepalen dat [naam 2] in het kader van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden, aan [naam 1] nog een bedrag is verschuldigd van € 5.300,=.

3.4

[naam 2] heeft ingestemd met het aangepaste verzoek van [naam 1].

3.5

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van het hoofdverzoek

4.1

[naam 1] verzoekt de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken. Hij stelt dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. [naam 2] betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.

4.2

Tussen partijen staat vast dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. Nu aan de wettelijke eisen is voldaan, is het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap dan ook toewijsbaar. De rechtbank zal aldus beslissen.

Ten aanzien van de nevenvoorzieningen

Partneralimentatie

4.3

[naam 2] stelt dat hij op grond van artikel 1:80e lid 1 juncto 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) recht heeft op betaling van een onderhoudsbijdrage in geval hij zelf niet of onvoldoende in zijn onderhoud kan voorzien. [naam 2] stelt behoefte te hebben aan partneralimentatie.

Nihilbeding

4.4

Artikel 13 van de door partijen op 13 maart 2009 overeengekomen partnerschapsvoorwaarden luidt -voor zover van belang-:

Voorts verklaren de partners te zijn overeengekomen dat bij het einde van het geregistreerd partnerschap op verzoek van één van de partners, of met wederzijds goedvinden op de wijze als bedoeld in artikel 1:80c sub c van het Burgerlijk Wetboek, geen van hen jegens de ander aanspraak zal maken op alimentatie (nihilbeding). De partners erkennen echter dat in geval de wetgeving of jurisprudentie bij het einde van het geregistreerd partnerschap op verzoek van één van de partners, of met wederzijds goedvinden op de wijze als bedoeld in artikel 1:80c sub c van het Burgerlijk Wetboek, evenomschreven nihilbeding nietig oordeelt of vernietigbaar acht en geen derogerende werking wordt toegekend aan de redelijkheid en billijkheid van het op dit punt overeengekomene, de regelgeving op dit punt voorgaat, zodat evenomschreven nihilbeding alleen geldt indien en voorzover de regelgeving deze afspraken omtrent het geen aanspraak maken op alimentatie over en weer uiteindelijk toestaat. Gemeld nihilbeding is tussen de partners overeengekomen teneinde uiting te geven aan hun wens om zowel tijdens als na het geregistreerd partnerschap geen financiële afhankelijkheid te scheppen. De partners verklaren voorts zich ten tijde van het ondertekenen van deze akte volledig bewust te zijn van de gevolgen van hetgeen in deze akte is bepaald en in het bijzonder van de strekking van gemeld nihilbeding.

4.5

Hetgeen partijen onder artikel 13 van de partnerschapsvoorwaarden hebben opgenomen, is volgens [naam 2] nietig ex artikel 1:400 sub 2 BW. Derhalve is artikel 13 tweede alinea van de partnerschapsvoorwaarden van toepassing en beroept hij zich expliciet op de nietigheid van het nihilbeding.

4.6

[naam 1] stelt dat een beroep door [naam 2] op de nietigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [naam 1] voert daartoe aan dat partijen niet een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan om van rechtswege een nauwe persoonlijke lotsverbondenheid te creëren, maar dat zij het geregistreerd partnerschap enkel, op verzoek van [naam 2], zijn aangegaan voor het behoud van zijn Russische nationaliteit. [naam 1] stelt nooit van plan geweest te zijn in plaats van het tussen partijen al bestaande samenlevingscontract een geregistreerd partnerschap aan te gaan, nu de samenwoning en de financiële onafhankelijkheid prima verliepen. Op verzoek van [naam 2] heeft [naam 1] toch willen meewerken aan een geregistreerd partnerschap. De intentie van partijen, te weten financiële onafhankelijkheid en gescheiden vermogens, moest volgens [naam 1] gewaarborgd blijven. Partijen zijn daarom partnerschapsvoorwaarden overeengekomen met daarin niet alleen een volledige koude uitsluiting (zonder enig verrekenbeding, zelfs niet bij overlijden), maar ook een duidelijk alimentatie nihilbeding. In de voorwaarden is uitdrukkelijk opgenomen dat het nihilbeding is overeengekomen teneinde uiting te geven aan hun wens om zowel tijdens als na het geregistreerd partnerschap geen financiële afhankelijkheid te scheppen. Door deze uiting staat volgens [naam 1] de bedoeling van partijen bij het aangaan van dit beding niet meer ter discussie. Deze specifieke omstandigheden die in dit geval hebben geleid tot het nihilbeding maken dat een beroep door [naam 2] op de nietigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aldus [naam 1].

4.7

[naam 2] betwist dat er sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden die maken dat hem geen beroep op de nietigheid toekomt. De aanleiding voor het geregistreerd partnerschap was inderdaad het behouden van de Russische nationaliteit, maar dat was niet de enige reden om het geregistreerd partnerschap aan te gaan. Volgens [naam 2] zorgden partijen voor elkaar en is er sprake geweest van lotsverbondenheid in de zin van artikel 1:81 BW.

4.8

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 1:400 lid 2 BW luidt:

Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig.

Artikel 1:158 BW luidt:

Vóór of na de beschikking tot echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

4.9

Op grond van artikel 1:80e lid 1 is artikel 1:158 BW van overeenkomstige toepassing bij een ontbinding door de rechter van een geregistreerd partnerschap. Artikel 1:158 BW ziet niet op overeenkomsten die zijn gesloten vóór het geregistreerd partnerschap. Dergelijke overeenkomsten zijn nietig wegens strijd met artikel 1:400 lid 2, zoals volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 1980 (NJ 1980, 363) en uit vaste jurisprudentie nadien.

4.10

Het tussen partijen overeengekomen nihilbeding is derhalve nietig. Nietigheid treedt van rechtswege in. Voor nietigheid is niet van belang of partijen wel of geen wilsovereenstemming hadden bij het sluiten van de overeenkomst. Het tussen partijen gesloten beding had bij voorbaat niet het beoogde rechtsgevolg.

4.11

Redelijkheid en billijkheid kunnen in beginsel ook inbreuk maken op hetgeen uit een dwingende wetsbepaling voortvloeit. Wel zal aan zware eisen moeten worden voldaan, alvorens kan worden geconcludeerd dat een beroep een dwingende bepaling, in dit geval artikel 1:400 lid 2 BW, als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar terzijde moet worden gesteld.

4.12

Hoewel niet geheel kan worden uitgesloten dat de beperkende werking zich eveneens doet gelden in geval van nietigheid, in die zin dat het naar maatstaven van redelijkheid en bijllijkheid onaanvaarbaar is om zich op de ongeldigheid van een rechtshandeling te beroepen, is de rechtbank van oordeel dat onderliggende bepaling (1:400 lid 2 BW) zich niet leent voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, nu dit een wetsbepaling is die kan worden beschouwd als een artikel van openbare orde. Daarom slaagt het verweer niet.

Behoeftigheid

4.13

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [naam 2] in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Met andere woorden, of [naam 2] de nodige middelen mist om zelf in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en of hij die middelen in redelijkheid ook niet kan verwerven.

4.14

[naam 2] stelt dat aantoonbaar blijkt dat zijn gemiddelde inkomen in de afgelopen drie jaren € 5.500,= per jaar is geweest. [naam 2] heeft een behoeftelijst overgelegd, waaruit een behoefte blijkt van € 1.945,85 per maand.

4.15

[naam 1] betwist uitdrukkelijk dat [naam 2] niet in staat is om volledig te voorzien in zijn eigen levensonderhoud. Hij stelt dat [naam 2] jaarlijks meer heeft verdiend dan het bedrag dat hij bij zijn Inkomstenbelasting heeft aangegeven. Zo verdiende hij zwart geld, zo’n € 1.300,= netto per maand, met het geven van pianolessen, waarmee hij zijn dagelijkse lasten voldeed. [naam 1] heeft ter onderbouwing hiervan een inkomstenstaatje van [naam 2] overgelegd, welke neerkomt op € 2.400,= netto per maand. Voorts heeft [naam 1] onbetwist aangevoerd dat [naam 2] in 2009 werkte voor een bedrijf, waarmee hij voldoende inkomen verdiende om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Ten bewijze hiervan heeft [naam 1] de jaaropgave 2009 overgelegd waaruit blijkt dat [naam 2] van 1 april 2009 tot en met 31 december 2009

€ 25.488,= heeft verdiend. Volgens [naam 1] heeft [naam 2] deze baan opgezegd met de intentie om carrière te maken in de muziek. [naam 1] heeft onbetwist gesteld dat [naam 2] een terugkeergarantie heeft voor deze baan.

4.16

[naam 2] heeft het door [naam 1] overgelegde inkomstenstaatje gedeeltelijk betwist, in die zin dat de opbrengsten van de maandelijkse concerten, zijnde € 1.100,= niet klopt.

4.17

De rechtbank overweegt het volgende. Onbetwist is komen vast te staan dat [naam 2]

€ 1.300,= per maand bijverdient met het geven van pianolessen. Tevens is als onbetwist komen vast te staan dat [naam 2] een terugkeergarantie heeft bij zijn oude werkgever. [naam 2] verdiende bij zijn oude werkgever omgerekend zo’n € 2.750,= bruto per maand. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [naam 2] voldoende mogelijkheden heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Het verzoek van [naam 2] zal dan ook worden afgewezen.

4.18

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als reeds in het voorgaande behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

Afwikkeling partnerschapsvoorwaarden

4.19

Partijen zijn het eens geworden over het aangepaste verzoek van [naam 1] met betrekking tot de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden. De rechtbank zal dan ook aldus beslissen.

4.20

Daarom wordt als volgt beslist.

5 De beslissing

De rechtbank:

- spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan op [datum 1] te [plaats 1];

- bepaalt in het kader van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden dat [naam 2] aan [naam 1] nog een bedrag is verschuldigd van € 5.300,=;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. Broekhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van Oirschot, griffier, op 11 september 2013.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.