Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7674

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
FA RK 12-10497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het LBIO verzoekt, namens de moeder, die woonachtig is in het Verenigd Koninkrijk, te bepalen dat de vader een onderhoudsbijdrage dient te betalen voor zijn dochter. De vader is woonachtig in woonplaats 1. De rechtbank knoopt hierbij voor de rechtsmacht en de bevoegdheid van de rechtbank aan bij hetgeen bepaald is in de Verordening van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008, nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Op grond van de Uitvoeringswet Internationale Inning van Levensonderhoud van 26 oktober 2011 is het LBIO bevoegd een dergelijk verzoek in te dienen zonder bijstand van een advocaat. In deze zaak was de dochter ten tijde van het verzoek reeds jong-meerderjarig waardoor het LBIO enkel bevoegd was voor die periode van het verzoek dat betrekking had op de minderjarigheid van de dochter aangezien het LBIO het verzoek namens de moeder indiende en de moeder enkel voor die periode kon worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordiger van de onderhoudsgerechtigde. Voor het toepasselijke recht dient te worden gekeken naar het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. De rechtbank oordeelt dat op grond van dit protocol het Nederlandse recht van toepassing is. Het LBIO is op grond van artikel 1:403 BW enkel ontvankelijk voor dat deel van het verzoek dat betrekking heeft op de periode dat uiterlijk vijf jaar voor het verzoek ligt en niet voor de periode daarvoor. De rechtbank oordeelt vervolgens dat het LBIO de behoefte van de dochter onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft het LBIO dan ook deels niet bevoegd verklaard, deels niet-ontvankelijk verklaard en deels heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/532965 / FA RK 12-10497 (MN IZ)

Beschikking van 16 oktober 2013 betreffende vaststelling van een kinderbijdrage dan wel een bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie

in de zaak van:

Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen het LBIO,

tegen

[naam 1][naam 1],

wonende te [woonplaats 1],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. S.J. Beedie te Amsterdam.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [naam 2][naam 2],

wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk)

hierna te noemen de moeder,

en

2. [naam 3][naam 3],

wonende te [woonplaats 3] (Verenigd Koninkrijk)

hierna te noemen [naam 3].

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 september 2013.

Gehoord zijn:

- [naam 4] namens het LBIO;

- de man bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Engels.

De man heeft, zoals afgesproken, na de zitting nog een stuk toegezonden. Ter griffie is op 16 september 2013 ingekomen de brief van de zijde van de man.

2 De feiten

De man en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie is op [datum] te [plaats 1] (Verenigd Koninkrijk) [naam 3] geboren.

[naam 3] is erkend door de man.

[naam 3] verblijft sinds het uiteengaan van de man en de moeder bij de moeder.

3 Het verzoek van het LBIO

Het LBIO verzoekt – na wijziging van het eerder door het LBIO gedane verzoek – een met ingang van 12 september 2007 door de man te betalen onderhoudsbijdrage van [naam 3] te bepalen van ₤ 380,- (€ 444,60) per maand met dien verstande dat deze met ingang van 1 september 2013 gewijzigd dient te worden in een bijdrage van ₤ 480,- (€ 561,60) per maand gedurende de maanden september tot en met juni en ₤ 380,- (€ 444,60) per maand voor de maanden juli en augustus.

4 Het verweer van de man

De man verweert zich tegen het verzoek van het LBIO.

Hij verzoekt de moeder, althans het LBIO, niet ontvankelijk te verklaren in haar/hun verzoek althans het verzoek af te wijzen.

5 De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid rechtbank

Nu het verzoekschrift is ingediend na 18 juni 2011 is de Verordening van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008, nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna: de Alimentatieverordening) van toepassing.

Ingevolge het hier van toepassing zijnde artikel 3 aanhef en onder a van de Alimentatieverordening is bevoegd het gerecht van de plaats waar verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft.

Nu de man blijkens de door het LBIO overgelegde GBA-gegevens vanaf 19 december 2003 in Nederland woont en niet is gesteld of gebleken dat zijn gewone verblijfplaats elders is, is de Nederlandse rechter op grond van deze bepaling bevoegd van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

De woonplaats van de man – en naar de rechtbank aanneemt ook de gewone verblijfplaats van de man – is blijkens genoemde GBA-gegevens te [plaats 2]. Nu artikel 3 van de Alimentatieverordening niet alleen de internationale bevoegdheid regelt maar tevens de relatieve bevoegdheid, is ingevolge artikel 3 aanhef en onder a van de Alimentatieverordening deze rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Bevoegdheid LBIO

Het LBIO stelt dat de bevoegdheid wordt ontleend aan de Uitvoeringswet Internationale Inning van Levensonderhoud van 26 oktober 2011 (hierna te noemen de Uitvoeringswet). In artikel 2 van deze wet is bepaald dat het LBIO de in hoofdstuk VII van de Alimentatieverordening omschreven taken dient uit te voeren. Daaronder valt het verzoek om de vaststelling van een beslissing in de aangezochte lidstaat. Artikel 3 van de Uitvoeringswet bepaalt dat het LBIO geen bijstand van een advocaat behoeft indien zij in rechte optreedt, in zaken in eerste aanleg en in hoger beroep die met een verzoekschrift worden ingeleid.

Het LBIO stelt op te treden in de functie van ontvangende instelling in het kader van de Alimentatieverordening en zoveel nodig mede in naam van de moeder als wettelijk vertegenwoordigster van [naam 3], wonende in het Verenigd Koninkrijk. Het Reciprocal Enforcement of Maintenance Orders (REMO), de verzendende instelling voor het Verenigd Koninkrijk in de zin van de Alimentatieverordening, heeft het LBIO om bemiddeling gevraagd bij het verkrijgen van een onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van het kind.

De man stelt dat het voor hem onduidelijk is waarom het LBIO zich bevoegd acht om het onderhavige verzoek in te dienen. Het LBIO kan in dit soort gevallen inderdaad zonder advocaat in rechte kan optreden, echter alleen namens de onderhoudsgerechtigde. Het verzoek in deze is ingediend namens de moeder, die op dat moment geen onderhoudsgerechtigde (meer) was. De nadien door het LBIO overgelegde volmacht is gedateerd na het verzoek en bovendien ook niet verleend aan het LBIO maar aan de moeder.

In artikel 56 lid 1 onder c van de Alimentatieverordening staat dat de onderhoudsgerechtigde die op grond van voornoemde verordening levensonderhoud beoogt te innen, een verzoek kan indienen tot vaststelling van een beslissing in de aangezochte lidstaat indien er geen beslissing voorhanden is. In de Alimentatieverordening wordt verstaan onder onderhoudsgerechtigde elke natuurlijk persoon aan wie levensonderhoud verschuldigd is of van wie gesteld wordt dat levensonderhoud aan hem verschuldigd is. In artikel 51 lid 1 onder b staat dat het LBIO bijstand verleent met betrekking tot verzoeken als voorzien in artikel 56 van de Alimentatieverordening, met name door procedures in verband met deze verzoeken aanhangig te maken of het aanhangig maken te vergemakkelijken.

Op grond van artikel 3 van het Uitvoeringsverdrag treedt het LBIO op verzoek van de centrale autoriteit van een verzoekende staat in en buiten rechte op ten behoeve van degene die zich met een verzoek als bedoeld in artikel 56 van de Alimentatieverordening tot de centrale autoriteit van de verzoekende staat heeft gewend. Uit dit artikel blijkt eveneens dat het LBIO, indien zij in rechte optreedt, in zaken in eerste aanleg en in hoger beroep die met een verzoekschrift worden ingeleid, niet de bijstand behoeft van een advocaat.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het LBIO bevoegd om onderhavig verzoek aanhangig te maken zonder tussenkomst van een advocaat. De rechtbank acht, nu het verzoek is ingediend op het moment dat [naam 3] reeds jongmeerderjarig was, het LBIO enkel bevoegd voor die periode van het verzoek dat betrekking heeft op de minderjarigheid van [naam 3], te weten van 12 september 2007 tot 7 december 2012 aangezien de moeder enkel voor die periode kan worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordiger van de onderhoudsgerechtigde. Dat [naam 3] een volmacht heeft afgegeven maakt dit niet anders aangezien het verzoek door het LBIO is ingediend nadat [naam 3] de leeftijd van 18 jaar had bereikt en [naam 3] voor de periode dat zij jongmeerderjarig is, met bijstand van het LBIO, zelf een verzoek had moeten indienen dan wel een volmacht had dienen te verschaffen aan het LBIO en niet aan haar moeder.

Toepasselijk recht

Om te bepalen welk recht van toepassing is dient te worden gekeken naar het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (hierna te noemen het Protocol).

Het LBIO stelt dat op grond van artikel 4 van het Protocol Nederlands recht toegepast dient te worden.

De man heeft ter zitting aangevoerd dat er wel sprake moet zijn van de voorwaarden genoemd in artikel 4 van het Protocol. De vrouw heeft hier de Engelse instantie REMO aangezocht waardoor dit artikel hier wellicht niet opgaat. De man wenst echter wel dat het Nederlandse recht wordt toegepast.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De algemene regel is dat men kijkt naar het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde (artikel 3 van het Protocol). Nu het gaat om vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige is op grond van artikel 4 lid 3 van het Protocol het recht van het forum van toepassing indien de onderhoudsgerechtigde de vordering heeft ingesteld in de lidstaat waar de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft. De rechtbank is van oordeel dat de moeder haar verzoek heeft ingediend, door tussenkomst van REMO en het LBIO, in Nederland, waar de man als onderhoudsplichtige woonachtig is, zodat het Nederlandse recht van toepassing is.

Ontvankelijkheid

De man stelt dat voor zover het LBIO wel bevoegd zou zijn onderhavig verzoek in te dienen nog steeds geldt dat het LBIO en de moeder niet-ontvankelijk zijn omdat ten tijde van de indiening van het verzoek [naam 3] reeds meerderjarig was. Het LBIO (al dan niet namens de moeder), noch de moeder zelf zijn volgens de man ontvankelijk in onderhavige procedure nu geen van beiden de onderhoudsgerechtigde is. De door het LBIO overgelegde volmacht is gedateerd na het verzoek en bovendien ook niet verleend aan het LBIO maar aan de moeder. Daarnaast behelst deze volmacht geen bekrachtiging van de reeds onbevoegd verrichte rechtshandelingen tot het voeren van deze procedures.

Voorts stelt de man dat de overgelegde geboorteakte gewaarmerkt en gedateerd is op 1 juni 2011 terwijl volgens het procesreglement deze akte niet ouder mag zijn dan drie maanden. Ook is het GBA-uittreksel niet gewaarmerkt.

Voor zover de rechtbank meent dat het LBIO toch ontvankelijk is omdat de verzochte ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage in het verleden lag toen het kind nog minderjarig was, is dit volgens de man onjuist. Hij wijst hier op artikel 1:403 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het LBIO heeft ter zitting gesteld te laat te hebben gezien dat [naam 3] al 18 jaar was ten tijde van het verzoek. Daarom is het verzoek aangevuld met een door [naam 3] getekende volmacht.

Daarnaast stelt het LBIO dat er in Engeland geen GBA bestaat zodat het overleggen van gewaarmerkte GBA-uittreksels niet mogelijk is.

De rechtbank acht, nu het verzoek is ingediend op het moment dat [naam 3] reeds jongmeerderjarig was en gelet op het voorgaande, het LBIO enkel ontvankelijk voor die periode van het verzoek die betrekking heeft op de minderjarigheid van [naam 3]. Deze periode kan gelet op artikel 1:403 BW niet eerder ingaan dan vijf jaar voor het verzoek, te weten met ingang van 14 december 2007. Het LBIO is dan ook enkel ontvankelijk voor de periode van 14 december 2007 tot 7 december 2012. Nu voor deze periode geen volmacht noodzakelijk is gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat de volmacht geen bekrachtiging behelst van de reeds onbevoegd verrichte rechtshandelingen tot het voeren van deze procedure. Daarnaast ziet de rechtbank, mede gelet op de uitleg van het LBIO hieromtrent, geen reden om het LBIO niet-ontvankelijk te verklaren omdat de overgelegde geboorteakte ouder is dan drie maanden en het GBA-uittreksel niet is gewaarmerkt.

Behoefte

Mocht de rechtbank het LBIO toch ontvankelijk achten dan stelt de man dat onduidelijk is waaruit de behoefte van het kind bestaat en dat het verzoek onvoldoende in een onderbouwing voorziet van de draagkracht van de moeder en voorts onvoldoende rekening houdt met zijn draagkracht. Het LBIO heeft geen bewijs overgelegd van de gestelde kosten van opvoeding en levensonderhoud, noch van de kosten van studie terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Ook wordt er geen informatie verstrekt over eventueel door de moeder en/of [naam 3] te ontvangen toeslagen zoals bijvoorbeeld kinderbijslag, studiefinanciering of een studiebeurs. Ook wordt niet onderbouwd dat [naam 3] geen eigen inkomsten zou (kunnen) genereren door middel van een bijbaan tijdens haar studie. De man betwist dan ook dat [naam 3] geen inkomen zou (kunnen) genereren. De man stelt dat hij best een bijdrage wenst te betalen maar dan dient wel inzichtelijk gemaakt te worden welke behoefte er daadwerkelijk is.

Het LBIO stelt dat [naam 3] inmiddels inderdaad meerderjarig is, maar ook nog schoolgaand waarbij zij geen eigen inkomen heeft. De moeder vraagt de helft van de kosten die nodig zijn voor [naam 3]. De behoefte van [naam 3] heeft de moeder uiteengezet in de bijlage gevoegd bij de brief van 8 augustus 2013.

Het LBIO verwijst voor het feit of [naam 3] eigen inkomsten kan verwerven naar de overgelegde brief van de moeder waarin de moeder aangeeft dat [naam 3] niet in staat is om een parttime baan te hebben naast haar studie.

Het LBIO stelt dat de man voldoende draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen en het lijkt het LBIO niet onredelijk dat beide ouders ieder 50% van de kosten van [naam 3] voldoen.

De rechtbank is van oordeel dat het LBIO de behoefte van [naam 3] onvoldoende heeft onderbouwd. In de door de moeder opgestelde bijlage bij de brief van 8 augustus 2013 wordt door de moeder enkel gesteld wat de kosten zijn die [naam 3] thans heeft zonder enige onderbouwing met stukken. Ook is onduidelijk of [naam 3] dan wel de moeder toeslagen zoals bijvoorbeeld kinderbijslag, een studiefinanciering dan wel een studiebeurs ontvangt.

Het LBIO heeft van de rechtbank ter zitting nog de mogelijkheid gekregen om extra stukken in te dienen maar heeft aangegeven daar geen gebruik van te maken. Daarnaast is door het LBIO niet inzichtelijk gemaakt welke kosten de moeder voor [naam 3] heeft gehad tijdens haar minderjarigheid. De rechtbank zal dat deel van het verzoek dat betrekking heeft op periode van 14 december 2007 tot 7 december 2012 daarom afwijzen.

Bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank:

- acht het LBIO niet bevoegd ten aanzien van haar verzoek dat ziet op de periode vanaf 7 december 2012;

- acht het LBIO niet-ontvankelijk ten aanzien van haar verzoek dat ziet op de periode voor 14 december 2007;

- wijst het verzoek dat betrekking heeft op de periode van 14 december 2007 tot 7 december 2012 af;

- bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Nijssen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.M.M. Zuidwijk, griffier, op 16 oktober 2013.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.