Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7622

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
13/520127-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een voormalig Amsterdamse marktmeester is veroordeeld voor het aannemen van steekpenningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/520127-09

Datum uitspraak: 19 november 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte ] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 oktober 2013, 31 oktober 2013, 1 november 2013 en 5 november 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Boheur en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.R.H. Freeke naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij zich gedurende een aantal jaren samen met anderen aan passieve ambtelijke corruptie heeft schuldig gemaakt, door als marktmeester in dienst van de gemeente Amsterdam geld en goederen van marktkooplieden op markten in Amsterdam Centrum aan te nemen en hun daartegenover gunsten te verlenen of in het vooruitzicht te stellen. Zo zouden verdachte en zijn medeverdachten bij de toewijzing van plaatsen voorrang hebben verleend, minder marktkramen dan gebruikt hebben gescand, marktpasjes hebben gescand om marktkooplieden aan hun verschijningsplicht te laten voldoen, marktkooplieden zonder de juiste vergunning hebben toegelaten en parkeerfaciliteiten hebben verleend.

Dit verwijt is ten laste gelegd onder zowel art. 362 Wetboek van Strafrecht (Sr) (passieve ambtelijke omkoping tot geoorloofde prestatie) als art. 363 Sr (idem t.a.v. ongeoorloofde prestatie).

2.2.

De integrale tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1, die aan dit vonnis is gehecht, en geldt als hier ingevoegd.

3 Geldigheid van de dagvaarding

Partiële nietigheid van de dagvaarding

3.1

De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van het tweede deel van de tenlastelegging, vanaf de woorden “en/of”, partieel nietig dient te worden verklaard. Het verwijt is dat de ambtenaar zich heeft laten omkopen, waarbij het oogmerk van de omkoper was gericht op handelingen die niet in strijd zijn met de ambtsplicht. De omschreven feitelijke gedragingen zijn evenwel allemaal in strijd met de ambtsplicht, zodat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is. De dagvaarding dient dan ook ten aanzien van dit tweede deel nietig te worden verklaard.

3.2

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het aan de rechtbank is te beoordelen of de gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als al dan niet in strijd met de ambtsplicht. Pas dan kan de vraag of van partiële nietigheid sprake is, worden beantwoord.

3.3

De rechtbank overweegt het volgende. Als een ambtenaar handelend in zijn bediening in strijd met de geldende voorschriften in ruil voor een tegenprestatie gelden of goederen ontvangt, handelt hij in strijd met de voor ambtenaren geldende gedragscode (zie bijvoorbeeld Gemeenteblad afd. 1 nr 390 van 21 juni 2001) en dus met zijn ambtsplicht. De gedragingen die in dit deel van de tenlastelegging zijn weergegeven, betreffen steeds dergelijke handelingen en zijn dus op zichzelf al in strijd met de ambtsplicht.

Op die grond acht de rechtbank dit deel van de tenlastelegging, dat ziet op artikel 362 Sr, innerlijk tegenstrijdig en verklaart de dagvaarding partieel nietig.

De dagvaarding is voor het overige geldig.

4 Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Inleiding

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

5.1.1

In oktober 2009 start naar aanleiding van meldingen over mogelijke onregelmatigheden een opsporingsonderzoek onder de naam 13 Kruger, dat zich op zeven marktmeesters van het Stadsdeel Centrum richt. Het ernstige vermoeden is gerezen dat deze marktmeesters sinds februari 2001 contante gelden (bedragen tussen de twee en vijftig euro) hebben aangenomen van marktkooplieden van diverse markten, zoals de Waterloopleinmarkt, de Nieuwmarkt, de Noordermarkt en de Lindengrachtmarkt. In ruil voor dit geld zouden de marktmeesters allerhande gunsten aan de marktkooplieden hebben verleend. Dit valt onder meer af te leiden uit meldingen die tussen januari 2004 en september 2009 bij het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam zijn binnengekomen. Voorts krijgt een buurtregisseur van het wijkteam Raampoort diverse meldingen van marktkooplieden die anoniem wensen te blijven en verklaren dat marktmeesters zich aan het aannemen van giften op de markten op de Noorderstraat, de Westerstraat en het Waterlooplein schuldig maken.

5.1.2

Meer specifiek ontvangt het Bureau Integriteit onder meer de volgende meldingen (zie nazending stukken naar aanleiding van vragen officier van justitie, proces-verbaal bevindingen van 2010 inclusief bijlagen):

13 okt 2004 (zie ook pagina 50035 van het doorgenummerde dossier):

Stadsdeel Centrum ontvangt een anonieme brief van diverse marktkooplieden waarin deze zich over marktmeester [verdachte 1] beklagen. Hij zou fooien aannemen of zich laten betalen voor het toewijzen van standplaatsen. Enkele maanden eerder zijn soortgelijke signalen over [verdachte 1] bij het stadsdeel binnengekomen. [verdachte 1] bezweert desgevraagd dat hij nooit fooien aanneemt (bijlage 2 en 6 bij dit proces-verbaal).

24 juni 2008:

Een marktkoopman meldt in een gesprek met het hoofd afdeling Bouwen en Wonen van stadsdeel Centrum dat marktmeesters op grote schaal fooien aannemen. Bureau Integriteit doet vooronderzoek. Vervolgens blijkt dat niemand wil verklaren. Wel zijn er signalen dat mogelijk dingen fout gaan op de markt. Het advies van het Bureau Integriteit luidt: investeren in preventieve maatregelen (zie ook bijlagen 3, 5 en 8 (afhandeling vooronderzoek van het Bureau Integriteit van 26 februari 2009) bij dit proces-verbaal, zie ook: mutatie 12 maart 2009, pagina 50038).

5.1.3

Aangezien veel meldingen anoniem worden gedaan, wijzen de gemeentelijke instanties de marktkooplieden meermalen erop dat anonieme meldingen in principe niet in behandeling worden genomen. Zie onder andere:

  • -

    Een e-mailwisseling in april 2005 tussen[naam] van Bureau Integriteit en een groep marktkooplieden die melden dat zich op de Amsterdamse markten een wijdverbreide corruptie voordoet (bijlage 7 bij proces-verbaal bevindingen van 2010, nazending stukken naar aanleiding van vragen officier van justitie, en mutatie 6 juni 2005, pagina 50036).

  • -

    Een brief van stadsdeel Centrum aan marktkooplieden van 3 sep 2009 (pagina 40349)

Hierin staat onder meer vermeld: “Als u aanwijzingen hebt dat de marktmeesters niet integer handelen, willen wij u vragen dit te melden bij het stadsdeel. Dit kan persoonlijk na het maken van een afspraak, via de telefoon of per brief (…). Onderzoek kan alleen worden ingesteld als de persoonlijke gegevens van de aangever bekend zijn. (…) Het spreekt voor zich dat een valse beschuldiging strafbaar is, maar het opzettelijk onheus beschuldigen met het doel een marktmeester te beschadigen, kan leiden tot een aangifte bij de politie wegens smaad.”

5.1.4

Op 7 september 2009 worden twee verbalisanten die deel uitmaken van het Doelgroepenteam, dat zich in het bijzonder op zakkenrollen richt, op de Westerstraat door de buurtregisseur aangesproken. Deze verklaart dat een sterk vermoeden bestaat dat de marktmeesters die werkzaam zijn op de Westermarkt, geld van de marktkooplieden aannemen. Marktkooplieden zouden geld betalen voor het behoud van hun plek. Het geld wordt heimelijk toegestopt. Het zou gaan om een grote negroïde man, genaamd [verdachte 1]. Hij zou samenwerken met een kleinere blanke man met rossig haar, genaamd [verdachte 2].

Verbalisanten zeggen dit in de surveillance te zullen meenemen. Zij lopen op de markt en zien de marktmeesters lopen. Verbalisanten zien dat marktmeester [verdachte 1] (= verdachte [verdachte 1]) zes maal geld of ‘iets kleins’ van kooplieden krijgt aangeboden. Verbalisanten merken op dat [verdachte 1] niet in één keer alle kraampjes controleert, maar na een aantal steeds naar de andere marktmeesters loopt. Hij kijkt ook om zich heen, volgens de verbalisanten kennelijk om te zien of hij wordt gecontroleerd. (zie proces-verbaal bevindingen van 7 september 2009, pagina 50041 e.v.)

5.1.5

De buurtregisseur van Jordaan Noord relateert in het najaar van 2009 dat hij de voorgaande jaren herhaaldelijk geruchten over corruptie bij marktmeesters heeft gehoord. Concrete aanwijzingen blijven achterwege. De laatste twee maanden (augustus en september 2009) is er meer onrust, omdat men door een nieuwe regeling 4x per jaar “moet” staan. Verteld wordt dat marktmeesters het legitimatiebewijs van de marktkooplieden die niet kunnen of willen staan, tegen betaling scannen. Niemand wil harde verklaringen afleggen uit angst voor represailles.

Deze buurtregisseur heeft op 17 augustus 2009 een gesprek met [verdachte 3] over de herprofilering en kondigt aan even op het kantoor van de marktmeesters aan de [adres 1] te zullen langskomen. Bij aankomst kort daarop blijkt hem dat de deur pas na lange tijd wordt geopend. De buurtregisseur maakt een grap daarover, maar hierop wordt niet gereageerd. Dan blijken binnen ook drie andere marktmeesters aanwezig te zijn. Er hangt een vreemde afstandelijke sfeer, aldus de buurtregisseur.

Op 18 september 2009 is de buurtregisseur op de Prinsengracht bij de Westermarkt. Hij spreekt met een hem ambtshalve bekende marktkoopman. Deze zegt dat in de Westerstraat ongevraagd de hele Dappermarkt “effe” door de marktmeesters is gescand. Hij gaf de indruk dat hij dat oneerlijk vond (zie Proces-verbaal bevindingen buurtregisseur Jordaan Noord 21 sep 2009, pagina 50039 e.v.).

Observaties

5.1.6

Op 2 november 2009 beveelt de officier van justitie naar aanleiding van de hiervoor genoemde meldingen dat de marktmeesters [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte ] stelselmatig dienen te worden geobserveerd (bevel tot observatie pagina 60006). Dit bevel wordt op 25 november 2009 ten aanzien van [verdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte 3] verlengd (verlenging bevel tot observatie pagina 60022).

5.1.7

Gedurende een aantal maanden vinden diverse observaties plaats, gericht op de verdachte marktmeesters. Deze observaties zijn verricht door de medewerkers van het onderzoeksteam, leden van het doelgroepenteam Binnenstad en het observatieteam van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Geverbaliseerd is dat gedurende deze observaties is gezien dat de marktmeesters [verdachte 1], [verdachte ], [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 6] meermalen geld aannemen van de marktkooplieden. Waargenomen wordt dat het geld veelal opgevouwen onder het te scannen marktpasje wordt aangeboden en dat de marktmeester na het scannen alleen het marktpasje teruggeeft. Volgens de verbalisanten gaat het om biljetten van € 10, € 20 en € 50.

Ten aanzien van de verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] vinden geen observaties plaats waar wordt gezien dat zij contante gelden van marktkooplieden aannemen.

Aangifte Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam

5.1.8

Op 13 januari 2010 doet het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam aangifte (aangifte, opgemaakt op 13 januari 2010 door [naam 1], onderzoeker, pagina 20002 e.v.) Deze aangifte houdt onder meer het volgende in:

“Een markt in stadsdeel Centrum bestaat voor ongeveer 80% uit vaste plaatshouders. De 20% losse plaatsen worden aan lotelingen en zogenoemde sollicitanten vergeven. Sinds 2006 is op de markten van het stadsdeel Centrum het Ceniamsysteem actief. Er is, sinds de invoering van het Ceniamsysteem, geen situatie meer denkbaar waarbij structureel contant betalingsverkeer tussen de koopman en de marktmeester plaatsvindt.

(…)

Onlangs is bij de gemeente Amsterdam informatie binnengekomen dat een aantal marktmeesters van de Waterloopleinmarkt en de Noord/Westermarkt contante gelden had aangenomen van marktkoopmannen. Het aannemen van deze gelden had vermoedelijk te maken met het toewijzen van marktplaatsen. De marktmeesters zijn ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam. Vanuit de gemeente Amsterdam is geen toestemming gegeven aan de marktmeesters om contante gelden van marktkoopmannen aan te nemen.”

Aanhoudingen en doorzoekingen

5.1.9

Op 11 januari 2010 worden vijf van de zeven marktmeesters van het stadsdeel Centrum aangehouden ([verdachte 1], [verdachte ], [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 6]). Op 18 januari 2010 worden ook de beide andere marktmeesters, [verdachte 2] en [verdachte 3], aangehouden. Ter gelegenheid van de aanhoudingen verricht de politie diverse doorzoekingen, zowel bij de verdachten thuis als op twee kantoren aan [adres 2] en de [adres 1] te Amsterdam. Daarbij worden, in een koektrommel, enveloppen met daarin geldbedragen (in totaal € 500) en daarop handgeschreven letters en/of cijfers gevonden. Verder wordt in een geldkistje in de locker van verdachte [verdachte 1] € 35.800 in contanten aangetroffen. Onder de verdachten worden diverse goederen in beslag genomen.

Verklaringen van verdachten en getuigen

5.1.10

De aangehouden marktmeesters leggen na hun aanhouding verklaringen af, evenals een aantal marktkooplieden, van wie enkelen aanvankelijk ook als verdachten worden gehoord. Verdachte [verdachte 2] verklaart tegenover de politie, zakelijk weergegeven, onder meer dat hij en zijn collega-marktmeesters gedurende enkele jaren van marktkooplieden bedragen, variërend van € 2 tot € 20, ontvingen en deze onderling verdeelden (verhoor verdachte [verdachte 2] 20 januari 2010, pagina 40270 e.v.). Het ging daarbij soms om € 250 per persoon per week. De bedragen werden in enveloppen gedaan waarop met letters de initialen van de ontvangende marktmeester werd vermeld. Zo stond “[verdachte 2]” voor [verdachte 2] en “[verdachte ]” voor [verdachte ]. De marktmeesters haalden de enveloppen uit de hiervoor onder 5.1.9 genoemde koektrommel. Zij hadden ieder een sleuteltje dat daartoe toegang gaf (verklaring verdachte [verdachte 2] 21 januari 2010, pagina 40278 e.v.).

Verdachte [verdachte 2] verklaart in deze twee verklaringen verder dat 60 tot 70% van de marktkooplieden aan de marktmeesters bedragen betaalde. Marktkooplieden werden ook wel aangesproken, als zij niet hadden betaald. Marktkooplieden ontvingen als tegenprestatie gunsten. Zo hoefde een marktkoopman die drie plaatsen wilde bezetten, daarvan slechts twee af te rekenen en betaalde hij het bedrag voor de derde plaats contant aan de marktmeester (pagina 40272). Kooplieden betaalden omdat ze op de vergunning van iemand anders stonden en [verdachte 2] deed daaraan dan niets aan (pagina 40274) Ook scanden marktmeesters marktpasjes weleens, als een marktkoopman niet op de markt aanwezig was (pagina 40282).

5.1.11

Een aantal marktkooplieden verklaart dat zij aan een of meer marktmeesters bedragen variërend van € 2 tot € 20 betaalden of moesten betalen, als zij van bepaalde faciliteiten gebruik wilden maken (onder meer verklaring [naam 2] 8 november 2011 bij de rechter-commissaris). Zo konden zij daarmee een betere plek krijgen (verklaring [naam 3] 13 december 2011 bij de rechter-commissaris), hoefden zij maar voor één in plaats van drie plekken te betalen (idem op 29 maart 2011) of kregen zij een plek waarop zij geen recht hadden (verklaring [naam 4] 3 november 2011 bij de rechter-commissaris en verklaring [naam 2] 8 november 2011 bij de rechter-commissaris). Zij verklaren dat zij zich genoopt voelden te betalen.

5.1.12

Van de andere marktmeesters verklaart [verdachte 1] dat hij en zijn collega’s gedurende een aantal jaren geld van marktkooplieden hebben aangenomen en dat zij de bedragen steeds onderling hebben verdeeld met behulp van enveloppen die voor ieder werden klaargelegd. Op deze enveloppen werd met letters aangeduid voor wie ze waren bestemd (verklaringen [verdachte 1] bij de politie 13 januari 2010, pagina 40014 e.v., en 21 januari 2010, pagina 40020 e.v.). Ook [verdachte ] (verklaring bij de politie 13 januari 2010, pagina 40164 e.v.), [verdachte 6] (verklaring bij de politie 12 januari 2010, pagina 40195 e.v.), [verdachte 3] (verklaring bij de politie 20 januari 2010, pagina 40325 e.v.) en [verdachte 4] (verklaring bij de politie 13 januari 2010, pagina 40105 e.v.) verklaren dat zij van marktkooplieden bedragen hebben ontvangen.

5.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte samen met anderen als marktmeester van de markten in stadsdeel Centrum, als ambtenaar, geld of giften heeft aangenomen in ruil voor het verlenen van gunsten en daarmee het bepaalde in artikel 363 Sr heeft overtreden. Verdachte heeft dit in de periode van 1 april 2004 tot 11 januari 2010 op de Westermarkt, de Waterloopleinmarkt, de Noordermarkt en de Nieuwmarkt in Amsterdam gedaan.

Zij leidt dit af uit:

  • -

    observaties, waaruit is gebleken dat verdachte op 6 november 2009, 16 november 2009 en 11 januari 2010 geld heeft aangenomen bij het scannen van de marktpas;

  • -

    verklaringen van verschillende marktkooplieden die aangeven dat zij geld aan de marktmeesters hebben gegeven en dat zij hierdoor werden begunstigd;

  • -

    de verklaring van verdachte, waaruit blijkt dat hij geld heeft aangenomen en meedeelde in de verdeling van het op de markten opgehaalde geld;

  • -

    de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten over de reden waarom de marktmeesters geld ontvingen.

De officier van justitie vindt dat sprake is van medeplegen van het feit. Zij acht de bewuste en nauwe samenwerking aanwezig, omdat de marktkooplieden de groep marktmeesters als een team zien. Ook de financiële afwikkeling van de opbrengsten en de wijze van verdeling van het geld en het verhullen van de herkomst door gebruik van codetaal wijzen erop dat de handelingen door de groep als geheel werd gedragen en uitgevoerd.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft voor algehele vrijspraak gepleit. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd:

Bewijsuitsluiting politieverklaringen verdachte

5.3.1

Verdachte heeft geen rechtsbijstand gehad bij het verhoor door de politie, terwijl hij daarop recht had en dit ook wenste. Dat hij bij het eerste verhoor heeft gezegd dat hij “niet zou weten wat hij met een advocaat zou moeten bespreken” en daarom geen bezwaar ertegen had met het verhoor te beginnen, kan hem niet worden tegengeworpen. Hij wist niet waarover het ging. Later in het verhoor heeft hij gezegd dat hij een advocaat wilde raadplegen. Hij heeft toen heel kort met een advocaat gesproken, maar die was zo weer weg, want hij had al twee uur zitten wachten en zij hebben niet veel besproken. Dit moet tot bewijsuitsluiting van de verhoren van verdachte bij de politie leiden, nu aan het recht tot consultatie geen effectieve invulling is gegeven, omdat de advocaat niet werd toegelaten.

Tevens zijn bij de verhoren hypothesen aan verdachte voorgehouden, waarop verdachte heeft geantwoord. Deze antwoorden ziet de politie niet als antwoorden op de hypothesen, maar als waarheden. Verdachte zijn woorden in de mond gelegd.

Verder had verdachte op grond van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad (Salduz) geen afstand van het recht op consultatiebijstand mogen doen, omdat het een categorie A-zaak als bedoeld in de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie betreft, waarbij hetzij een grote maatschappelijke impact kan worden verwacht dan wel dat het een gevoelige zaak betreft.

Bewijsuitsluiting verklaringen [naam 4], [naam 2] en [naam 3]

5.3.2

De verklaringen van de marktkooplieden [naam 4], [naam 2] en [naam 3] zijn niet betrouwbaar. Zij hebben deze afgelegd, nadat de marktmeesters waren aangehouden en de kranten al veel over de zaak hadden geschreven. Deze drie kooplieden hebben problemen met de marktmeesters ondervonden en de marktmeesters hebben rapporten over hen opgesteld met betrekking tot onrechtmatig handelen door deze kooplieden. Deze drie kooplieden hebben hun verhaal mogelijk uit rancune gedaan.

[naam 2] heeft bij de politie verklaard dat hij moest betalen, omdat hij anders geen plek kreeg. Bij de rechter-commissaris zegt hij over zijn verklaring bij de politie dat het erop begint te lijken “dat de verklaring die de politie op papier heeft gezet niet mijn verklaring is.” Zijn verklaring bevat geen concrete aanwijzingen, maar alleen vermoedens en conclusies. Zij is daarnaast onbetrouwbaar. Zij kan dus niet voor het bewijs worden gebruikt. Ook de verklaring van [naam 4] is weinig concreet en wordt bij de rechter-commissaris grotendeels teruggenomen. De verklaring dient dan ook te worden uitgesloten van het bewijs. [naam 3] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij verdachte wel eens een fooitje heeft gegeven.

Het verlenen van gunsten

5.3.3

Het verlenen van gunsten, zoals opgenomen in de tenlastelegging, is niet mogelijk en hiervan is ook niet gebleken. Het verlenen van voorrang op een plaats op de markt kan niet, omdat plaatsen worden vergeven op basis van anciënniteit en de marktkooplieden heel goed weten wie welke nummers heeft. Ook het gunnen van parkeerplaatsen is onmogelijk, hetzij omdat de kooplieden hun auto achter hun kraam mochten zetten, hetzij omdat afspraken met Parkeerbeheer zijn gemaakt over het parkeren en het wel of niet optreden tegen foutparkeerders geen bevoegdheid van de marktmeesters was. Het niet scannen van een pas of plaats kon ook niet, omdat er wel degelijk enige vorm van controle op de markt was. Ook het scannen van een pas ten behoeve van de verschijningsplicht of het toelaten van kooplieden zonder vergunning is om die reden niet waarschijnlijk.

Observaties/voorwaardelijk verzoek om getuigen te horen

5.3.4

De verdediging kan de observaties niet toetsen, omdat de observanten tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris lieten merken dat zij door tijdsverloop geen herinneringen meer hadden aan wat ze hadden gezien. Gebruik van de observaties voor het bewijs is onder deze omstandigheden een schending van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De raadsvrouw acht het onredelijk als de vage observaties worden gebruikt voor het bewijs. Ook zijn observaties door de marktkooplieden ontkracht. De raadsvrouw doet een voorwaardelijk verzoek de nog niet gehoorde observanten als getuigen te horen, indien de rechtbank de observaties voor het bewijs wil gebruiken. Tevens verzoekt de raadsvrouw – eveneens voorwaardelijk – Ton Derksen op te roepen als getuige-deskundige om te kunnen vaststellen of de observaties objectief gezien betrouwbaar zijn.

Conclusie

5.3.5

De raadsvrouw concludeert dat geen sprake is van ambtelijke omkoping en dat slechts fooitjes zijn betaald waarvoor geen gunsten zijn verleend. Het aannemen van fooien is een plichtsverzuim en heeft geleid tot een strafontslag, maar het is geen strafbaar feit. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Medeplegen

5.3.6

De raadsvrouw is van mening dat geen sprake is van medeplegen. Hiervoor is namelijk vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking op het plegen van het strafbare feit. Er moet willens en wetens worden samengewerkt tot het verrichten van een strafbare gedraging. Niet is gebleken dat sprake is van opzet op het plegen van het feit, en evenmin dat van opzet op samenwerking daarbij sprake is. Het meedelen in de fooienpot is hiervoor niet voldoende.

5.4

Het oordeel van de rechtbank

Uitsluiting van het bewijs

5.4.1

In de door de verdediging aangehaalde Aanwijzing van het Openbaar Ministerie worden als categorie A-zaken onder meer aangemerkt zaken waarbij sprake is van een verdenking van een misdrijf waarbij voorlopige hechtenis toegelaten is en waarvan redelijkerwijs valt aan te nemen dat zij zullen voldoen aan het begrip ‘gevoelige zaak’. Een ‘gevoelige zaak’ wordt omschreven aan de hand van de volgende kenmerken – voor zover op de onderhavige zaak van toepassing:

* de ernst of de aard van het delict brengt landelijk of lokaal grote maatschappelijke commotie teweeg of kan dat teweegbrengen;

* de verdachte, (…) geniet landelijk of lokaal grote bekendheid vanwege zijn of haar positie of functie en/of heeft een bijzondere positie die voortvloeit uit zijn of haar beroepsuitoefening.

Indien al zou moeten worden aangenomen dat een verdachte aan – dit onderdeel van – de Aanwijzing een rechtens beschermd belang kan ontlenen, heeft de politie in het onderhavige geval in redelijkheid kunnen oordelen dat in deze concrete zaak van een categorie A-zaak geen sprake is. Het ten laste gelegde delict heeft landelijk noch lokaal grote maatschappelijke commotie teweegbracht. Evenmin genoot verdachte landelijk of lokaal grote bekendheid vanuit zijn bijzondere positie als marktmeester. De mate van publiciteit over de strafzaak in, vooral, de Amsterdamse media doet hieraan niet af.

5.4.2

Verdachte verklaart aan het begin van het eerste verhoor op 11 januari 2010 dat hij niet weet waarvoor hij een raadsman nodig heeft en zegt vervolgens geen bezwaar te hebben tegen het starten van het verhoor. Aan het eind van het eerste verhoor zegt verdachte dat hij zijn advocaat wil spreken. In het tweede verhoor, van 12 januari 2010, verklaart verdachte dat hij de dag tevoren zijn advocaat heeft kunnen spreken, maar dat die twee uur had zitten wachten en zo weer weg was. Ter terechtzitting zegt verdachte dat hij op de eerste dag zijn advocaat heeft gezien, maar dat die na een kwartier al weer weg was.

Nu verdachte op de eerste dag met zijn advocaat heeft gesproken, heeft hij van zijn consultatierecht gebruik kunnen maken. Tevens heeft hij voor aanvang van het derde verhoor nog telefonisch contact met zijn advocaat gehad. De advocaat heeft dus de gelegenheid gehad zijn cliënt op zijn zwijgrecht te wijzen. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat verdachte in zijn tweede verhoor heeft verklaard: “Ik moet mijn mond gewoon houden, dat had mijn advocaat al tegen mij gezegd” (pagina 40142).

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte geen contact heeft gehad met een advocaat en dat de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie op die grond moeten worden uitgesloten van het bewijs, wordt dan ook verworpen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2], [naam 3] en [naam 4]

5.4.3

Uit de verschillende door de marktkooplieden [naam 2], [naam 3] en [naam 4] afgelegde verklaringen volgen geen aanwijzingen dat deze drie kooplieden, vanwege eerdere problemen met de marktmeesters op de markt, uit rancune onjuiste verklaringen over de marktmeesters hebben afgelegd, met als gevolg dat hun verklaringen als onbetrouwbaar zouden moeten worden aangemerkt. De getuigen zijn bij de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de raadslieden die hun kritische vragen hebben gesteld. Zij hebben ook hier gedetailleerde verklaringen afgelegd, ook toen zij zelf nog als verdachte waren aangemerkt. Er is dus geen grond deze verklaringen vanwege onbetrouwbaarheid van het bewijs uit te sluiten.


Nadere bewijsoverwegingen

5.4.4

De rechtbank ziet zich voor de volgende vragen gesteld:

  1. Had verdachte ten tijde van het ten laste gelegde de hoedanigheid van ambtenaar?

  2. Is sprake van een gift, gedaan aan een ambtenaar?

  3. Had deze gift ten doel verdachte te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten?

  4. Had verdachte hiervan wetenschap of een redelijk vermoeden?

  5. Strekte het doel van de gift zich ook uit tot het bewegen van verdachte in strijd met zijn ambtsplicht te handelen en had verdachte ook hiervan wetenschap of een redelijk vermoeden?

Ad a:

Uit de aangifte door het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam komt naar voren dat verdachte ambtenaar was bij de gemeente Amsterdam (pagina 20002 e.v.): “De marktmeesters zijn ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam.” Uit het proces-verbaal van relaas blijkt dat verdachte een aanstelling heeft als marktmeester vanaf 1 oktober 2003 (zie pag. A1008 e.v.).

Ad b:

Verdachte heeft verklaard dat hij giften in de vorm van fooien van de marktkooplieden heeft ontvangen en dat dit al geruime tijd gebruik was.

Ad c, d en e:

Gelet op de onder 5.1.10 en 5.1.11 geciteerde verklaringen van verdachte [verdachte 2] en van de drie genoemde marktkooplieden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn aan verdachte en zijn collega-marktmeesters giften aangeboden teneinde hen te bewegen in strijd met hun ambtsplicht in hun bediening iets te doen of na te laten. Zij hadden hiervan wetenschap. Ook verdachte [verdachte ] zelf verklaart dat je nu misschien een stalletje minder kan scannen (pag. 40165) en dat het geld dat betaald werd te maken had met de plek die de koopman had. Daar had hij kennelijk geld voor over, die hadden hun vaste plek (pag. 40166).

Medeplegen

5.4.5

Medeplegen vereist nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Niet nodig is dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling(en) mede verrichten.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben giften van de marktkooplieden ontvangen en wisten dat hiervoor een tegenprestatie werd verwacht. Voor het delict van artikel 363 Sr is niet vereist dat deze tegenprestatie ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Voldoende is dat de ambtenaar op het moment dat hij de gift aanneemt, weet (of redelijkerwijs moet vermoeden) dat die gift hem is gedaan om hem te bewegen in de toekomst iets te doen of na te laten.

Gelet op de verklaringen van [naam 2], [naam 4] en [naam 3], in samenhang met de verklaring van [verdachte 2], is komen vast te staan dat de marktkooplieden giften hebben gedaan teneinde van de marktmeesters gedaan te krijgen dat zij voorrang kregen bij de verdeling van de marktplaatsen, dat minder marktkramen werden gescand dan de kooplieden daadwerkelijk in gebruik hadden of dat marktpasjes werden gescand zonder dat de kooplieden daadwerkelijk op de markt stonden teneinde te voldoen aan hun verschijningsplicht.

Nu de marktmeesters het geld heimelijk, te weten onder de te scannen marktpasjes, aangeboden kregen, het geld samenbrachten en dit geld aan het eind van de dag of week onder elkaar verdeelden en geen van de marktmeesters zich van deze gedragingen heeft gedistantieerd, is van medeplegen sprake.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 april 2004 tot 11 januari 2010, te Amsterdam, als ambtenaar, in de functie van marktmeester in dienst van de gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, giften, te weten telkens geldbedragen, variërend van € 2,00 tot € 50,00, heeft aangenomen van marktkooplieden op de Noordermarkt en/of de Westermarkt en/of de Waterloopleinmarkt en/of de Nieuwmarkt, wetende dat die giften hem, verdachte, en zijn mededaders, werden gedaan en/of aangeboden

- teneinde hen te bewegen, in strijd met hun plicht, in hun bediening iets te doen of na te laten, en

- ten gevolge of naar aanleiding van wat zij, in strijd met hun plicht, in hun bediening hebben gedaan of nagelaten;

te weten het telkens

- voorrang verlenen aan marktkooplieden bij de toewijzing van een plaats op de markt en

- scannen van minder marktkramen dan de marktkooplieden in werkelijkheid in gebruik hebben en

- scannen van marktpasjes om de marktkooplieden aan hun verschijningsplicht op de markt te kunnen laten voldoen.

Gedeeltelijke vrijspraak:

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onderdelen:

a. toestaan dat marktkooplieden hun auto op de markt parkeren en

b. toelaten op de markt van marktkooplieden zonder de juiste vergunning.

Zij overweegt hierbij het volgende.

ten aanzien van a:

Uit de verklaringen van de verdachten is gebleken dat het op een aantal markten was toegestaan om bij of achter de kraam te parkeren. Alleen bij de Waterloopleinmarkt was dit niet toegestaan. Het toezicht hierop is in handen van de Dienst Parkeerbeheer gelegd. Met deze dienst zijn afspraken over het parkeren gemaakt. Het is daarom niet aannemelijk dat verdachten giften voor het toestaan van auto’s op de markt hebben ontvangen, nu zij hierin geen enkele bevoegdheid hadden.

ten aanzien van b:

Uit verklaringen komt naar voren dat marktplaatsen soms werden verpacht. Geen van deze verklaringen is echter concreet, zodat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring.

7 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

8 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 De strafbaarheid van verdachte

9.1

Afwezigheid van alle schuld

De raadsvrouw heeft betoogd dat de gemeente zelf medeverantwoordelijk is voor de misstanden die zijn ontstaan door de invoering van het zogenoemde praktische marktbeheer, de complexiteit van de regels, die tal van uitzonderingen kennen, het niet adequaat reageren op rapporten over bijvoorbeeld het parkeerprobleem en het uitstellen van de herindeling van de markten. De gemeente heeft haar taken en zorgplichten als werkgever en dienstverlener jegens de markt ernstig verzaakt en haar ogen gesloten voor wat allang bekend had moeten zijn. De raadsvrouw verwijst naar de Risicoanalyse Warenmarkten Amsterdam (overgelegd als productie 5 bij haar pleitnota) en het daaropvolgende Plan van aanpak Integriteitsrisico’s warenmarkten Amsterdam (productie 8 bij haar pleitnota) waarin een paar volgens haar onthutsende conclusies staan over het ontbreken van uniforme uitvoeringsinstructies voor marktmeesters, onvoldoende interne controle, weinig sturing voor leidinggevenden, het ontbreken van een eenduidig geautomatiseerd marktsysteem, de beperkte handhaafbaarheid van de verordening op de straathandel en het ontbreken van investering in de markt en de integriteitsrisico’s.

9.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat van afwezigheid van schuld geen sprake is. De gemeente wist niet dat de marktmeesters steekpenningen aannamen in ruil voor tegenprestaties. Dat de gemeente na deze affaire met een reorganisatie van de markt is begonnen, maakt niet dat de verdachte geen schuld aan de verweten gedragingen heeft.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep van de raadsvrouw op afwezigheid van alle schuld (AVAS). Niet gebleken is dat het door verdachte gepleegde feit, te weten het aannemen van geld in ruil voor gunsten, op enigerlei wijze verontschuldigbaar was. Uit het gebrek aan controle door de marktbeheerder, noch uit het zogenoemde praktisch marktbeheer, noch uit de geringe mate van ontvankelijkheid bij de leiding voor de klachten/rapporten van de marktmeesters kan worden opgemaakt dat verdachte mocht menen dat hij in zijn werk als ambtenaar geld mocht aannemen en daartegenover gunsten mocht verlenen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Motivering van de straffen en maatregelen

10.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in haar op schrift gestelde requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest.

10.2

De strafmaatverweren van de verdediging

Primair heeft de raadsvrouw integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Subsidiair voert de raadsvrouw het volgende aan.

Overschrijding redelijke termijn

De verdediging heeft een beroep gedaan op de redelijke termijn, nu de strafzaak al bijna vier jaar loopt. Een jaar heeft in het teken van het horen van getuigen gestaan, maar ook daarna is lange tijd niets in de zaak gebeurd. Op grond hiervan verzoekt de raadsvrouw om strafvermindering.

Dubbele bestraffing

Verdachte heeft naar aanleiding van deze zaak strafontslag gekregen. Hierdoor is verdachte al aanzienlijk gestraft. De strafrechtelijke afdoening zou inhouden dat verdachte dubbel wordt gestraft.

Media-aandacht

Voorts heeft de zaak veel media-aandacht gekregen, waardoor verdachte in een sociaal isolement is terechtgekomen.

Strijd met het gelijkheidsbeginsel

Tevens voert de raadsvrouw aan dat na het bekend worden van deze zaak op markten in andere stadsdelen van Amsterdam ook marktmeesters zijn aangehouden voor hetzelfde feit en dat deze niet strafrechtelijk worden vervolgd. De raadsvrouw acht dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Marktkooplieden niet vervolgd

De marktkooplieden die de fooitjes hebben gegeven, worden niet vervolgd. Ook hier lijkt van een symboolfunctie bij de vervolging van de marktmeesters sprake te zijn. Dit moet tot een lagere straf leiden.

Strafmaat

Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dan zijn bovengenoemde feiten onvoldoende in de eis van de officier van justitie meegewogen. Verdachte is inmiddels zwaar genoeg gestraft. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank dan ook geen verdere straf meer op te leggen onder toepassing van artikel 9a Sr.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

10.3.1

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft met zijn medeverdachten, in zijn functie van marktmeester en dus als ambtenaar van de gemeente, gedurende een lange periode – van 1 april 2004 tot 11 januari 2010 – op verschillende markten in Amsterdam, stadsdeel Centrum, samen met zijn collega-marktmeesters geld van kooplieden aangenomen in ruil voor het verlenen van gunsten ten behoeve van deze kooplieden. Het aannemen van steekpenningen door ambtenaren is een ernstig delict, omdat het het publieke vertrouwen in de objectiviteit van de beslissingen van ambtenaren aantast. Integriteit van ambtenaren behoort tot de fundamenten van de rechtsstaat. Het belang van een onkreukbare overheid, ook wanneer deze zich op een zeer lokaal gebied als een markt manifesteert, is van groot belang voor het vertrouwen in deze overheid.

Marktmeesters vervullen een vertrouwensfunctie op de markt. Verdachte heeft voor eigen gewin gehandeld en bovenop zijn salaris veel geld ontvangen. Hiermee heeft hij het vertrouwen in een eerlijke markt geschaad. Verder heeft verdachte, ook ter zitting, geen inzicht in het laakbare karakter van zijn handelen getoond.

10.3.2

Bij het bepalen van de strafsoort en strafduur heeft de rechtbank voorts het volgende overwogen.

Oriëntatiepunten

De officier van justitie is in haar strafeis van de totale vermoede opbrengst van de giften uitgegaan. Voor haar eis heeft zij aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, zoals het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsector (LOVS) deze heeft geformuleerd. Hierbij komt zij op een fraudebedrag tussen € 500.000,- en € 1.000.000,- uit, waarbij als oriëntatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18-24 maanden staat.

Aan de verdachten in deze zaak kan niet de totale opbrengst worden toegerekend, omdat zij niet in elkaars opbrengsten hebben gedeeld. Daarom zal de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat aansluiting zoeken bij de opbrengsten die de verdachten per persoon uit het gepleegde feit hebben ontvangen, te weten bedragen tussen de € 70.000,- en € 125.000,-. Gelet op de LOVS-oriëntatiepunten past hierbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden of een taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal in het nadeel van verdachte rekening houden met de duur van de periode waarin hij het bewezen verklaarde heeft gepleegd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf tevens acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 september 2013, waaruit blijkt dat verdachte weliswaar eenmaal eerder is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk feit.

Rechtsongelijkheid

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van rechtsongelijkheid, nu een aantal marktmeesters van andere markten in Amsterdam op grond van soortgelijke feiten is ontslagen, niet strafrechtelijk is vervolgd.

Volgens de officier van justitie zijn in de afgelopen vijf jaar vijf andere marktkooplieden in verband met het aannemen van geld van kooplieden ontslagen. Daar is niet komen vast te staan dat de marktmeesters tegenprestaties hebben geleverd, zodat geen bewijs voor het plegen van ambtelijke omkoping aanwezig is. In één zaak heeft de gemeente Amsterdam aangifte gedaan, maar deze zaak is niet vervolgd op grond van capaciteitstekort bij de opsporende instanties.

Dit betekent dat sprake is van hetzij een ongelijke situatie, hetzij beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie. De rechten van de verdachten in deze zaak zijn dan ook niet geschonden en strafmatiging op grond van rechtsongelijkheid is derhalve niet aan de orde.

Dubbele bestraffing

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het strafontslag van de verdachte een punitief karakter heeft. Zij zal hiermee in het voordeel van verdachte rekening houden bij de bepaling van de strafmaat.

Niet handelen door de gemeente

De gemeente heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de aard van de functie en de vertrouwenspositie die de marktmeesters hebben. Zij heeft in eerste instantie niets gedaan met de klachten die de marktmeesters hebben aangedragen. Voorts heeft zij de marktmeesters geen duidelijke instructies of begeleiding gegeven. Hoewel dit de gemeente euvel kan worden geduid, laat dit de eigen verantwoordelijkheid van de marktmeesters voor hun handelwijze onverlet. Zij wisten dat wat zij deden niet mocht, en zijn hiermee desondanks jarenlang doorgegaan. De houding van de gemeente Amsterdam kan derhalve niet tot strafvermindering leiden.

Media-aandacht

In strafmatigende zin zal de rechtbank rekening houden met de media-aandacht die aan de zaak is gegeven. Hoewel verdachte geen publiek figuur is, wisten de sociale omgeving van de verdachte en de kooplieden van de markten direct om wie het ging. Publicatie over een strafzaak is niet ongeoorloofd, maar de negatieve impact op verdachte is hierdoor wel groter geworden.

Redelijke termijn

Sinds de aanhouding van de verdachte zijn bijna vier jaren verstreken. Hoewel een deel van deze termijn is te verklaren, doordat de rechter-commissaris veel getuigen heeft gehoord, zijn sinds het laatste getuigenverhoor op 20 december 2012 geen onderzoekhandelingen meer verricht. De rechtbank acht een strafmatiging van 10 % op zijn plaats.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden bestaat aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Met het oog op de juiste normhandhaving en de algemene preventie kan niet met het opleggen van een taakstraf worden volstaan. De na te noemen straf is daarom passend en geboden.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57 en 363 Sr.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten

en

medeplegen van als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het tweede deel van de dagvaarding met betrekking tot artikel 362 Sr, nietig.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte ] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis van 60 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en P.J. van Eekeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2013.

BIJLAGE 1

Tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2003 2001 tot 11 januari 2010, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als ambtenaar, in de functie van marktmeester in dienst van de gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer gift(en), te weten (telkens)

een of meerdere geldbedrag(en), te weten dagelijks een geldbedrag variërend van EUR 2,00 tot EUR 50,00, en/of goed(eren), te weten verkoopwaar van marktkooplieden,

heeft/hebben aangenomen van een of meer marktkooplieden op de Noordermarkt en/of de Westermarkt en/of de Waterloopleinmarkt en/of de Nieuwmarkt, in elk geval op een of meerdere markt(en) te Amsterdam, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat die gift(en) hem, verdachte en/of zijn mededader(s), werd(en) gedaan en/of aangeboden en/of

heeft/hebben gevraagd van een of meer marktkooplieden op de Noordermarkt en/of de Westermarkt en/of de Waterloopleinmarkt en/of de Nieuwmarkt, in elk geval op een of meerdere markt(en) te Amsterdam,

-teneinde hem/hen te bewegen om, in strijd met zijn/hun plicht, in zijn/hun bediening iets te doen of na te laten, en/of

-ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem/hun, in strijd met zijn/hun plicht, in zijn/hun huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;

te weten het (telkens)

-voorrang verlenen aan marktkooplieden bij de toewijzing van een plaats op de markt en/of

-toestaan dat marktkooplieden hun auto op de markt parkeren en/of

-scannen van minder marktkramen dan de marktkooplieden in werkelijkheid in gebruik hebben

-scannen van marktpasjes om de marktkooplieden te kunnen laten voldoen aan hun verschijningsplicht op de markt,

-toelaten op de markt van marktkooplieden zonder de juiste vergunning

artikel 363 lid 1 sub 1 en/of sub 2 en/of sub 3 en/of sub 4 juncto artikel 47

Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2003 2001 tot 11 januari 2010, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als ambtenaar, in de functie van marktmeester in dienst van de gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer gift(en), te weten (telkens)

een of meerdere geldbedrag(en), te weten dagelijks een geldbedrag variërend van EUR 2,00 tot EUR 50,00, en/of goed(eren), te weten verkoopwaar van marktkooplieden,

heeft/hebben aangenomen van een of meer marktkooplieden op de Noordermarkt en/of de Westermarkt en/of de Waterloopleinmarkt en/of de Nieuwmarkt, in elk geval op een of meerdere markt(en) te Amsterdam, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat die gift(en) hem, verdachte en/of zijn mededader(s), werd(en) gedaan en/of aangeboden en/of

heeft/hebben gevraagd van een of meer marktkooplieden op de Noordermarkt en/of de Westermarkt en/of de Waterloopleinmarkt en/of de Nieuwmarkt, in elk geval op een of meerdere markt(en) te Amsterdam,

-teneinde hem/hen te bewegen om, zonder daarmee in strijd met zijn/hun plicht te handelen, in zijn/hun bediening iets te doen of na te laten, en/of

-ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem/hun, zonder daarmee in strijd met zijn/hun plicht te handelen, in zijn/hun huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;

te weten het (telkens)

-voorrang verlenen aan marktkooplieden bij de toewijzing van een plaats op de markt en/of

-toestaan dat marktkooplieden hun auto op de markt parkeren en/of

-scannen van minder marktkramen dan de marktkooplieden in werkelijkheid in gebruik hebben

-scannen van marktpasjes om de marktkooplieden te kunnen laten voldoen aan hun verschijningsplicht op de markt,

-toelaten op de markt van marktkooplieden zonder de juiste vergunning

artikel 362 lid 1 sub 1 en/of sub 2 en/of sub 3 en/of sub 4 juncto artikel 47sr