Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7617

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
AMS 12-5387
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3787, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek handhavend op te treden terecht afgewezen. Verweerder was niet bevoegd handhavend op te treden. Verweerder was niet gehouden om een onderzoek in te stellen naar de aard en hoeveelheid van de afvoerkanalen in de bedrijfsruimte van het naastgelegen pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/5387

uitspraak van de meervoudige kamer van datum in de zaak tussen

[naam] te Amsterdam, eiser,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.D. Hosper).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen [naam 2].

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2013. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door[betrokkene], inspecteur Gebruikstoezicht. De derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1.

Eiser is eigenaar van de horecazaak [bedrijf], gevestigd aan [adres] te Amsterdam. De derde-partij is eigenaar van het naast het bedrijf van eiser op het adres [adres 1] te Amsterdam gevestigde bedrijf [adres 1].

2.

Op 3 januari 2012 heeft eiser verweerder verzocht handhavend op te treden. Eiser heeft geconstateerd dat [adres 1] op 2 januari 2012 bouwwerkzaamheden heeft verricht aan het gezamenlijke ventilatiekanaal en dit kanaal heeft afgesloten. Eiser heeft verweerder verzocht [adres 1] te sommeren de bouwwerkzaamheden aan het gemeenschappelijke ventilatiekanaal te staken en deze te heropenen. Verder verzoekt eiser verweerder onderzoek te verrichten naar de aard en hoeveelheid van de afvoerkanalen bij het object [adres 1] te Amsterdam.

3.

Bij het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden afgewezen. Op 4 januari 2012 is door een inspecteur geconstateerd dat in het pand [adres 1] de verwarmingsketel was verplaatst. De inspecteur heeft vastgesteld dat het gemeenschappelijke kanaal tussen de panden geen ventilatiekanaal, maar de rook-gasafvoer betrof. De verwarmingsketel bleek aangesloten te zijn op de gemeenschappelijke rookgasafvoer die in verbinding stond met het pand van eiser. Dit is los gekoppeld en daarmee is de voordien bestaande onveilige situatie beëindigd. De opening die hierdoor in de gezamenlijke muur is ontstaan moest hersteld worden. Als gevolg van de afsluiting van deze opening heeft eiser geen schade ondervonden. Eiser heeft een eigen luchtafvoer. De werkzaamheden die zijn uitgevoerd door [adres 1] waren niet vergunningplichtig. De bedrijfsruimte van [adres 1] voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit, waarin onder andere is gesteld dat een bedrijfsruimte geventileerd moet zijn. Verweerder heeft overwogen dat nu er geen sprake was van strijd met regelgeving, er niet handhavend kon worden opgetreden. Verweerder ziet verder geen aanleiding een uitgebreid nieuw onderzoek te verrichten naar de hoeveelheid afvoerkanalen in het pand [adres 1]. Dit deel van het verzoek van eiser ziet op de door eiser gestelde stankoverlast. Uit een brief van 16 september 2011 blijkt dat de oorzaak van het stankprobleem was gevonden en is opgelost. Uit hetgeen op de hoorzitting op 17 juli 2011 is gesteld, leidt verweerder af dat er momenteel geen sprake is van concrete stankoverlast.

4.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft in beroep – kort gezegd – aangevoerd dat verweerder ten onrechte er van heeft afgezien handhavend op te treden. De stelling van verweerder dat het zou gaan om een rook-gasafvoerkanaal is onjuist. Volgens eiser heeft [adres 1] het ventilatiekanaal dat zich in de gemeenschappelijke muur bevindt afgesloten, waardoor eiser niet meer kan voldoen aan de wettelijke eisen van het Bouwbesluit. Aanpassingen aan de fysieke structuur van het kanaal zijn vergunningplichtig. Anders dan verweerder stelt heeft eiser geen ventilatiekanaal dat in verbinding staat met de buitenlucht. Verweerder heeft ten onrechte ondanks meerdere verzoeken hiertoe van eiser geweigerd onderzoek te doen naar de ventilatiekanalen van [adres 1] en openheid van zaken te geven over de bouwtechnische eisen van de bedrijfsruimte waar [adres 1] in is gevestigd.

5.1

In geschil is of verweerder handhavend had dienen op te treden tegen de door [adres 1] uitgevoerde werkzaamheden op 2 januari 2012.

5.2

Allereerst dient de rechtbank te onderzoeken of verweerder bevoegd was handhavend op te treden. Daartoe zal moeten worden vastgesteld of sprake is van overtreding van een wettelijke voorschrift.

5.3

Uit het dossier volgt dat verweerder naar aanleiding van eisers verzoek om handhaving een bezoek heeft gebracht aan de bedrijfsruimte gevestigd aan de [adres 1]. Geconstateerd is dat een voorheen onveilige situatie door de op 2 januari 2012 verrichte bouwwerkzaamheden, bestaande uit het verplaatsen van de verwarmingsketel en het dichtmaken van het gat in de gezamenlijke muur met [adres] te Amsterdam, is beëindigd. Verweerder heeft aangegeven dat het hier niet vergunningplichtige werkzaamheden betrof. Ter zitting heeft verweerder hieromtrent toegelicht dat het ging om inpandige werkzaamheden die niet zagen op de constructie van het pand. Verweerder heeft op 4 januari 2012 geen overtredingen van het Bouwbesluit of andere wet- of regelgeving geconstateerd. De rechtbank is niet gebleken dat dit anders zou zijn. Eiser heeft niet gemotiveerd aangegeven waarom er in de bedrijfsruimte van de firma [adres 1] sprake zou zijn van een met de wet- of regelgeving strijdige situatie. Nu niet gebleken is dat sprake is van een overtreding van enig wettelijk voorschrift was verweerder niet bevoegd om ten aanzien van de firma [adres 1] handhavend op te treden.

5.4

Voor zover eiser heeft willen betogen dat verweerder handhavend had dienen op te treden tegen [adres 1], omdat er als gevolg van de op 2 januari 2012 verrichte werkzaamheden in eisers eigen bedrijfsruimte een met de wet- of regelgeving strijdige situatie is ontstaan, overweegt de rechtbank dat hiervan niet is gebleken. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de bedrijfsruimte van eiser wel voorzien is van de op grond van het Bouwbesluit vereiste ventilatie. De rechtbank wijst in dit kader op de brieven van verweerder van 1 november 2007, 12 december 2007 en 23 november 2010 waarin door verweerder naar aanleiding van de driejaarlijkse horecacontrole wordt geconcludeerd dat er in het pand van eiser geen onregelmatigheden zijn vastgesteld die niet direct verholpen konden worden en dat de verplichte mechanische ventilatie in het pand van eiser aanwezig is. Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte van handhavend optreden heeft afgezien, faalt dan ook.

6.

De rechtbank is ten aanzien van het tweede verzoek van eiser van oordeel dat verweerder, gelet op het voorgaande, niet gehouden was (nader) onderzoek in te stellen naar de aard en hoeveelheid van de afvoerkanalen in de bedrijfsruimte van [adres 1].

7.

Het beroep is ongegrond.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, mrs. M. Verberne en A.D. Belcheva, leden,

in aanwezigheid van mr. R.M. Wiersma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2013.

de griffier

de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB