Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7429

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
HA EXPL 13-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Derdenbeslag, art. 475, 476a, 477 en 477a Rv. In deze zaak heeft Interactiev ten laste van eisers beslag doen leggen op bij ABN Amro aangehouden banksaldi. De omstandigheid dat ABN Amro als derdebeslagene na het afleggen van de in artikel 476a en 476b bedoelde verklaring op grond van artikel 477 Rv verplicht was de beslagen banksaldi aan de beslagleggende deurwaarder te betalen, maakt echter niet dat Interactiev zelf een voor beslag vatbare vordering op de bank als bedoeld in artikel 475 Rv heeft verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 1415522 \ HA EXPL 13-240

Uitspraak: 30 oktober 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

1.

[eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],

2.

[eiser 2],

wonende te [woonplaats 2],

eisers,

gemachtigde mr. J. de Haan,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J. Meuleman.

Partijen zullen hierna [eisers] en ABN Amro worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 18 februari 2013 inhoudende de vordering van [eisers], met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van ABN Amro, met producties.

Ingevolge tussenvonnis van 15 mei 2013 heeft op 21 augustus 2013 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan en de daarbij behorende spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen, bevinden zich bij de stukken. Bij brieven van 26 augustus 2013 en 20 september 2013 hebben de gemachtigden verzocht om aanpassing van het proces-verbaal.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1.

[eisers] zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

1.2.

[eisers] verhuurden met ingang van 1 april 2011 een deel van het hun in eigendom toebehorende perceel aan de [straatnaam 1] aan de Stichting Interactiev Foundation (hierna: Interactiev).

1.3.

Kort daarna is tussen [eisers] en Interactiev een conflict ontstaan. Naar aanleiding van dit conflict heeft de kantonrechter bij vonnis van 25 juli 2011 in kort geding op vordering van Interactiev bepaald dat [eisers] aan Interactiev het rustig en ongestoord huurgenot dienen te verschaffen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag/keer dat Interactiev dat niet geniet, met een maximum van € 100.000,-. [eisers] hebben in de uitspraak berust.

1.4.

Op 13 oktober 2011 heeft Interactiev in verband met naar haar mening door [eisers] verbeurde boetes executoriaal met succes derdenbeslag laten leggen op een door [eisers] bij ABN Amro aangehouden ondernemersrekening . Hierop heeft ABN Amro (onder andere) een bedrag van € 13.762,17 van deze rekening overgeboekt naar tevens op naam van [eisers] gestelde geblokkeerde bankrekening met nummer [(...)].

1.5.

ABN Amro heeft op 10 november 2011 overeenkomstig artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verklaring gedaan van de door het beslag getroffen banksaldi.

1.6.

[eisers] hebben bij exploot van 11 november 2011 krachtens een door de voorzieningenrechter d.d. 10 november 2011 verleend verlof ten laste van Interactiev conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ABN Amro. Het beslagexploot houdt in dat het beslag is gelegd op:

‘alle voor zodanig vatbare gelden, vorderingen, waardepapieren en/of roerende zaken (niet zijnde registergoederen), meer speciaal op rekeningnummer [(...)] ten name van verzoekers ([eisers], kantonrechter), die de derde beslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen van de schuldenaar voornoemd (Interactiev, rechtbank), dan wel uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding rechtstreeks onder zijn/haar berusting heeft en/of zal verkrijgen voor, respectievelijk schuldig zijn of worden aan de schuldenaar voornoemd, zulks tot zekerheid van verhaal voor de vordering van verzoek(st)er op genoemde schuldenaar, dewelke bij gemelde beschikking met inbegrip van kosten, voorlopige is begroot op € 13.762,17 (…) en zal de hoofdzaak door verzoeksters binnen 14 dagen aanhangig worden gemaakt bij de Rechtbank te Alkmaar.’

1.6.

Op 17 november 2011 heeft ABN Amro het op de geblokkeerde rekening aanwezige saldo, onder aftrek van een bedrag van € 110,- aan kosten, overgemaakt aan de beslagleggende deurwaarder van Interactiev. ABN Amro heeft [eisers] diezelfde dag bij brief van de afdracht op de hoogte gebracht.

1.7.

[eisers] hebben Interactiev bij exploot van 24 november 2011 gedagvaard voor de kantonrechter. Een kopie van de dagvaarding is diezelfde dag aan ABN Amro overbetekend.

1.8.

ABN Amro heeft op 8 december 2011 aan [eisers] bericht dat tussen haar en Interactiev geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan Interactiev op het tijdstip van het beslag nog iets te vorderen had en dat zij het beslag derhalve als afgehandeld beschouwt.

1.9.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 oktober 2012 de huurovereenkomst tussen [eisers] en Interactiev ontbonden en Interactiev veroordeeld tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 150.000,- aan achterstallige huur en verschuldigde boetes. De vordering tot terugbetaling door Interactiev van de geïnde dwangsommen is afgewezen. Interactiev heeft tot op heden niets betaald.

Vordering en verweer

2.

[eisers] vorderen dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. ABN Amro op de voet van artikel 477 lid 1 Rv veroordeelt tot betaling van het bedrag van € 13.762,17 aan de beslagleggende gerechtsdeurwaarder namens [eisers], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente vanaf 6 december 2012, althans een en ander vanaf een andere datum als de kantonrechter in goede justitie redelijk en billijk acht tot aan de dag der algehele voldoening;

b. ABN Amro veroordeelt tot betaling van € 625,- aan buitengerechtelijke incassokosten en tot betaling van de nakosten;

c. ABN Amro veroordeelt in de proceskosten.

3.

[eisers] stellen in de eerste plaats dat doordat op ABN Amro als gevolg van het door Interactiev gelegde executoriale derdenbeslag een verplichting om een bedrag van € 13.762,17 aan de deurwaarder van Interactiev te betalen is komen te rusten, Interactiev een vordering op ABN Amro in de zin van artikel 475 Rv heeft verkregen.

4.

In de tweede plaats stellen [eisers] dat ook indien geen rechtsverhouding tussen Interactiev en ABN Amro zou zijn ontstaan, ABN Amro toch niet tot betaling aan de deurwaarder van Interactiev had mogen overgaan, aangezien uit de inhoud van het door de voorzieningenrechter goedgekeurde verzoekschrift van [eisers] en het deurwaardersexploot duidelijk blijkt dat met het beslag was beoogd de gelden op de geblokkeerde bankrekening veilig te stellen in verband met de vorderingen die [eisers] nog op Interactiev hadden uit hoofde van de huurovereenkomst. ABN Amro had als professionele partij die feiten en omstandigheden moeten meewegen bij de beoordeling van het beslag; zij had zich niet mogen beperken tot de te marginale toets of er al dan niet een rekening-courantverhouding met Interactiev bestond.

5.

Nu het beslag van [eisers] aldus doel had moeten treffen, dient ABN Amro op de voet van de artikelen 477 jo. 477a lid 4 Rv de door het beslag getroffen gelden (alsnog) aan de beslagleggende deurwaarder van [eisers] af te dragen. Aldus – steeds – [eisers]

6.

ABN Amro voert verweer tegen de vordering, strekkende tot afwijzing daarvan.

7.

Op de stellingen van partijen zal hierna, indien van belang, verder worden ingegaan.

Beoordeling

8.

[eisers] hebben bij brief van hun gemachtigde van 26 augustus 2013 verzocht om in het proces-verbaal van de comparitie mede op te nemen dat hun gemachtigde op de comparitiezitting met betrekking de in artikel 477a lid 2 Rv genoemde reactietermijn heeft gewezen op het bepaalde bij artikel 477a lid 2 jo. artikel 723 Rv. De kantonrechter wijst dit verzoek af, nu hetgeen [eisers] opgenomen willen hebben zoals hierna zal blijken voor de uitkomst in deze zaak niet van belang is. Wel zal in overeenstemming met het bij brief van 20 september 2013 ingediende verzoek van de gemachtigde van ABN Amro het proces-verbaal verbeterd worden gelezen in die zin dat de verklaring van mr. Meuleman dat ‘[eiser 1] dit dus op 21 oktober 2013 had kunnen weten’, wordt gelezen als ‘op 21 oktober 2011’. Er is sprake van een kennelijke verschrijving.

9.

Een schuldeiser die over een executoriale titel beschikt kan ten laste van zijn schuldenaar ook beslag doen leggen onder een ander dan die schuldenaar. In artikel 475 Rv is bepaald dat dit zogeheten derdenbeslag kan worden gelegd op (i) de geëxecuteerde toebehorende roerende zaken die onder derden mochten berusten en geen registergoederen zijn, of (ii) op vorderingen die de geëxecuteerde op die derden mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen.

10.

Is zodanig derdenbeslag gelegd, dan is de derde-beslagene op grond van artikel 476a en 476b Rv verplicht om, indien vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen.

11.

Dit een en ander is ingevolge de artikelen 718 en 720 Rv van overeenkomstige toepassing op conservatoire beslagen.

12.

Heeft de derde-beslagene op de voet van artikel 476a en 476b Rv verklaring gedaan, dan is deze, zo het beslag executoriaal van aard is en op een vordering is gelegd, op grond van artikel 477 lid 1 Rv verplicht de volgens de verklaring door het beslag getroffen aan de geëxecuteerde verschuldigde geldsommen aan de met de executie belaste deurwaarder te voldoen.

13.

In casu is onbestreden dat Interactiev op 13 oktober 2011 onder executoriale titel onder ABN Amro beslag heeft laten leggen op de aldaar door [eisers] aangehouden banktegoeden. Uit hetgeen hiervoor uiteen is gezet omtrent de bij derdenbeslag te volgen procedure, volgt dat ABN Amro aldus in beginsel geheel in overeenstemming met haar wettelijke verplichtingen als derde-beslagene heeft gehandeld door vier weken na het betekenen van het beslagexploot verklaring te doen van de door het beslag getroffen banksaldi en het daaruit verschuldigde vervolgens aan de beslagleggende deurwaarder van Interactiev over te maken.

14.

De vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt, is of ABN Amro desondanks naar aanleiding van het door [eisers] bij exploot van 11 november 2011 gelegde conservatoire derdenbeslag van die laatste handeling had moeten afzien en het geld onder zich had moeten houden. Het antwoord daarop luidt ontkennend. Allereerst kan niet als juist worden aanvaard dat uit de omstandigheid dat ABN Amro op grond van artikel 477 lid 1 Rv verplicht is de volgens haar verklaring aan [eisers] verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te betalen, voortvloeit dat Interactiev een vordering op ABN Amro als bedoeld in artikel 475 Rv heeft verkregen. De bedoelde betalingsplicht is slechts een onderdeel van de hiervoor omschreven wettelijke procedure die ABN Amro als derde-beslagene had te volgen doordat Interactiev ter voldoening van een vordering op [eisers] executoriaal beslag had doen leggen op vermogensbestanddelen van [eisers] die zich onder ABN Amro bevonden. Daardoor is echter geen vorderingsrecht van Interactiev op ABN Amro ontstaan. De onderliggende rechtsverhouding is en blijft die tussen Interactiev en [eisers] ABN Amro fungeert in die rechtsverhouding slechts als een tussenschakel die op grond van het beslagrecht verplicht is de voldoening van die vordering uit te voeren. Deze verplichting brengt echter niet mee dat ABN Amro zelf op enigerlei wijze schuldenaar wordt van Interactiev. Dat Interactiev (theoretisch) op grond van artikel 477a lid 4 Rv van ABN Amro nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichting van artikel 477 Rv (en eventueel schadevergoeding) had kunnen vorderen indien ABN Amro met de betaling in gebreke zou blijven, maakt dat niet anders. Dit laatste is namelijk een op zichzelf staande vordering tot nakoming van een wettelijke verplichting en geen voor beslag vatbare vermogensrechtelijke vordering van de beslaglegger op de derde-beslagene. ABN Amro heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat van een vordering van Interactiev op ABN Amro in de zin van art. 475 Rv ten tijde van het door [eisers] gelegde derdenbeslag geen sprake was. Voor zover [eisers] dus hebben willen stellen dat het conservatoire derdenbeslag had moeten leiden tot een beslag op de betalingsverplichting van ABN Amro aan de deurwaarder van Interactiev, kunnen zij daarin niet worden gevolgd.

15.

Ook het subsidiair door [eisers] ingenomen standpunt dat ABN Amro niettemin uit de inhoud van het verzoekschrift en het beslagexploot duidelijk had moeten zijn dat het door [eisers] gelegde beslag tot doel had het op de geblokkeerde bankrekening geplaatste geld veilig te stellen in verband met de door [eisers] jegens Interactiev in te stellen bodemprocedure, kan hen niet baten. In dit geval wreekt zich dat de wet in specifieke middelen voorziet waarmee [eisers] het door hen voorgestane resultaat, wat in de kern genomen neerkomt op schorsing van de beslagexecutie, hadden kunnen bereiken, maar dat [eisers] hebben nagelaten (tijdig) van die middelen gebruik te maken. Zo hadden [eisers] bij de voorzieningenrechter schorsing of opheffing van het beslag kunnen vorderen (artikel 476 Rv). De in artikel 476a Rv opgenomen termijn van vier weken is juist mede in het leven geroepen om de geëxecuteerde respijt te bieden om het derdenbeslag op die manier aan te vechten. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien zou worden aanvaard dat de beslagexecutie ook zou kunnen worden geblokkeerd door middel van de door [eisers] gevolgde route, die immers geen grondslag vindt in de wet.

16.

Nu uit het vorenstaande reeds volgt dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is, behoeven de overige verweren geen bespreking. In het bijzonder kan in het midden blijven of [eisers] ABN Amro op grond van artikel 477a lid 2 Rv binnen twee maanden na de verklaring van 8 december 2011 had moeten dagvaarden.

17.

Bij deze uitkomst van de procedure worden [eisers] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van ABN Amro, tot op heden begroot op € 600,- aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief kanton € 300,-).

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van ABN Amro tot op heden begroot op € 600,-;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. H.J. Fehmers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter