Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7390

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
C/13/512447 HA ZA 12-331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 7 april 2010 verschijnt een artikel in de Telegraaf onder de kop “[titel]” met als subkop: “[subtitel]”. Het artikel heeft betrekking op een fotostudio van een fotograaf uit Rotterdam. De voorzieningenrechter heeft in 2011 geoordeeld dat het artikel onrechtmatig is jegens de fotograaf, waarna de Telegraaf en de fotograaf een minnelijke regeling hebben getroffen.

In deze procedure verzoeken de dochter en de echtgenote van de fotograaf (althans de curator nu hun eenmanszaken failliet zijn), die beide een eenmanszaak dreven in dezelfde fotostudio, een verklaring voor recht dat De Telegraaf ook jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Het verweer van De Telegraaf dat het artikel niet onrechtmatig is jegens dochter en echtgenote omdat zij niet genoemd worden in het artikel en omdat het voor De Telegraaf niet voorzienbaar was dat zij daar werkzaamheden uitoefenden, wordt verworpen door de rechtbank. Het artikel bevat onjuistheden en wekt de suggestie dat er op de locatie van de fotostudio seksueel aanstootgevende handelingen worden verricht. De fotostudio wordt door het artikel op een sensatiebeluste ondertoon in een negatief daglicht geplaatst en heeft een opruiend karakter. Het was te verwachten dat er door het artikel negatieve reacties zouden volgen, hetgeen ook is gebeurd. De fotograaf en de dochter en echtgenote waren daardoor gedwongen om gedurende enige tijd het pand te verlaten. De normoverschrijding door de Telegraaf is daarmee ook jegens dochter en echtgenote onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/512447 / HA ZA 12-331

Vonnis van 13 november 2013

in de zaak van

mr. Maurits Willem Renzen q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [naam 1] en [naam 2],

kantoorhoudende te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. J.A.Th. van den Berg te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TELEGRAAF MEDIA NEDERLAND LANDELIJKE MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. L. Broers te Amsterdam, voorheen mr. M.A. de Kemp.

Partijen zullen hierna respectievelijk enerzijds ‘de curator’, ‘[naam 1]’, ‘[naam 2]’ en de laatste twee samen ‘[naam 1 + naam 2]’ en anderzijds ‘De Telegraaf’ worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 maart 2012,

  • -

    de akte inbrenging producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 6 juni 2012, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 februari 2013,

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging/vermeerdering van eis,

  • -

    de conclusie van dupliek tevens antwoord wijziging van eis,

  • -

    de akte uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam 1] is de dochter, en [naam 2] is de echtgenoot (hierna samen aan te duiden als [naam 1 + naam 2]) van de fotograaf [fotograaf]. [fotograaf] had een fotostudio die was gevestigd in het pand aan de [adres] (verder: het pand). [naam 1] heeft vanaf 2006 tot 2011 een eenmanszaak gedreven, een schoonheidssalon, op hetzelfde adres. [naam 2] was met haar [eenmanszaak] eveneens gevestigd op hetzelfde adres vanaf 2003 tot 2011. De bedrijfsomschrijving van het uittreksel van de Kamer van Koophandel is de volgende: [omschrijving]

2.2.

Op[datum] is in de gedrukte versie van De Telegraaf op pagina 5 een artikel verschenen dat is geschreven door [journalist], toen nog in dienst van De Telegraaf, onder de kop ‘[titel]’ en als subkop:

[subtitel] Middenin het artikel komt een kader voor met de tekst: ‘SM en bondage horen hier niet thuis’. Het artikel luidt overigens als volgt:

De Rotterdamse achterstandswijk Hillesluis – zo’n beetje klein Mekka aan de Maas – is in rep en roer. De overwegend islamitische buurtbewoners hebben ontdekt dat zich in het midden van hun wijk een zogenaamde BDSM-studio bevindt. BDSM staat voor bondage, discipline en sadomasochisme.

Zit de duivel achter de deurbel?

Het blijkt de werkplaats te zijn van de Rotterdamse fotograaf [fotograaf], naar eigen zeggen de enige Nederlandse fotograaf die zich heeft gespecialiseerd in sm en fetisj (seksueel opgewonden raken van een bepaald materiaal). Zijn werktuig: touwen, kettingen en vleeshaken.

De BDSM-studio is gevestigd aan de [adres] in een winkelpand met geblindeerde ruiten, zonder naamplaatje of huisnummer op de gevel, naast ‘[bedrijf 1]’ [bedrijf 2] en een [bedrijf 3].

[…]

Op een steenworp afstand van de [moskee] ketende [fotograaf] een jonge naakte vrouw met kettingen aan het kruis. Deze sm-foto staat op zijn website, uit de denkbeeldige wonden van de vrouw gutst vers bloed (in werkelijkheid frambozensap, red). […]

Binnen de strenggelovige islamitische gemeenschap hebben enkele bewoners lucht gekregen van de gruwelpraktijken in hun wijk. Het nieuws gaat als een lopend vuurtje door de buurt, gesluierde vrouwen zijn geschokt en ondernemers in de [adres] reageren verbijsterd. “Eng en verschrikkelijk”, zegt een dame met hoofddoekje achter de balie van [bedrijf 2]. […]

Ook bij [bedrijf 3] is de consternatie groot. “Ik zie hem soms met een vrouw naar binnen gaan. Ik vroeg mij altijd af waarom het winkelpand altijd donker en dicht is. Tja, dan kun je zoiets verwachten”, zegt de bedrijfsleider van het [bedrijf 3]. Aan de overkant van de straat bij de ‘[bedrijf 4]’ en [bedrijf 5]’, is de ontdekking het gesprek van de dag. De islamitische klanten vragen zich af hoe dit in hun wijk kan plaatsvinden, zo dicht bij de [moskee]. “Ik vind het schokkend, dit soort werkzaamheden hoort toch niet in onze wijk thuis?[…]

2.3.

Op 7 april 2010 is op de website van De Telegraaf een artikel van [journalist] verschenen met als titel ‘[subtitel]’. In het onderschrift stond de volgende tekst:

De Rotterdamse achterstandswijk Hillesluis – zo’n beetje klein Mekka aan de Maas – is in rep en roer. De overwegend islamitische buurtbewoners hebben ontdekt dat zich in het midden van hun wijk een zogenaamde BDSM-studio bevindt. BDSM staat voor bondage, discipline en sadomasochisme.

Op diezelfde dag is op de mobiele website van De Telegraaf een artikel verschenen met als titel ‘[subtitel].

2.4.

Het artikel op de reguliere website is diezelfde datum van de website verwijderd vanwege een grote hoeveelheid (547) reacties onder het artikel. Op meerdere websites is gereageerd op het artikel, zoals onder meer Geenstijl. Ook op digitale forums, zoals ‘Ontdekislam’, en ‘Ansaar Community’ zijn reacties geplaatst op het artikel.

2.5.

De politie heeft [de familie] op 7 april 2010 geadviseerd om, gelet op de vrees tot inbraak of brandstichting, waardevolle spullen uit het pand te halen en zelf niet in het pand te verblijven. [fotograaf], [naam 1] en [naam 2] hebben vervolgens gedurende twee maanden niet in het pand verbleven.

2.6.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft op 22 juli 2011 vonnis gewezen tussen [fotograaf] en De Telegraaf, waarbij zij voorshands aannemelijk heeft geacht dat het artikel onrechtmatig is jegens [fotograaf].

2.7.

Op 17 februari 2012 hebben [fotograaf] en De Telegraaf een vaststellingsovereenkomst getekend waarin een tussen hen gesloten minnelijke regeling is vastgelegd. Aan de vaststellingsovereenkomst is uitvoering gegeven. Tijdens de onderhandelingen heeft De Telegraaf zich op het standpunt gesteld dat de publicatie niet onrechtmatig is ten opzichte van [naam 1] en [naam 2].

2.8.

Op 29 maart 2012 zijn de eenmanszaken van [naam 1] en van [naam 2] failliet verklaard.

3 Het geschil

3.1.

De curator, die per rolbericht van 3 oktober 2012 heeft medegedeeld het proces over te nemen, vordert, samengevat en na vermeerdering van eis:

  • -

    een verklaring voor recht dat De Telegraaf met het op 7 april 2010 verschenen artikel in de Telegraaf met de kop: ‘[titel]’, het op de website www.telegraaf.nl gepubliceerde artikel ‘[subtitel]’ en het via www.telegraaf.mobi gepubliceerde bericht ‘[subtitel] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1 + naam 2],

  • -

    veroordeling van De Telegraaf tot betaling van geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de publicaties, op te maken bij staat,

  • -

    veroordeling van De Telegraaf tot betaling van € 5.000,00, als voorschot voor de geleden immateriële schade ten gevolge van de publicaties, binnen 3 dagen na betekenis van het vonnis, althans tot betaling van een bedrag en binnen de termijn als de rechtbank redelijk acht.

Tenslotte vordert de curator dat De Telegraaf wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2.

De Telegraaf voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Onrechtmatigheid

4.1.

De curator stelt dat de drie publicaties (1 in de papieren krant en 2 op websites van De Telegraaf) onrechtmatig waren jegens [naam 1 + naam 2], omdat in de publicaties bewust onjuistheden zijn geplaatst over beweerdelijke gruwelpraktijken die zouden plaatsvinden op de in de publicaties beschreven locatie, terwijl het voorzienbaar was dat daardoor grote commotie in de wijk zou ontstaan en aldus het risico is genomen dat de ondernemingen op de desbetreffende locatie hierdoor eveneens schade zouden lijden. In de publicaties wordt de achternaam [de familie] genoemd, die [naam 1 + naam 2] ook draagt, en de gedetailleerd beschreven locatie is herleidbaar tot het pand van waar uit [naam 1 + naam 2] hun eenmanszaken drijven.

4.2.

De Telegraaf voert hiertegenover aan dat de publicaties niet onrechtmatig zijn jegens [naam 1 + naam 2], nu deze uitsluitend betrekking hadden op [fotograaf] en diens fotostudio. [naam 1 + naam 2] is niet genoemd in de publicaties, noch haar eenmanszaken of het adres van de fotostudio. De geschonden norm strekt tot bescherming van [fotograaf] en niet ook van [naam 1 + naam 2] Bovendien is er een te ver verwijderd verband tussen de informatie in de publicaties en eventuele schade van [naam 1 + naam 2], waarover onvoldoende is aangevoerd, aldus steeds De Telegraaf.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat het krantenartikel (en de daarvan afgeleide berichten op de website van De Telegraaf) onjuistheden bevat, in het bijzonder daar waar het verwijst naar ‘gruwelpraktijken’, ‘sm en bondage’ en het gebruik van ‘vleeshaken’. Het artikel wekt de suggestie dat op de locatie van de fotostudio van [fotograaf] seksueel aanstootgevende handelingen worden verricht. Het artikel legt er bovendien sterk de nadruk op dat die handelingen voor bepaalde (islamitische) groepen daadwerkelijk aanstootgevend worden gevonden, door (bijvoorbeeld) de zinsneden ‘[subtitel]’, ‘op een steenworp afstand van de [moskee] ketende [fotograaf] een jongen naakte vrouw met kettingen aan het kruis’, ‘binnen de strenggelovige islamitische gemeenschap hebben enkele bewoners lucht gekregen van de gruwelpraktijken in hun wijk’ en ‘Eng en verschrikkelijk’, zegt een dame met hoofddoekje’. Ten aanzien van de locatie van de fotostudio zijn de volgende bewoordingen gebruikt: ‘De BSDM-studio is gevestigd aan de [adres] in een winkelpand met geblindeerde ruiten’, ‘naast ‘[bedrijf 1]’ [bedrijf 2] en een [bedrijf 3]’ en ‘Aan de overkant van de straat bij de ‘[bedrijf 4]’ en ‘[bedrijf 5]’’. Hierdoor is de exacte locatie van de fotostudio bekend geworden, zodat er geen twijfel meer over bestaat waar het pand zich bevindt. Bij een dergelijke exacte omschrijving is het naar het oordeel van de rechtbank niet langer relevant dat geen adres is vermeld.

Door de aangehaalde passages te combineren op de wijze zoals De Telegraaf dat heeft gedaan, wordt de specifiek omschreven locatie in samenhang gebracht met enerzijds vergaande seksueel getinte handelingen en anderzijds met de conservatieve moslimomgeving waarin het pand is gelegen. Zodoende heeft De Telegraaf, zonder dat daarmee een redelijk journalistiek doel werd gediend, de locatie met een op sensatiebeluste ondertoon in een negatief daglicht geplaatst. Het artikel heeft een opruiend karakter. De Telegraaf heeft daardoor in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en heeft aldus een norm overschreden.

Het lag in de lijn der verwachtingen dat door deze normoverschrijding negatieve reacties van het publiek zouden volgen. Dat is ook gebeurd. Dat blijkt onder meer uit het advies van de politie van diezelfde dag aan [de familie] om het pand te ontruimen. [naam 1] en [naam 2] dreven op die locatie hun eenmanszaken. De curator stelt, hetgeen niet door De Telegraaf is betwist, dat zij zijn bedreigd en dat het in verband met hun eigen veiligheid en die van de klanten niet langer mogelijk was de werkzaamheden op de locatie voort te zetten. Dit heeft er in ieder geval toe geleid dat zij gedurende twee maanden niet in het pand hebben verbleven en derhalve ook niet in staat waren hun werkzaamheden daar uit te oefenen. Onder die omstandigheden, moet het ervoor worden gehouden dat [naam 1 + naam 2] ten gevolge van de publicaties gedwongen was (in ieder geval gedurende enige tijd) haar werkzaamheden te staken. Hiermee is vast komen te staan dat de normoverschrijding door De Telegraaf (ook) jegens [naam 1 + naam 2] onrechtmatig is nu dit valt aan te merken als een aantasting van hun recht op privacy. Het verweer van De Telegraaf dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste wordt dan ook verworpen.

4.4.

De schade was, in tegenstelling tot hetgeen De Telegraaf daarover betoogt, voorzienbaar aangezien het opruiende karakter van het artikel zich keert tegen de specifieke locatie die door De Telegraaf in negatief daglicht is geplaatst. De Telegraaf heeft voor lief genomen dat niet alleen de in de publicaties genoemde persoon daardoor wordt getroffen, maar eveneens anderen die in het pand op die concrete locatie werkzaam zijn. Dat De Telegraaf, zoals zij aanvoert, uit een krantenartikel in het Algemeen Dagblad uit 2006, dat ook over de fotostudio van [fotograaf] ging, niet behoefde af te leiden dat er op de locatie van de fotostudio ook de eenmanszaken van [naam 1 + naam 2] gevestigd waren is niet relevant, nu De Telegraaf hoe dan ook rekening diende te houden met de mogelijke aanwezigheid van andere gevestigden op die specifieke locatie. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat in de publicaties niet is genoemd dat er in dat pand ook andere ondernemingen zijn gevestigd en voorts dat de namen van [naam 1 + naam 2] niet zijn genoemd.

4.5.

De Telegraaf voert het verweer dat de digitale artikelen nog geen dag online hebben gestaan en dat het daarom niet aannemelijk is dat deze op enigerlei wijze hebben bijgedragen aan schade van [naam 1 + naam 2]Ook is volgens haar het feit dat het artikel is overgenomen door andere websites niet relevant. Naar het oordeel van de rechtbank doet evenwel de omstandigheid dat de digitale publicaties slechts van korte duur waren niet af aan het feit dat de digitale artikelen op diverse fora reacties teweeg hebben gebracht en ze dus zijn opgemerkt door het publiek. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat deze artikelen geen nadelig effect zouden hebben gehad omdat ze slechts kort gepubliceerd zijn geweest. Hierbij is niet de omstandigheid dat het artikel is overgenomen door andere websites van belang, maar juist de omstandigheid dat door publicatie op websites van De Telegraaf reacties zijn losgekomen.

4.6.

Samengevat en concluderend leidt het bovenstaande tot het oordeel dat De Telegraaf, door een opruiend artikel te plaatsen in de krant en op haar website met een breed publiek, in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat dat handelen aan haar kan worden toegerekend (hetgeen door haar ook is erkend) en dat zij aansprakelijk is voor de ten gevolge daarvan door [naam 1 + naam 2] geleden schade.

Schade

4.7.

De curator vordert schadevergoeding, bestaande uit materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat. De rechtbank stelt voorop dat, nu vaststaat dat De Telegraaf jegens [naam 1 + naam 2] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade, de zaak naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen als de mogelijkheid van schade aannemelijk is (Hoge Raad 8 april 2005, LJN AR7435). De curator heeft in voldoende mate gesteld dat [naam 1 + naam 2] schade heeft geleden aangezien zij gehinderd werd in haar werkzaamheden als gevolg van het artikel. De curator heeft immers de verschillende schadeposten gemotiveerd uiteengezet (misgelopen subsidie van de gemeente Rotterdam, verlies aan inkomsten uit opdrachten van [fotograaf], verlies aan inkomsten uit opdrachten van anderen en voortvloeiend uit de weigerachtige houding van De Telegraaf om schade te vergoeden, waardoor panden met verlies moesten of zullen worden verkocht) en deze tevens, voor zover mogelijk, met stukken onderbouwd. De mogelijkheid van schade is daarmee voldoende aannemelijk. Dat zelfs de curator kennelijk nog niet beschikt over cijfers, hetgeen blijkens de laatste akte van de curator overigens is achterhaald, doet daaraan niet af. De rechtbank verwerpt om die reden het verweer van De Telegraaf dat [naam 1 + naam 2] niet-ontvankelijkheid verklaard dient te worden aangezien zij heeft nagelaten om de schade te onderbouwen.

4.8.

De rechtbank oordeelt evenwel, reeds in deze fase van de procedure, aangaande de gevorderde immateriële schade dat deze niet voor toewijzing in aanmerking komt. De curator motiveert zijn vordering op dit punt door te stellen dat [naam 1 + naam 2] in grote angst heeft geleefd in verband met mogelijke vergeldingsacties. Schade door vrees of angst komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu dergelijke schade niet wordt genoemd in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat immateriële schadevergoeding regelt.

4.9.

De Telegraaf zal dan ook worden veroordeeld tot vergoeding van de materiële schade aan de zijde van [naam 1 + naam 2], nader op te maken bij staat. Vervolgens dient in de schadestaatprocedure de omvang van de vergoedingsplicht te worden bepaald, waaronder de vaststelling van eventuele eigen schuld aan de zijde van [naam 1 + naam 2]

4.10.

De Telegraaf zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de curator, tot op heden begroot op:

- dagvaarding   € 81,17

- vast recht     267,00

- salaris advocaat     1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal   € 1.478,17

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat dat De Telegraaf met het op 7 april 2010 verschenen artikel in de Telegraaf met de kop: ‘[titel]’, het op de website www.telegraaf.nl gepubliceerde artikel [subtitel]’ en het via www.telegraaf.mobi gepubliceerde bericht ‘[subtitel]’ onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1 + naam 2],

5.2.

veroordeelt De Telegraaf tot vergoeding van de door [naam 1 + naam 2] geleden en nog te lijden schade zoals omschreven in rechtsoverweging 4.9., te betalen aan de curator, nader op te maken en te vereffenen bij staat,

5.3.

veroordeelt De Telegraaf in de proceskosten aan de zijde van de curator, tot op heden begroot op € 1.478,17,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.1

1 type: LP coll: