Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7386

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
C/13/474301 / HA ZA 10-3512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na beslissing hof staat vast dat de rechtbank onbevoegd was van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen toen zij tussenvonnis wees. Rechtbank komt terug van alle in het tussenvonnis genomen (bindende eind-) beslissingen en verstaat dat zij onbevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Geen veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/474301 / HA ZA 10-3512

Vonnis van 13 november 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

CAMPBELL BLACK LIMITED,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

eiseres,

advocaat voorheen mr. L. Koning te Haarlem, thans mr. A.J.M. Dekkers te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZWARTBOEK PRODUCTIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. I. Wassenaar te Amsterdam.

Partijen zullen hierna wederom Campbell en Zwartboek genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 juni 2013 (hierna: tussenvonnis II),

- de akte bedoeld in r.o. 4.4. van tussenvonnis II van Zwartboek van 24 juli 2013,

- de akte bedoeld in r.o. 4.4. van tussenvonnis II van Campbell van 24 juli 2013.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Naast de in tussenvonnis II opgenomen vaststaande feiten, staat vast dat het Gerechtshof te Amsterdam (hierna wederom: het hof) in zijn in r.o. 2.6. van tussenvonnis II genoemde arrest van 10 juli 2012 heeft overwogen:

2.7. (…)

Campbell zal, als de in hoger beroep in het ongelijke partij, worden verwezen in de (…) proceskosten. Hierop worden uitgezonderd de kosten van het verzetexploot, die voor rekening van Zwartboek worden gelaten. In dit verband merkt het hof op dat Zwartboek weliswaar heeft gesteld dat zij Campbell (in de persoon van Hilte) op 11 februari 2010 per e-mail heeft laten weten te zijn verhuisd, maar dat Campbell gemotiveerd heeft betwist deze e-mail te hebben ontvangen en Zwartboek te dezer zake geen bewijs heeft aangeboden.

3 De verdere beoordeling

3.1.

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen in tussenvonnis II is overwogen en beslist. De rechtbank volhardt daarbij.

3.2.

De rechtbank heeft in tussenvonnis II partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op haar voornemen om van alle in het tussenvonnis van 25 januari 2012 (hierna: tussenvonnis I) genomen (bindende eind-)beslissingen terug te komen. Zwartboek en Campbell hebben vervolgens op 24 juni 2013 een akte genomen.

3.3.

Campbell heeft geen verweer gevoerd tegen voornoemd voornemen van de rechtbank. Zwartboek heeft bij akte primair gesteld dat tussenvonnis I van rechtswege is vervallen, nu het hof heeft vastgesteld dat de rechtbank, achteraf bezien, (toch) onbevoegd was. Het gevolg daarvan is volgens Zwartboek dat de rechtbank niet meer hoeft terug te komen van de eindbeslissingen in dit tussenvonnis.

3.4.

De rechtbank ziet in hetgeen Zwartboek heeft aangevoerd, geen aanleiding om terug te komen van voornoemd voornemen en verwijst hierbij naar hetgeen is overwogen in r.o. 4.2. en r.o. 4.3. van tussenvonnis II. De rechtbank komt thans dan ook terug van alle in tussenvonnis I genomen (bindende eind-)beslissingen omdat is gebleken dat die beslissingen berusten op een onjuiste grondslag. Zij zal in onderhavig eindvonnis verstaan dat de rechtbank onbevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen en Campbell op de voet van artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten.

Proceskosten

3.5.

Herhaald zij dat Zwartboek vordert dat de rechtbank Campbell zal veroordelen in de volledige proceskosten, althans een hogere proceskostenveroordeling zal uitspreken dan de proceskostenveroordeling conform het toepasselijke liquidatietarief en daarbij gemotiveerd zal beslissen over de (hoogte van de) proceskosten. Zoals is overwogen in r.o. 4.5 van tussenvonnis II, zal de rechtbank hieromtrent thans een gemotiveerd oordeel geven.

3.6.

De rechtbank verwijst voor de onderbouwing van de vordering van Zwartboek om Campbell te veroordelen in (kort gezegd) de werkelijk gemaakte proceskosten naar r.o. 3.2. van tussenvonnis II. Voor de stellingen van Campbell wordt verwezen naar r.o. 3.3. van genoemd tussenvonnis. Anders dan Zwartboek (randnummer 2.9 van de akte van 20 februari 2013) leest de rechtbank niet in de stellingen van Campbell dat zij de juistheid erkent van (een deel van) het betoog van Zwartboek.

3.7.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat zij zonodig ambtshalve beslist over de proceskostenveroordeling en dat zij niet gehouden is het liquidatietarief toe te passen, maar de in het ongelijk gestelde partij ook kan veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten. Gelet op het ambtshalve karakter van deze beslissing, wordt de wens van Zwartboek om Campbell te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten gezien als de vraag om aan deze beslissing op een bepaalde manier invulling te geven. Het beroep van Campbell op niet-ontvankelijkheid op de grond dat sprake is van een (te laat) ingestelde reconventionele vordering, wordt daarom verworpen.

3.8.

De rechtbank stelt verder voorop dat partijen tegengestelde belangen hebben en het hen in beginsel vrijstaat ervoor te kiezen om in rechte hun rechtspositie te (doen) vaststellen, met alle daaraan verbonden procesrisico’s. Om te voorkomen dat de verliezende partij te zwaar wordt belast - waardoor het recht op toegang tot de rechter op oneigenlijke gronden zou kunnen worden beperkt - wordt deze in de regel niet veroordeeld in de werkelijk gemaakte proceskosten maar wordt het liquidatietarief toegepast. Van de bevoegdheid om de verliezende partij in de werkelijk gemaakte proceskosten te veroordelen wordt dan ook terughoudend gebruik gemaakt. Volgens vaste rechtspraak kunnen de werkelijk gemaakte proceskosten alleen worden toegewezen wanneer sprake is van buitengewone omstandigheden, waarbij gedacht moet worden aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door de in het ongelijk gestelde partij. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 6 april 2012, NJ 2012, 233).

3.9.

De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van voornoemde bevoegdheid gebruik te maken en zal Campbell veroordelen in de proceskosten conform het liquidatietarief. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

3.10.

Het bij verstek gewezen arrest van het hof van 12 oktober 2010 (hierna: het verstekarrest) is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat tot gevolg heeft gehad dat Campbell de hoofdzaak bij de rechtbank kon voortzetten, ook al had Zwartboek een rechtsmiddel tegen het arrest ingesteld. Zwartboek voert aan dat Campbell (kort gezegd) misbruik heeft gemaakt van het feit dat de adreswijziging van Zwartboek pas enkele dagen na haar verhuizing is verwerkt in het Handelsregister. Zij verwijst in dat kader naar een e-mail van 11 februari 2010. Volgens Zwartboek heeft Campbell bewust na die verhuizing een vervroeging van de eerste zittingsdag in appel op het oude adres laten betekenen, zonder de raadsman van Zwartboek daarvan op de hoogte te stellen, om zo te bewerkstelligen dat aan Zwartboek verstek werd verleend in appel. De rechtbank gaat aan deze stellingen voorbij nu de feiten ter onderbouwing daarvan bij het hof niet zijn komen vast te staan. In r.o. 2.7. van zijn in kracht van gewijsde gegane arrest van 10 juli 2012 heeft het hof immers geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Zwartboek aan Campbell per e-mail van 11 februari 2010 heeft laten weten te zijn verhuisd (zie r.o. 2.1. hiervoor). In dit verband wordt ook verwezen naar de slotsom van r.o. 2.8. van het arrest van het hof van 20 september 2011, vermeld in r.o. 2.4. van tussenvonnis II. Tegen deze achtergrond is de - wederom in dit geding - overgelegde e-mail van 11 februari 2010 onvoldoende om tot een afwijking van het liquidatietarief te komen.

3.11.

Zwartboek voert verder aan dat Campbell zich ten onrechte heeft verweerd tegen aanhouding van de hoofdzaak bij de rechtbank in afwachting van de (uitkomst van de) verzetprocedure, terwijl Zwartboek alles in het werk heeft gesteld om de - zoals nu is gebleken - na 3 november 2010 opgekomen nodeloze proceskosten in de hoofdzaak te voorkomen. Het betoog van Zwartboek komt in de kern erop neer dat Campbell als verliezende partij de werkelijke schade (proceskosten) van Zwartboek moet vergoeden, nu zij onrechtmatig heeft gehandeld door (op eigen risico) voort te procederen op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekarrest. Zwartboek maakt hierbij de vergelijking met het executeren van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat achteraf vernietigd wordt. De rechtbank volgt dit betoog niet.

3.12.

Vooropgesteld wordt dat een veroordeling van de verliezende partij in de proceskosten van de winnende partij niet berust op een door de verliezende partij gepleegde onrechtmatige daad, maar op de overwegingen van procesrisico, verwoord in r.o. 3.8. Het voeren of voortzetten van een proces - hetgeen nooit zonder financieel risico is - kan daarom niet op zichzelf worden aangemerkt als onrechtmatig, om de enkele reden dat het niet tot een gunstig resultaat leidt. Dat brengt met zich dat het Campbell in principe vrijstond om de procedure in de hoofdzaak bij de rechtbank voort te zetten en het daarbij behorende procesrisico te nemen. De uitkomst van de verzetprocedure was op dat moment nog ongewis. Onderzocht moet worden of het voortzetten van de hoofdzaak, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van Zwartboek (niettemin) achterwege had behoren te blijven. Deze situatie doet zich niet voor. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van de verzetprocedure thans wel bekend is en in het nadeel van Campbell is uitgevallen, leidt niet tot het oordeel dat de destijds genomen beslissing van Campbell om voort te procederen in de hoofdzaak was gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat die geen kans van slagen hadden. Dat Campbell de procedure heeft voortgezet naar aanleiding van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, alsmede dat Zwartboek vele malen heeft aangedrongen op aanhouding, maken dit niet anders. Nu geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken die met zich zouden kunnen brengen dat Campbell het voortzetten van de hoofdzaak bij de rechtbank achterwege had behoren te laten om redenen als in HR 6 april 2012, NJ 2012, 233 bedoeld en Campbell een (partij)belang had om tot een snelle afwikkeling van de procedure te komen, is er kortom geen grond om af te wijken van de hoofdregel en zal Campbell worden veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief.

3.13.

In het - ook in zoverre door het hof bekrachtigde - vonnis van 29 april 2009 is beslist over het vastrecht in de hoofdzaak (zie r.o. 2.1 en r.o. 2.6 van tussenvonnis II). De overige kosten aan de zijde van Zwartboek worden tot op heden begroot op € 9.030,-

(3,5 punt x tarief € 2.580,-) aan salaris advocaat.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verstaat dat de rechtbank onbevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

4.2.

veroordeelt Campbell in de proceskosten, aan de zijde van Zwartboek tot op heden begroot op € 9.030,-,

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen, mr. G.H. Marcus en mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.