Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7270

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
13/710013-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat er sprake is van medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd. De rechtbank acht verdachte hiervoor strafbaar en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/710013-12

Datum uitspraak: 1 november 2013

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA adres], uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “[locatie]” te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 en 26 november 2012 (inhoudelijke behandeling en requisitoir), 7 februari 2013 (pro forma- en regiezitting) en 17 (pleidooi) en 18 oktober 2013 (re- en dupliek en laatste woord verdachte).

1.2

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. J.M. Kees en D.E. Kruimel en van wat verdachte en zijn raadsman

mr. M.L. van Gessel naar voren hebben gebracht.

1.3

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 17 oktober 2013 kennisgenomen van een door [persoon 1] ingediende vordering tot schadevergoeding. Zij heeft hem in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard omdat de vordering is ingediend nadat de officieren van justitie overeenkomstig artikel 311 van het Wetboek van Strafvordering het woord hebben gevoerd (artikel 51g, derde lid van het Wetboek van Strafvordering).

2 Tenlastelegging

1.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het

  1. medeplegen van gijzelen en wederrechtelijk van de vrijheid beroven van [persoon 1] (artikel 47, 282 en 282a van het Wetboek van Strafrecht);

  2. medeplegen van het belemmeren van de verklaringsvrijheid van [persoon 1] en anderen (artikel 47 en 285a van het Wetboek van Strafrecht);

  3. medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [persoon 1] (artikel 47 en 285 van het Wetboek van Strafrecht).

1.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Verdachte is ook verdachte in een andere strafzaak, bekend onder de aanduiding [X]. Daarin werd hij bijgestaan door de medeverdachte [persoon 2], advocaat te [plaats]. In die zaak heeft verdachte gevraagd aan de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, om [persoon 1] als getuige te horen. Dat verzoek is toegestaan. Verdachte heeft [persoon 1] doen opsporen, hem vervolgens samen met de medeverdachte [persoon 3] thuis opgezocht en hem enige dagen later samen met de medeverdachte [persoon 4] met de auto opgehaald, waarna [persoon 1] enige tijd in een hotel in Amersfoort heeft verbleven. Tussentijds, in de nacht van 17 op 18 januari 2012 hebben verdachte, ditmaal vergezeld van de medeverdachte [persoon 5], en [persoon 1] een bezoek gebracht aan het kantoor van [persoon 2], waar zij met [persoon 2] over het komende getuigenverhoor hebben gesproken. In de ochtend van 19 januari 2012 hebben verdachte en [persoon 4] [persoon 1] naar het kabinet van de rechter-commissaris gebracht, waar ook [persoon 2] is verschenen. Bij die gelegenheid heeft [persoon 1], voorafgaande aan het te houden verhoor, de rechter-commissaris onder meer gezegd dat hij was gedwongen om te verschijnen en dat hij een voorgekookte verklaring moest komen afleggen.

Verdachte wordt er in deze strafzaak onder meer van beschuldigd samen met de andere verdachten [persoon 1] van zijn vrijheid te hebben beroofd en hem te hebben belemmerd in zijn verklaringsvrijheid. Belangrijkste bewijsmiddelen daarvoor zijn door [persoon 1] afgelegde getuigenverklaringen.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben vrijspraak gevorderd van het medeplegen van gijzeling van [persoon 1] en het beïnvloeden van [persoon 3], [persoon 6]

en [persoon 7]. Zij hebben overeenkomstig het door hen overgelegde schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de gehele periode van 17 tot en met 19 januari 2012, het medeplegen van het beïnvloeden van getuige [persoon 1] in de periode van 13 januari 2012 tot en met 5 maart 2012 en ten slotte de bedreiging van [persoon 1] op 19 januari 2012 met de woorden ‘vuile kankerhond, je zorgt dat het binnen drie weken wordt opgelost, want ik weet je te vinden, ook al zit je in België’.

4.3

Het standpunt van de verdediging

4.3.1

De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen vrijspraak bepleit.

4.3.2

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman kort samengevat aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen en subsidiair dat de ten laste gelegde momenten waarop de wederrechtelijke vrijheidsberoving zou hebben plaatsgevonden en de materiële handelingen, elk voor zich, maar ook in onderling verband bezien, niet kunnen leiden tot het wettig bewijs dat sprake is van een wederrechtelijke vrijheidsberoving. De conclusie is dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

4.3.3

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman kort samengevat aangevoerd dat de verklaringen van [persoon 1], gelet op de onverklaarbare verschillen daarin en de psychische gesteldheid van [persoon 1], zijn alcoholgebruik en strafrechtelijk verleden, onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen dienen en dat voor zover zij wel als bewijs kunnen worden gebruikt niet worden ondersteund door ander bewijs. De conclusie is dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

4.3.4

Ten slotte heeft de raadsman met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde aangevoerd dat alleen de verklaring van [persoon 1] hiervoor redengevend kan zijn, er dus geen veroordeling kan volgen en verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak medeplegen gijzelen en wederrechtelijke vrijheidsberoving [persoon 1]

4.4.1.1 De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [persoon 1] en zal verdachte daarvan vrijspreken. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.4.1.2 Artikel 282 en 282a van het Wetboek van het Strafrecht vallen onder misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. In de situatie waarin men – zonder dat de dader daartoe gerechtigd is – iemand doet verblijven op een plaats – waaronder ook een voertuig kan vallen – waarvan of waaruit die persoon zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen, is sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Van wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in de artikelen 282 en 282a van het Wetboek van Strafrecht kan naast het geval wanneer het iemand tegen diens wil fysiek onmogelijk wordt gemaakt zich te verplaatsen, onder bepaalde omstandigheden ook het toepassen van zogeheten zedelijke dwang, dat wil zeggen dwang die betrekking heeft op de wil, vallen. Die dwang moet resulteren in de onmiddellijke onmogelijkheid zich vrij te verplaatsen (AG Knigge ECLI:NL:PHR:2012:BX5468). Zo is het mogelijk dat iemand zich als gevolg van geestelijke dwang niet vrij voelt te gaan en te staan waar hij wil, bijvoorbeeld als hij moet vrezen onmiddellijk te worden neergeschoten, wanneer hij een bepaalde plaats verlaat (vgl. HR 15 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8416, NJ 1990, 668).

4.4.1.3 De ten laste gelegde vrijheidsberoving betreft het ophalen van [persoon 1] uit zijn woning in [plaats] op 17 januari 2012, inclusief het brengen van [persoon 1] naar het hotel in Amersfoort, het onderbrengen van [persoon 1] in dat hotel, het brengen van [persoon 1] naar het kantoor van mr. [persoon 2], inclusief de bespreking daar, en ten slotte het vervoeren van [persoon 1] op 19 januari 2012 naar de rechtbank Amsterdam. Verdachte en zijn medeverdachten zouden zich kort gezegd in woord en gebaar op zeer intimiderende, indringende, agressieve en bedreigende wijze hebben gedragen waardoor [persoon 1] zich zo bang voelde dat hij de indruk had dat als hij niet zou doen wat verdachte en/of zijn medeverdachte hem opdroegen, hij dood zou zijn en hij zich niet vrij voelde om weg te gaan en de auto en/of het hotel te verlaten.

4.4.1.4 De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte of zijn medeverdachten het aan [persoon 1] onmogelijk heeft of hebben gemaakt zich vrijelijk te bewegen. Uit de verklaring van [persoon 1] volgt niet dat er een fysiek middel is aangewend om hem van zijn vrijheid te beroven en dit volgt ook niet anderszins uit het dossier. Uit de verklaring van [persoon 1] volgt verder niet dat hij vreesde of moest vrezen dat hem onmiddellijk onheil zou overkomen als hij niet zou gehoorzamen en dus ook niet dat sprake is geweest van onmiddellijke dreiging die maakte dat [persoon 1] zich niet kon verplaatsen. Uit zijn verklaring volgt wel dat hij bang en geïntimideerd was. Voor zover zijn verklaring inhoudt dat hij niet kon gaan en staan waar hij wilde, vindt zij evenwel geen steun in ander bewijs. Integendeel, uit het aanwezige bewijs kan juist worden afgeleid dat [persoon 1] zich telkens vrij kon bewegen en dus niet van zijn vrijheid was beroofd. [persoon 1] heeft aan het begin van de autorit van [plaats] naar Amersfoort de auto verlaten om zonder begeleiding brandstof te gaan halen en aannemelijk is dat hij op 18 januari 2012, de dag nadat hij in een hotel in Amersfoort zijn intrek had genomen, zonder begeleiding verschillende bezoeken elders heeft afgelegd. Bovendien staat vast dat [persoon 1] steeds over zijn mobiele telefoon kon beschikken en dat hij daarvan veelvuldig gebruik heeft gemaakt, terwijl niet is gebleken dat hij eerder dan bij zijn ontmoeting met de rechter-commissaris op 19 januari 2012 de hulp van politie of justitie heeft ingeroepen.

4.4.1.5 Nu niet kan worden bewezen verklaard dat [persoon 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd als bedoeld in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht, dient verdachte ook te worden vrijgesproken van de hem tevens onder 1 ten laste gelegde gijzeling.

4.4.2

Medeplegen belemmeren verklaringsvrijheid [persoon 1]

4.4.2.1 De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.

[persoon 1] zou in de strafzaak [X], waarin verdachte een van de verdachten is, op verzoek van verdachte, op 19 januari 2012 bij de rechter-commissaris in Amsterdam als getuige worden gehoord.

Op 13 januari 2012 hebben verdachte en [persoon 3], nadat zij zijn adres hadden achterhaald, [persoon 1] thuis in [plaats] bezocht. [persoon 1] heeft die dag met zijn advocaat, mr. [persoon 8], gebeld.

Een paar dagen later, op 17 januari 2012, heeft [persoon 1] opnieuw thuis bezoek van verdachte gekregen. Ditmaal werd verdachte vergezeld door [persoon 4]. [persoon 1] heeft die dag telefonisch contact opgenomen met het kabinet van de rechter-commissaris en opnieuw met mr. [persoon 8]. Hij is die dag met verdachte en [persoon 4] meegegaan met de auto. Zij hebben hem naar Amersfoort gebracht en daar heeft [persoon 1] zijn intrek genomen in het Hotel [naam A].

In de late avond van 17 januari 2012 is [persoon 1] opgehaald door verdachte, ditmaal in het gezelschap van [persoon 5]. Zij zijn vervolgens gedrieën naar het advocatenkantoor van [persoon 2], de advocaat van verdachte, gegaan. Nadat hij [persoon 1], verdachte en [persoon 5] had binnengelaten en naar een kamer aan de voorzijde van het kantoor had geleid, heeft [persoon 2] de zonwering voor het raam van die kamer neergelaten. Vervolgens heeft een bespreking plaatsgevonden over de strafzaak waarin [persoon 1] als getuige zou worden gehoord. Daarna is [persoon 1] door verdachte en [persoon 5] teruggebracht naar zijn hotel in Amersfoort.

Op 19 januari 2012 is [persoon 1] opgehaald door [persoon 4] en verdachte en naar de rechtbank in Amsterdam gebracht waar hij die dag door de rechter-commissaris als getuige zou worden gehoord.

4.4.2.2 [persoon 1] heeft verklaard dat hij in deze hiervoor weergegeven periode is beïnvloed zodat hij niet meer onbelemmerd naar waarheid zou kunnen verklaren. De verdediging is van mening dat de verklaringen van [persoon 1] onbetrouwbaar zijn en niet als bewijs zouden mogen worden gebruikt en dat zij bovendien steunbewijs ontberen.

4.4.2.3 De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat de door [persoon 1] afgelegde verklaringen over de hiervoor onder 4.3.2.1 vermelde gebeurtenissen – even afgezien van zijn bewering dat hij is geïnstrueerd wat hij moest gaan verklaren – na verificatie juist zijn gebleken en door de verdachten ook als juist worden erkend.

In de tweede plaats is er voor de verklaring van [persoon 1] dat hij een verklaring moest afleggen die verdachte zou ontlasten, wel degelijk steunbewijs.

[persoon 3] heeft immers bij de politie verklaringen afgelegd die dit onderdeel van de verklaringen van [persoon 1] schragen. Weliswaar heeft [persoon 3] die verklaringen ingetrokken en is de verdediging daarom van oordeel dat deze niet tot bewijs kunnen dienen, maar de rechtbank heeft [persoon 3] over zijn voor de intrekking van deze verklaringen opgegeven redenen ter zitting als getuige gehoord en is op grond daarvan tot de overtuiging gekomen dat die redenen geen geloof verdienen. De rechtbank gebruikt die verklaringen dan ook voor het bewijs.

Daarvoor is temeer reden, nu 1) de verklaringen van [persoon 3] en [persoon 1] ten aanzien van wat er op 13 januari 2012 bij [persoon 1] thuis is voorgevallen, worden bevestigd door de verklaring van [persoon 9] (welke verklaring op zich eveneens steun biedt aan de hier bedoelde verklaringen van [persoon 1]); [persoon 9] heeft verklaard dat hij ‘heeft gehoord dat ze het over papieren hadden en wat [persoon 1] moest zeggen.’ en 2)

uit de tussen [persoon 3] en [persoon 1] op 19 en 23 februari en op 5 maart 2012 gevoerde telefoongesprekken moet worden afgeleid dat [persoon 3], zoals hij in de later door hem ingetrokken verklaringen heeft erkend, [persoon 1] moest herinneren aan de afspraak die [persoon 1] en verdachte hadden gemaakt; [persoon 3] heeft hierover bij de politie het volgende verklaard: “Ik moest [van [verdachte]] zorgen dat [persoon 1] zijn verklaring die hij bij de politie had afgelegd [zou] intrekken. (…) Ik heb inderdaad met [persoon 1] gesproken over de telefoon dat hij zich aan de gemaakte afspraken moest houden.” De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte met [persoon 1] een afspraak had gemaakt wat [persoon 1] tegenover de rechter-commissaris zou zeggen.

Ten slotte bieden ook de verklaringen van [persoon 2] steun aan de verklaringen van [persoon 1] dat hij is geïnstrueerd wat hij moest gaan verklaren bij de rechter-commissaris. [persoon 2] heeft verklaard dat op zijn kantoor met [persoon 1] over de inhoud van de getuigenverklaring is gesproken.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich jegens [persoon 1] heeft geuit om diens verklaringsvrijheid te belemmeren. Er zijn afspraken gemaakt met [persoon 1] over hoe en wat hij moest verklaren. Het motief van verdachte om [persoon 1] te laten getuigen was om hem te ontlasten in de tegen hem aanhangige strafzaak [X].

Onderdeel van deze afspraken was ook dat [persoon 1] kennelijk moest verdoezelen dat hij voor het verhoor bij de rechter-commissaris door verdachte was opgehaald. [persoon 1] heeft verklaard dat hem door [persoon 2] is gezegd dat hij geheid de vraag van de rechter-commissaris of een van beide officieren van justitie zou krijgen waarom hij, hoewel hij geen uitnodiging voor het verhoor had ontvangen, toch was gekomen en welk antwoord hij op die vraag moest geven, namelijk dat hij van zijn advocaat mevrouw mr. Drummen had vernomen dat hij voor het verhoor was opgeroepen.

De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door de angst van [persoon 1] voor verdachte die uit het dossier naar voren komt. [persoon 1] heeft op 26 januari 2012 verklaard dat hij nog steeds bang is. Ook zijn broer Henk [persoon 1] heeft verklaard dat [persoon 1] bang was. [persoon 1] heeft verklaard dat hij op verschillende plaatsen verbleef omdat hij bang was en dat wordt bevestigd door [persoon 3]. Laatstgenoemde heeft verklaard ook zelf bang te zijn. Uit het dossier volgt dat [persoon 2] ook niet zonder vrees voor verdachte door het leven ging.

Tot de overtuiging van de rechtbank draagt ten slotte bij dat op het kantoor van [persoon 2] verschillende briefjes zijn aangetroffen, waarin instructies van verdachte staan die ertoe strekten andere getuigen te beïnvloeden.

4.4.2.4 De rechtbank is van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn advocaat [persoon 2]. In de nacht van 17 op 18 januari 2012 heeft de meergenoemde bespreking plaatsgevonden op het advocatenkantoor van [persoon 2]. Laatstgenoemde kende de zaak waarin [persoon 1] een verklaring moest afleggen en hij zou aanwezig zijn bij het getuigenverhoor op 19 januari 2012 en had daarom een wezenlijk rol in het geheel. Hij zorgde ervoor dat de zonwering werd neergelaten toen [persoon 1] zijn kantoor betrad. Op geen enkel ogenblik heeft hij zich van de gang van zaken in zijn kantoor gedistantieerd. Op 19 januari 2012 hebben [persoon 2] en verdachte voordat [persoon 1] bij de rechter-commissaris als getuige zou worden gehoord telefonisch contact gehad en nadat het getuigenverhoor is afgeblazen, hadden zij zelfs 10 minuten telefonisch contact. Op het kantoor van [persoon 2] is een aantal instructiebriefjes aangetroffen. Het betreffen briefjes die door verdachte zijn geschreven en die verdachte met [persoon 2] heeft besproken.

Verdachte heeft eveneens nauw en bewust samengewerkt met medeverdachte [persoon 3]. Hij heeft [persoon 3] opdracht gegeven [persoon 1] aan de gemaakte afspraak te houden. [persoon 3] heeft vervolgens [persoon 1] telefonisch benaderd en gedaan wat verdachte hem had gevraagd te doen.

4.4.2.5 Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreigingen, intimidatie en het fysieke geweld waarover [persoon 1] heeft verklaard, is onvoldoende steun te vinden in het dossier zodat verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

4.4.2.6 Met de officieren van justitie en de verdediging acht de rechtbank voor de ten laste gelegde beïnvloeding van andere getuigen dan [persoon 1] onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig, zodat op die onderdelen vrijspraak moet volgen.

4.4.2.7 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen zoals in rubriek 5 is uitgewerkt. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Zij zal in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, de bewijsmiddelen nader uitwerken en in een aanvulling opnemen die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

4.4.3

Vrijspraak bedreiging [persoon 1]

De onder 3 ten laste gelegde bedreiging kan niet worden bewezen nu de verklaring van [persoon 1], dat hij is bedreigd zoals is ten laste gelegd, het enige bewijsmiddel is en zijn verklaring niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Nu de rechtbank daarom niet tot een bewezenverklaring komt, zal verdachte worden hiervan worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode vanaf 12 januari 2012 tot en met 5 maart 2012 te Arnhem en Sluis en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk mondeling zich jegens [persoon 1] heeft geuit, kennelijk om zijn vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen, te beïnvloeden, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die verklaring zou worden afgelegd, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders:

in of omstreeks de periode vanaf 12 januari 2012 tot en met 5 maart 2012

- die [persoon 1] opgezocht in zijn woning in [plaats] en hem gezegd dat hij op 19 januari 2012 naar het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris moest gaan en hem gezegd wat hij ten overstaan van de rechter-commissaris diende te verklaren en hem gezegd dat hij, verdachte, ervoor zou zorgen dat hij er beter bij zou komen te zitten en hem gezegd dat hij in [plaats] opgehaald zou worden en naar het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris gebracht zou worden en

- die [persoon 1] gezegd om bij gelegenheid van het geplande getuigenverhoor op 19 januari 2012 in een tegen [verdachte] aanhangige strafzaak ten overstaan van de rechter-commissaris te verklaren dat hij, [persoon 1], [persoon 6] in contact heeft gebracht met [persoon 10] en dat hij, [persoon 1], [persoon 6] een grote idioot en een pathologisch leugenaar vindt en dat hij, [persoon 1], van zijn advocaat mr. [persoon 8] vernomen had dat hij opgeroepen was voor het getuigenverhoor en

- die [persoon 1] op het advocatenkantoor van mr. [persoon 2] aantekeningen laten maken van hetgeen hij bij gelegenheid van het getuigenverhoor op 19 januari 2012 ten overstaan van de rechter-commissaris zou moeten verklaren en

- die [persoon 1] een groot geldbedrag in het vooruitzicht gesteld indien hij tegenover de rechter-commissaris een valse verklaring zou afleggen en

- die [persoon 1] op 19 februari 2012, op 23 februari 2012 en op 5 maart 2012 telefonisch benaderd waarbij hem is gezegd dat hij moet verklaren dat hij [naam 1] en [naam 2] bij elkaar heeft gebracht en dat hij ‘hem’ niet moet aanwijzen in de rechtbank en dat hij alleen [naam 1] en [naam 2] aan moet wijzen in de rechtszaal en dat [naam 1] en [naam 2] de schuld moeten krijgen en dat hij ‘hem’ buiten schot moet houden want anders gaan er koppen vallen en dat hij moet verklaren dat hij in de war is en dat hij vol moet houden en dat het geld pas los kan komen zolang ‘hij’ los blijft en dat hij dan een heel groot deel zal krijgen en dat hij dan van zijn schulden af zal zijn en dat zij dan samen een kroeg gaan beginnen in Spanje.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1 tot en met 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, met aftrek van het voorarrest. Ter terechtzitting van 17 oktober 2013 hebben de officieren van justitie tevens de gevangenneming van verdachte gevorderd (artikel 65 van het Wetboek van Strafvordering).

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en ten aanzien van de strafmaat geen standpunt ingenomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8.3.2

Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.3

Artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht strekt ertoe de vrijheid van personen te beschermen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen.

8.3.4

Verdachte heeft [persoon 1], die als getuige was opgeroepen in een strafzaak tegen verdachte, op onoorbare wijze beïnvloed opdat hij zich niet meer vrij zou voelen naar waarheid te verklaren. Verdachte heeft daarbij een aantal anderen erin betrokken, onder wie zijn eigen advocaat.

8.3.5

De rechtbank laat in het nadeel van verdachte meewegen dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld zoals blijkt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 november 2012 dat op verdachtes naam staat.

8.3.6

De vordering tot gevangenneming wordt afgewezen reeds omdat verdachte langer in voorarrest heeft gezeten dan de gevangenisstraf die hem zal worden opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 285a van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. J. Knol en G. Voorhorst, rechters,

in tegenwoordigheid van M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 november 2013.

De jongste rechter is buiten staat

dit verkorte vonnis mede te ondertekenen.