Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7239

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
2193924 HA EXPL 13-834
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hulpverlening op het water door private reddingsmaatschappij. Vaststelling van een redelijk hulploon aan de hand van artikel 8:563 BW. Expertisekosten niet toewijsbaar o.g.v. 6:96, lid 2 sub b, BW, nu geen sprake is van vordering tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 1, p. 36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 2193924 \ HA EXPL 13-834

Uitspraak: 6 november 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser],

h.o.d.n. [bedrijf 1],

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

gemachtigde: Vesting Finance Incasso B.V.,

t e g e n

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [bedrijf 1] en [gedaagde] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 10 juli 2013 inhoudende de vordering van [bedrijf 1], met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties.

Ingevolge tussenvonnis van 4 september 2013 heeft een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan en de daarin genoemde andere stukken bevinden zich bij de stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1

[bedrijf 1] is een door [eiser] (hierna: [eiser]) gedreven onderneming, die sleep- en hulpverleningsdiensten verricht.

1.2

[gedaagde] is eigenaar van een passagiersschip, genaamd [naam passagiersschip] (hierna: het Schip).

1.3.

Het Schip is (ongeveer) 63 meter lang, 8 meter breed en 6,5 meter hoog. De waarde van het Schip is ongeveer € 2.500.000,00.

1.3

Op 28 juni 2011 lag het Schip onbemand afgemeerd aan een kade in de buitenhaven van [plaats 1].

1.4

Rond 21:00 uur waren drie van de vier trossen, waarmee het Schip was aangemeerd, geknapt door harde windstoten tijdens een onweersbui.

1.5

Het Schip dreef hierdoor af van de kade naar het midden van de haven in de richting van een verderop gelegen stenen dijk.

1.6

Het Schip stootte met de achterzijde tegen het steigerwerk.

1.7

De loopplank van het Schip was tussen de kade en het Schip in het water geraakt.

1.8

De havenmeester heeft een noodoproep gedaan aan 112 en de kustwacht heeft dit noodsignaal doorgezet via marifoonkanaal 16. Naar aanleiding daarvan is [bedrijf 1] uitgevaren met drie boten en in totaal negen bemanningsleden voor het bieden van hulp.

1.9

Eén van de boten van [bedrijf 1] was als eerste ter plaatse.

1.10

Ongeveer 15 à 20 minuten nadat de eerste boot van [bedrijf 1] was gearriveerd, is de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij (hierna: KNRM) ter plaatse gekomen met een boot.

1.11

De hulpdiensten hebben het Schip richting de kade getrokken – zo dicht als vanwege de tussenliggende loopplank mogelijk was – en vastgezet met lijnen.

1.12

De KNRM is met haar boot tussen de kade en het Schip gevaren en de hulpdiensten hebben de loopplank van het Schip uit het water getrokken.

1.13

Vervolgens hebben de hulpdiensten het Schip verder tegen de kade aan geduwd.

1.14

[bedrijf 1] heeft het Schip met de inmiddels gearriveerde [gedaagde] deugdelijk afgemeerd.

1.15

De totale operatie van [bedrijf 1] heeft 3,5 uur geduurd.

1.16

De weersomstandigheden waren als volgt: regen- en onweersbuien met een gemiddelde windkracht van Bft. 5 uit zuidoostelijke richting en met windstoten van maximaal windkracht Bft. 7.

1.17

[eiser] heeft op 29 juni 2011 contact opgenomen met de verzekeraar van het Schip, Vereniging Noord Nederland U.A. (hierna: Noord Nederland), en heeft de situatie voorgelegd. Namens Noord Nederland werd door [naam 1] medegedeeld dat een hulploon van € 5.000,00 in dit geval redelijk was en dat [bedrijf 1] daarvoor een rekening kon sturen.

1.18

[bedrijf 1] heeft [gedaagde] vervolgens op 20 juli 2011 een factuur gestuurd ten bedrage van € 5.000,00 exclusief BTW, zijnde € 5.950,00 inclusief BTW.

Vordering en verweer

2.

[bedrijf 1] vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:
a. € 6.491,09 aan hoofdsom;
b. € 1.006,14 aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. €  368,15 aan wettelijke rente, berekend tot en met 3 mei 2013;
d. rente over € 6.491,09 vanaf 4 mei 2013;
e. de proceskosten van [bedrijf 1].

3.

[bedrijf 1] stelt hiertoe kort gezegd dat het Schip in gevaar verkeerde en dat zij voor de door haar verleende hulpverlening recht heeft op een hulploon van € 5.000,00 exclusief BTW, alsmede vergoeding van de kosten voor het laten opstellen van een expertiserapport door Kersten experts.

4.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering en voert daartoe kort gezegd aan dat een bedrag van € 5.000,00 te veel is als hulploon.

5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

Hoofdsom

6.

De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat het Schip op 28 juni 2011 in gevaar verkeerde, dat [bedrijf 1] daarbij met gunstig gevolg hulp heeft verleend en dat [bedrijf 1] hiervoor recht heeft op enig bedrag aan hulploon. De kantonrechter overweegt dat het hulploon verschuldigd is door [gedaagde], nu hij de eigenaar is van het Schip (art. 8:563 jo. 8:1010 Burgerlijk Wetboek (BW)).

7.

Partijen zijn verdeeld over de hoogte van het verschuldigde hulploon. Zij twisten onder meer over de feitelijke gang van zaken.

8.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [naam 2] van de KNRM (hierna: [naam 2]) hem heeft verteld dat zij 80% van het werk heeft verricht en dat de boot van de KNRM als enige in staat was de loopplank uit het water te vissen en met haar kracht het Schip naar de kant te duwen (e-mail van 29 juni 2011, productie 1 bij conclusie van antwoord).

9.

Hierop heeft [bedrijf 1] ter comparitie nader toegelicht welke werkzaamheden door [bedrijf 1] zelfstandig dan wel samen met de KNRM zijn verricht. [bedrijf 1] heeft gesteld dat zij in eerste instantie, voorafgaande aan het bergen van de loopplank, als enige partij het Schip richting de kade heeft getrokken en met lijnen heeft vastgezet, waardoor het gevaar dat het Schip tegen een stenen dijk zou slaan, werd afgewend. Voorts heeft zij de KNRM geholpen met het bergen van de loopplank door vanaf de kade met lijnen aan de loopplank te trekken. Alle aanwezige boten tezamen hebben het Schip het laatste stuk naar de kade geduwd. Daarbij geldt dat de boten van [bedrijf 1] hetzelfde motorvermogen hebben als die van de KNRM. Hierna heeft [bedrijf 1] het Schip samen met [gedaagde] deugdelijk afgemeerd.

10.

[gedaagde] heeft op deze nadere onderbouwing ter comparitie gereageerd door opnieuw te verwijzen naar de verklaring van [naam 2], die volgens hem een andere voorstelling van zaken heeft gegeven. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat het schip de tegenovergestelde steiger raakte en dus zijns inziens redelijk vast lag en niet ver weg kon drijven.

11.

De kantonrechter overweegt dat in de verklaring van [naam 2] in het geheel niets is opgemerkt over het eerste deel van de operatie, te weten het terugslepen en met lijnen vastzetten van het Schip door [bedrijf 1]. Voorts verklaart [naam 2] niets over de door [bedrijf 1] gestelde hulp bij het bergen van de loopplank, het terugduwen van het Schip, het motorvermogen van de boten van [bedrijf 1] en het deugdelijk afmeren van het Schip met [gedaagde]. Een en ander is derhalve door [gedaagde] of [naam 2] niet weersproken. Voor het overige heeft [gedaagde] niets aangevoerd ter betwisting van de hulpverleningsactiviteiten die [bedrijf 1] stelt te hebben verricht. Derhalve is de enkele mededeling dat de actie voor 80% op het conto van de KNRM komt, een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de door [bedrijf 1] gestelde gang van zaken. Wat betreft het verweer van [gedaagde] dat de boot redelijk vast lag en niet ver weg kon drijven, overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] daarmee onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat –

indien de hulpdiensten in het geheel geen actie hadden ondernomen – het Schip door de weersomstandigheden uiteindelijk wel op de stenen dijk had kunnen slaan, bijvoorbeeld doordat de laatste tros was geknapt. Nu [gedaagde] derhalve de door [bedrijf 1] gestelde feiten, zoals hiervoor onder punt 9 geschetst, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat de kantonrechter daarvan uit.

12.

Vervolgens dient op grond van die feiten en omstandigheden te worden beoordeeld of de door [bedrijf 1] gevorderde vergoeding van € 5.000,00 voor de door haar verrichte hulpverlening toewijsbaar is. Ingevolge artikel 8:563 BW wordt het bedrag van het hulploon, bij gebreke van een overeenkomst daaromtrent tussen partijen, vastgesteld door de rechter “met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening” en daarbij rekening houdend met de in lid 2 opgesomde criteria.

13.

[bedrijf 1] heeft zich ter onderbouwing van het gevorderde bedrag beroepen op een door Kersten experts opgemaakte rapport (productie 4 bij dagvaarding), waarin het bureau met inachtneming van alle door [bedrijf 1] aangevoerde feiten en omstandigheden het redelijk hulploon heeft bepaald op € 5.500,00. Dit bedrag is volgens [bedrijf 1] zelfs aan de lage kant, nu Kersten experts ervan uit is gegaan dat het Schip ongeveer € 1.000.000,00 waard is, terwijl ter comparitie uit de verklaring van [gedaagde] blijkt dat de waarde ongeveer € 2.500.000,00 bedraagt. Voorts heeft [bedrijf 1] gesteld dat Noord Nederland aan de hand van de door [bedrijf 1] beschreven situatie het bedrag van € 5.000,00 heeft genoemd als redelijk hulploon.

14.

[gedaagde] heeft zich verweerd tegen de hoogte van het gevorderde hulploon. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het bedrag niet onderbouwd is. Voorts heeft hij aangevoerd dat het hulploon afhankelijk zou moeten zijn van de door [bedrijf 1] gemaakte kosten en dat deze geen € 5.000,00 kunnen bedragen. [gedaagde] heeft zich voorts beroepen op de brief van Noord Nederland van 15 augustus 2011, waarin Noord Nederland schrijft dat zij het gevorderde hulploon op grond van de reacties van de KNRM en de verzekerde als zeer onredelijk beschouwt. [gedaagde] voert tevens aan dat ook de KNRM € 5.000,00 buitenproportioneel hoog vindt.

15.

De kantonrechter overweegt als volgt. De ter betwisting aangevoerde stelling van [gedaagde] inhoudende dat de hoogte van het hulploon alleen afhankelijk zou moeten zijn van de kosten van de hulpverlening, kan niet worden gevolgd. Immers is in artikel 8:563 BW bepaald dat bij vaststelling van het hulploon rekening dient te worden gehouden met de in lid 2 onder a. tot en met j. genoemde criteria. Deze criteria omvatten veel meer dan (alleen) de directe kosten van de operatie.

16.

Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat Noord Nederland en de KNRM, die als deskundig dienen te worden beschouwd, het bedrag van € 5.000,00 niet redelijk vinden. De kantonrechter overweegt dat uit de reactie van de KNRM (bij e-mail van 29 juni 2011, productie 1 bij conclusie van antwoord) niet kan worden afgeleid dat zij € 5.000,00 onredelijk hoog acht. [naam 2] schrijft in die e-mail daaromtrent immers het volgende:

“Zoals u wellicht weet is de hulpverlening door de KNRM kosteloos. De organisatie werkt met professionele vrijwilligers en de exploitatiekosten worden gedekt door vrijwillige bijdragen. Het is zuur voor onze vrijwilligers te vernemen dat een andere ‘hulpverleners’ nu geld bij de bij de verzekering gaan halen via het formulier dat u hebt ondertekend.”

Behalve deze e-mail is door [gedaagde] niets aangevoerd waaruit blijkt dat en op grond waarvan de KNRM het gevorderde hulploon onredelijk hoog zou vinden. Dit onderdeel van de betwisting is dan ook onvoldoende gemotiveerd.

17.

[gedaagde] heeft zich daarnaast beroepen op de opinie van zijn verzekeraar Noord Nederland, die bij brief van 15 augustus 2011 aan [eiser] heeft geschreven dat zij – na reacties van de verzekerde en de KNRM – het door [eiser] voorgestelde hulploon als zeer onredelijk beschouwt. Daarbij heeft Noord

Nederland zich kennelijk gebaseerd op de door [gedaagde] en/of [naam 2] voorgestelde gang van zaken. Nu deze gang van zaken, zoals hiervoor is overwogen, niet is komen vast te staan, komt geen belang toe aan deze mening van Noord Nederland. Wel relevant is dat Noord Nederland in eerste instantie – op basis van de door [eiser] geschetste feitelijke gang van zaken, waarvan in deze procedure wordt uitgegaan – een hulploon van € 5.000,00 redelijk achtte.

18.

Voor het overige is niet gebleken van inhoudelijke bezwaren tegen het rapport van Kersten experts of de aanvankelijke inschatting van Noord Nederland. De door [gedaagde] ingenomen stelling dat het gevorderde bedrag onvoldoende is onderbouwd, is op zichzelf een onvoldoende gemotiveerde betwisting. [gedaagde] heeft derhalve de met het rapport van Kersten experts onderbouwde stelling van [bedrijf 1] dat € 5.000,00 in dit geval redelijk is, onvoldoende gemotiveerd betwist. Voorts heeft de kantonrechter geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van Kersen experts en hun inschatting, mede nu Noord Nederland het hulploon op een vergelijkbaar bedrag (te weten € 5.000,00) had ingeschat. In dit verband is van belang dat Kersten experts bij het opmaken van het rapport uit is gegaan van een te lage waarde van het Schip, namelijk ongeveer € 1.000.000,00, terwijl dit volgens [gedaagde] in werkelijkheid ongeveer € 2.500.000,00 is. Dit duidt erop dat de inschatting van Kersten experts in dit opzicht eerder enigszins te laag is dan te hoog. De enkele stelling van [gedaagde] dat hij € 5.000,00 voor hulploon te hoog vindt, is ook in dat licht onvoldoende.

19.

De kantonrechter houdt bij het vaststellen van het hulploon rekening met de in artikel 8:563, tweede lid, BW genoemde criteria, waaronder de in dit tweede lid sub a genoemde “geredde waarde van het schip”, welke volgens [gedaagde] ongeveer € 2.500.000,00 bedraagt. Tevens is van belang dat “de aard en ernst van het gevaar” (sub d) in dit geval inhield dat het Schip tegen een stenen dijk zou kunnen slaan. Dit gevaar heeft zich niet verwezenlijk mede door tijdig optreden door [bedrijf 1], hetgeen relevant is gelet op “de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag” (sub c) en “de snelheid van de verleende diensten” (sub h). Daarnaast is van belang (gelet op de sub i en sub j genoemde criteria) dat [bedrijf 1] het gehele jaar door materieel gereed heeft teneinde dergelijke operaties te kunnen uitvoeren op het moment dat zich een noodsituatie als de onderhavige voordoet.

20.

De kantonrechter acht de gevorderde € 5.000,00 dan ook in dit geval, gelet op de feiten en omstandigheden en mede gelet op het belang van aanmoediging van de hulpverlening, een billijk hulploon. De kantonrechter stelt het hulploon derhalve vast op € 5.000,00 exclusief BTW.

Rente en kosten

21.

[bedrijf 1] heeft tevens gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 541,09 voor de factuur van Kersten experts (inclusief BTW) voor het opstellen van het rapport omtrent de hoogte van het hulploon. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid hiervan niet betwist en heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het bedrag.

22.

De kantonrechter overweegt als volgt. Voor zover [bedrijf 1] aan deze vordering artikel 6:96, lid 2, BW ten grondslag heeft gelegd, geldt dat expertisekosten in het algemeen kunnen vallen onder b: “redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid”, welke kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. In onderhavige zaak gaat het echter niet om een vordering tot schadevergoeding, maar om een vordering tot betaling van hulploon. Anders dan bij de buitengerechtelijke kosten (artikel 6:96, lid 2 onder c, BW, vgl. de A-G (onder punt 12) bij Hoge Raad 05 december 1997, LJN ZC2517, NJ 1998, 400) blijkt niet dat de wetgever heeft bedoeld dat deze kosten ook verschuldigd zijn ter zake van andere vorderingen dan die tot schadevergoeding. Voor het overige heeft [bedrijf 1] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld voor toewijzing van haar vordering tot vergoeding van de expertisekosten op

een andere grondslag. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

23.

Voorts heeft [bedrijf 1] wettelijke rente gevorderd over het hulploon en de expertisekosten, berekend vanaf ‘de vervaldag’, welk bedrag tot en met de dag der dagvaarding € 368,15 zou bedragen. [bedrijf 1] heeft echter niet gesteld dat partijen een uiterste datum voor betaling van het hulploon zijn overeengekomen, noch op welke andere grond en per wanneer [gedaagde] in verzuim is met betaling daarvan, zodat hij onvoldoende heeft gesteld voor toewijzing van € 368,15 aan rente. De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen hulploon wordt daarom toegewezen per datum dagvaarding.

24.

Voorts heeft [bedrijf 1] een vergoeding van € 1.006,14 gevorderd voor buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter overweegt als volgt. Nu niet vast staat of het verzuim ten aanzien van de verplichting tot betaling van hulploon op of na 1 juli 2012 is ingetreden, zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, worden getoetst aan de eisen zoals geformuleerd in het rapport Voor-Werk II. Daaruit volgt dat buitengerechtelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De eisende partij zal moeten stellen en specificeren dat de gevorderde kosten zijn gemaakt ter zake van voornoemde verrichtingen.

25.

[bedrijf 1] heeft meerdere aan [gedaagde] verzonden sommatiebrieven overgelegd en gesteld dat sprake is van andere kosten dan de kosten terzake van de instructie van de zaak en ter voorbereiding van de gedingstukken. Nu [gedaagde] dit niet heeft betwist, kan de vordering worden toegewezen tot het bij de kantonrechter gebruikelijke tarief voor zaken waarin de schuldenaar vóór 1 juli 2012 in verzuim is geraakt. Dat tarief komt bij een vordering tot € 10.000,00 neer op € 700,00 exclusief BTW. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt derhalve tot dat bedrag toegewezen.

26.

Gezien de uitkomst van de procedure wordt [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [bedrijf 1].

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [bedrijf 1] van:
- € 5.950,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2013 tot aan de voldoening;
- € 700,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [bedrijf 1] tot op heden begroot op:

griffierecht € 213,00
explootkosten €  83,71
salaris gemachtigde € 500,00 (2,0 punt × tarief € 250,00)
______
totaal € 796,71

inclusief eventueel verschuldigde BTW;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. H.J. Fehmers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter