Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7091

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
12-2807 / 530807
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alles overwegende acht de rechtbank het in het belang van een positieve ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk dat hij opgroeit bij zijn huidige pleegouders. Een terugplaatsing naar de ouders is derhalve niet meer aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

Zaaknummer: 12-2807/530807

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van het namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, ingediende verzoek door het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,

hierna ook te noemen: het LJ&R,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] , geboren te [woonplaats] op [geboortedatum].

[moeder] , wonende te [woonplaats], is de moeder.

[vader] , wonende te [woonplaats], is de vader.

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de moeder, de vader en de pleegouders.

1 Verloop van de procedure

Op 23 november 2012 heeft het LJ&R een verzoekschrift met bijlagen ingediend, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige voor verblijf bij een pleegouder voor de duur van een jaar.

Op 14 januari 2013 heeft de kinderrechter voornoemde verzoeken ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

De meervoudige kamer van de rechtbank houdt thans rekening met de beschikking van 14 januari 2013, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, en waarbij de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is uitgesproken en de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.

De rechtbank heeft nadien kennis genomen van het voortgangsverslag van het LJ&R, d.d. 1 juli 2013, met als bijlagen:

  • -

    het verslag van het LJ&R, inhoudende de beantwoording op de bij beschikking van 14 januari 2013 door de kinderrechter gestelde vragen;

  • -

    het verslag van Spirit, eveneens inhoudende de beantwoording op de bij beschikking van 14 januari 2013 door de kinderrechter gestelde vragen;

  • -

    de brief van het LJ&R aan de vader, d.d. 19 juni 2013, betreffende de door vader jegens de gezinsvoogd geuite bedreiging;

  • -

    de Evaluatie Spirit Pleegzorg;

  • -

    de brief van het LJ&R aan de ouders, d.d. 12 april 2013, betreffende de omgangsregeling;

  • -

    de beoordelingsboog van Spirit, d.d. februari 2012.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het faxbericht van mr. P.A.J. van Putten, - naar de rechtbank heeft begrepen- raadsman van de ouders, d.d. 15 juli 2013 inhoudende het verweer van de ouders ten aanzien van de verlenging van de uithuisplaatsing. Als bijlage is het voortgangsverslag van de Opvoedpoli met betrekking tot [kind 2] (die in december 2012 thuis is geplaatst) toegevoegd.

De raadsman heeft in zijn faxbericht tevens aangekondigd dat hij ter zitting zal worden waargenomen door mr. M.H.R. de Boer.

Op 16 juli 2013 heeft de kinderrechter het (aangehouden) verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren voortgezet.

Verschenen en gehoord zijn:

  • -

    de moeder,

  • -

    mr. M.H.R. de Boer,

  • -

    de pleegouders,

  • -

    [naam 1], orthopedagoog namens Spirit,

  • -

    [naam 2], namens het LJ&R.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.

De pleegouders hebben ter zitting een brief overgelegd waarin zij de ontwikkelingen van [minderjarige] van juli 2011 tot juli 2013 beschrijven.

2 Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 24 juli 2009 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 24 januari 2014.

In het kader van de ondertoezichtstelling is de minderjarig uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij een pleegouder is geldig tot 24 juli 2013.

[naam 2] heeft namens het LJ&R ter zitting onder verwijzing naar voornoemde ingediende stukken gepersisteerd bij het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing. Er is in de afgelopen periode veel geïnvesteerd in het contact met ouders. Helaas is gebleken dat geen constructieve samenwerking met ouders mogelijk is. Ouders blijven herhaaldelijk terugkomen op hun nare ervaringen met jeugdzorg en staan niet open om over het hier en nu te praten.

Zij zijn niet in staat gebleken om de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en zich in hem in te leven. Zo kunnen zij zich er geen voorstelling van maken dat [minderjarige] de bezoeken met ouders als spannend ervaart en dat het daarom belangrijk is dat het bezoek op een veilige locatie in aanwezigheid van pleegouders plaatsvindt. Tijdens bezoek is gebleken dat ouders nauwelijks aansluiting vinden bij [minderjarige]. Zij sluiten niet aan bij zijn beleving door bijvoorbeeld samen met hem te spelen of hem gerichte vragen te stellen over hetgeen hem momenteel bezig houdt. Ouders zijn tijdens het bezoek veel gericht op [kind 2] en zijn niet goed in staat hun aandacht tussen de beide kinderen te verdelen. Het LJ&R heeft recent vernomen dat moeder zwanger is van een derde kind. Moeder heeft dit zes maanden voor zich gehouden. Zowel de zwangerschap als het verzwijgen ervan acht het LJ&R zorgelijk. In de huidige thuissituatie hebben zij hun handen vol aan de verzorging en opvoeding van [kind 2].

[naam 2] vervolgt dat [minderjarige] in zijn korte leven veel traumatische ervaringen heeft gekend. Ouders zien niet in wat voor invloed de eerste levensjaren op [minderjarige] hebben gehad en hebben niet de indruk dat zij zijn tekortgeschoten in zijn opvoeding. Daarnaast kampen beide ouders zelf met een zeer belast verleden, hetgeen het voor hen extra moeilijk maakt om een getraumatiseerd kind op te voeden.

Inmiddels verblijft [minderjarige] drie jaar in het huidige pleeggezin. Hij ontwikkelt zich goed en verschillende factoren wijzen op een goede en veilige hechting met zijn pleegouders. Daarnaast laat [minderjarige] zien dat hij gelukkig is en vertrouwen heeft gekregen in zijn pleegouders. Hij laat op verschillende manieren blijken dat hij hoopt dat hij bij zijn huidige pleegouders mag blijven wonen. Pleegouders bieden [minderjarige] een veilig en voorspelbaar en liefdevol opvoedingsklimaat. Teven stimuleren zij het contact met ouders en de vorige pleegouders, hetgeen voor [minderjarige] belangrijk is.

Vanuit het oogpunt van [minderjarige] zou het zeer schadelijk zijn om hem weer terug te plaatsen bij ouders. Het LJ&R acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat hij opgroeit bij zijn huidige perspectiefbiedende pleegouders.

Het LJ&R is voornemens een verderstrekkende maatregel ten aanzien van beide ouders te verzoeken.

[naam 1] heeft ter zitting, namens Spirit, verklaard dat Spirit achter de uitkomst van de beoordelingsboog is blijven staan, te weten dat thuisplaatsing niet in het ontwikkelingsbelang is van [minderjarige]. Hoewel is gebleken dat ouders wel bepaalde verzorgingscapaciteiten hebben, moet de vraag of ze de opvoeding van een dergelijk getraumatiseerd kind als [minderjarige] aankunnen negatief worden beantwoord.

Spirit acht de recent geuite explosieve bedreigingen door vader aan het adres van de gezinsvoogd zeer zorgelijk. Te meer nu dit in aanwezigheid van [kind 2] gebeurde en zij onverstoord bleef spelen en op geen enkele manier op het gedrag van haar vader reageerde.

Kenmerkend voor getraumatiseerde ouders is dat zij bij confrontatie met probleemgedrag of een trauma van hun kind getriggerd worden vanuit hun eigen ervaringen en niet adequaat kunnen reageren op het gedrag van hun kind.

[minderjarige] zal bij een terugkeer ongetwijfeld probleemgedrag zal laten zien. Gelet op de impulsdoorbraken van vader is de verwachting dat hij hierop met geweld zal reageren, gerechtvaardigd.

[minderjarige] maakt de indruk ondanks zijn onveilige basis toch opnieuw een hechtingsrelatie te zijn aangegaan met zijn pleegouders. [naam 1] benadrukt dat een kind een beperkte hechtingscapaciteit heeft. Bij terugplaatsing zal hij voor de derde keer een onthechting en dus een trauma meemaken. De kans dat hij daarna nog opnieuw zal hechten is bijzonder klein. Te meer nu, hoewel ouders dit bestrijden, het bij ouders thuis geen bekend terrein voor hem is.

De pleegvader heeft ter zitting de brief voorgedragen waarin hij en zijn vrouw hun bevindingen ten aanzien van de ontwikkeling van [minderjarige] sinds zijn verblijf bij hen beschrijven. Pleegouders hebben de indruk dat [minderjarige] goed geaard is, gelukkig en tevreden overkomt en volledig tot bloei komt.

De raadsvrouw heeft conform het door mr. P.A.J. van Putten overgelegde verweerschrift gepleit. Zij benadrukt dat de thuisplaatsing van [kind 2] goed is verlopen en dat de ouders de opvoeding uiterst serieus ter hand hebben genomen. Ouders werken goed mee aan de begeleiding van de Opvoedpoli. Aldus kan niet worden gesteld dat er geen perspectief op thuisplaatsing van [minderjarige] bij ouders bestaat. Ook [minderjarige] kan stapsgewijs worden thuisgeplaatst. Verdere uithuisplaatsing zou betekenen dat de band tussen broer en zus zich onvoldoende kan ontwikkelen. Daarnaast zal het voor [minderjarige] niet te begrijpen zijn dat zijn zusje wel bij zijn ouders opgroeit. De raadsvrouw verzoekt de machtiging te verlengen voor de duur van drie maanden in welke maanden de omgang met ouders dient te worden uitgebreid en in de thuisomgeving dient plaats te vinden. Een daartoe aangewezen deskundige zal de omgang kunnen observeren en begeleiden en zich op grond van de bevindingen kunnen uitlaten over een mogelijke thuisplaatsing van [minderjarige].

[naam 2] heeft hierop verklaard dat gelet op voornoemd standpunt van het LJ&R, het verzoek van de raadsvrouw tot uitbreiding van de omgang en het benoemen van een deskundige niet langer passend is. Voorts benadrukt [naam 2] dat de situaties van [kind 2] en [minderjarige] niet met elkaar kunnen worden vergeleken. [minderjarige] is een ernstig getraumatiseerd kind dat inmiddels al drie jaar niet meer thuis opgroeit. Het LJ&R is met Spirit van mening dat ouders gelet op de bevindingen van de afgelopen jaren zeer waarschijnlijk niet in staat zijn een dergelijk getraumatiseerd kind op te voeden en dat thuisplaatsing bovendien met grote zekerheid een nieuw hechtingstrauma teweeg zal brengen. Een thuisplaatsing is derhalve schadelijk en wordt niet in het belang van [minderjarige] geacht.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij werd opgehouden door het openbaar vervoer en daarom het begin van de zitting niet heeft kunnen bijwonen. Vader is niet aanwezig omdat hij met [kind 2] nog onderweg is naar een oppas. Zij brengt naar voren dat het goed gaat met [kind 2] thuis en dat zij blij is met de hulp van de Opvoedpoli. Het contact met het LJ&R verloopt volgens moeder niet goed. Zij is van mening dat ze weinig informatie krijgt.

Moeder verklaart voorts dat zij inmiddels zeven maanden zwanger is van vader. Zij wil graag dat alle kinderen straks bij elkaar opgroeien. Zij vindt dat [minderjarige] er tijdens het bezoek nooit echt blij uitziet en vaak moe is. Zij denkt dat dit komt omdat hij drie keer per week na school naar een dagverblijf gaat omdat beide pleegouders werken.

OVERWEGINGEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de gronden die hebben geleid tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn en dient voort te duren.

Drie jaar geleden was voor de beslissing tot uithuisplaatsing van [minderjarige] leidend dat het een ernstig getraumatiseerd kind betrof en dat ouders onvoldoende in staat waren hem naar behoren op te voeden en te verzorgen. Hij is in 2010 als tweejarig jongetje op een crisisgroep van [naam crisisgroep] geplaatst. Van daaruit is hij doorgeplaatst naar een projectgezin. Vanaf juli 2011 verblijft [minderjarige] in het huidige pleeggezin. Hij woont inmiddels drie jaar niet meer thuis bij zijn ouders en zusje.

De rechtbank is gebleken dat [minderjarige] goed gehecht is binnen het huidige pleeggezin hetgeen, gelet op zijn onveilige en verstoorde hechting in zijn jonge levensjaren, bijzonder en voor zijn verdere ontwikkeling uitermate belangrijk is. Pleegouders zijn integere mensen die [minderjarige] een warme, veilige en voorspelbare ontwikkelingsomgeving bieden. [minderjarige] voelt zich veilig en heeft in de afgelopen twee jaren een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij geeft zelf op directe en indirecte wijze aan dat hij graag bij zijn pleegouders wil blijven wonen. Verstoring van deze stabiele gehechtheidsrelatie, die met grote zekerheid tot hertraumatisering zal leiden, zou slechts in uitzonderlijke gevallen het belang van [minderjarige] kunnen dienen.

Zoals door Spirit is benadrukt gaat het niet om de vraag of de ouders in staat zijn om een kind op te voeden maar om de vraag of zij in staat zijn aan de behoeften van [minderjarige], een getraumatiseerd kind dat van zijn jonge leeftijd al drie jaar uit huis verblijft en gehecht is aan zijn huidige pleegouders, tegemoet te komen. De rechtbank is met het LJ&R en Spirit van oordeel dat de ouders ook thans, drie jaar later, niet in staat worden geacht [minderjarige] de benodigde verzorging en opvoeding te bieden.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat ouders niet erkennen dat zij zijn tekort geschoten in de opvoeding en volledig voorbij gaan aan de invloed die de eerste levensjaren op [minderjarige] hebben gehad. Derhalve ontbreekt het ouders aan inzicht in de problematiek van [minderjarige]. Ouders zijn niet in staat gebleken om de belangen van [minderjarige] voorop te stellen. Zij plaatsen hun eigen praktische belangen boven het pedagogische belang van [minderjarige]. De rechtbank stelt vast dat de ouders niet tot een constructieve samenwerking met het LJ&R en met de pleegouders zijn gekomen ondanks herhaaldelijke pogingen daartoe. Het feit dat moeder haar zwangerschap zes maanden heeft verzwegen voor het LJ&R en Spirit is daar opnieuw een treffend voorbeeld van. Tijdens de omgang is gebleken dat de opvoedingsvaardigheden van ouders ten aanzien van [minderjarige] beperkt zijn. Zij zijn onvoldoende in staat zich in te leven in [minderjarige] en aansluiting bij zijn beleving te vinden. De feedback en de adviezen die ouders ten behoeve van de omgang met [minderjarige] krijgen worden door ouders afgeweerd of onvoldoende benut.

Alles overwegende acht de rechtbank het in het belang van een positieve ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk dat hij opgroeit bij zijn huidige pleegouders. Een terugplaatsing naar de ouders is derhalve niet meer aan de orde.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De kinderrechter:

- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige voor verblijf bij een pleegouder met ingang van 24 juli 2013 voor de duur van zes maanden;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is op 16 juli 2013 gegeven door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. D. Radder en B.M. Vroom-Cramer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Nijland, griffier.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 - 541 1899).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.