Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7072

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
AMS 12-2308
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete i.v.m. het niet afsluiten van een zorgverzekering

Uitspraak meervoudige kamer. CVZ heeft terecht een bestuurlijke boete opgelegd, omdat eiseres in 2011 geen zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet heeft afgesloten, terwijl zij daartoe wel verplicht was. Eiseres was gedetacheerd in [plaats1], maar in de detacheringsovereenkomst is de Nederlandse wetgeving (waaronder de Zorgverzekeringswet) van toepassing verklaard. Dit is vastgesteld door de Sociale Verzekeringsbank. Eiseres heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. De zorgverzekering die eiseres heeft afgesloten is niet aangemeld bij de Nederlandse Zorgautoriteit en staat niet op de lijst van zorgverzekeringen die voldoen aan de voorwaarden van de zorgverzekeringswet. Het is daarom geen verzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/2308

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats] in de [woonland], eiseres,

en

het College voor Zorgverzekeringen, verweerder

(gemachtigde mr. S.J.A. Rood).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd, omdat zij geen zorgverzekering heeft afgesloten.

Bij besluit van 6 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit (uiteindelijk) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 28 februari 2013. Eiseres is ter zitting niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. S.J.A. Rood. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de enkelvoudige kamer het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is op 16 september 2013 voortgezet door de meervoudige kamer. Partijen zijn op deze zitting met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Eiseres is door haar Nederlandse werkgever, [naam werkgever], met ingang van oktober 2010 gedetacheerd in [woonplaats]. Zij heeft voor haar verblijf in [woonplaats] een Nederlandse zorgverzekering bij eXpatriate Health Insurance (XHI) van Achmea Zorgverzekeringen afgesloten.

3.

Verweerder heeft eiseres een bestuurlijke boete van € 343,74 opgelegd, omdat zij, ondanks aanmaning daartoe, in 2011 geen zorgverzekering heeft afgesloten in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

4.

Eiseres is het niet eens met de bestuurlijke boete. Zij heeft immers een Nederlandse zorgverzekering afgesloten en was in 2011 niet eens in Nederland woonachtig, aldus eiseres.

5.

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of eiseres verplicht was om in 2011 een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten.

6.

De verplichting om een zorgverzekering af te sluiten is neergelegd in artikel 2, eerste lid, van de Zvw, waarin kort samengevat is bepaald dat degene die op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) van rechtswege verzekerd is, verplicht is een zorgverzekering af te sluiten. Op grond van de artikelen 2 en 5, eerste lid, van de AWBZ is verzekerd degene die in Nederland woont of die vanwege in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

7.

De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft op verzoek van verweerder onderzocht of eiseres in 2011 van rechtswege verzekerd was voor de AWBZ.

8.

Niet is in geschil dat eiseres in 2011 niet in Nederland woonde of werkte.

9.

Volgens de Svb is eiseres echter ondanks haar wonen en werken in [woonplaats] toch verzekerd voor de AWBZ, omdat is gekozen voor werk in het buitenland op basis van detachering. In de detacheringovereenkomst is uitdrukkelijk het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel van toepassing verklaard. Aan het Svb-oordeel dat eiseres verzekerd is gebleven voor de AWBZ ligt dus een uitdrukkelijk door eiseres en/of haar werkgever gemaakte keuze ten grondslag.

10.

Dit oordeel is door de Svb ook neergelegd in een besluit van 23 december 2011.

Eiseres heeft tegen dit besluit van de Svb geen rechtsmiddelen aangewend. Daarmee staat dat besluit in rechte vast en kan het door verweerder tegen eiseres worden ingeroepen.

11.

Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat eiseres in 2011 verplicht was om een zorgverzekering af te sluiten.

12.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of eiseres een zorgverzekering heeft afgesloten of niet. Niet is in geschil dat de door eiseres afgesloten XHI-polis niet door Achmea Zorgverzekeringen bij de Nederlandse Zorgautoriteit is aangemeld en ook niet op de lijst staat van zorgverzekeringen die voldoen aan de voorwaarden van de Zvw. Verweerder heeft daaruit terecht de conclusie getrokken dat de door eiseres afgesloten zorgverzekering geen zorgverzekering is in de zin van de Zvw.

Daarbij wijst de rechtbank erop dat de aanmelding en plaatsing op de lijst van zorgverzekeringen onder meer tot gevolg heeft dat er voor de betreffende polis een acceptatieplicht bestaat, waarop elke zorgverzekerde een beroep kan doen, ook al vormt hij vanwege zijn gezondheidstoestand of leeftijd bijvoorbeeld een gezondheidsrisico. De aanmelding of plaatsing op die lijst betreft dus meer dan slechts een formaliteit.

13.

Eiseres heeft nog gesteld dat zij van haar werkgever de XHI-polis diende te kiezen.

Dat ontslaat eiseres echter niet van de plicht om zich te houden aan de wet. Voor zover eiseres als gevolg van een dergelijke verplichting van haar werkgever met extra kosten wordt geconfronteerd (als gevolg van de boete en een eventuele dubbele verzekering), kan eiseres zich wenden tot haar werkgever. Het handelen van haar werkgever kan echter niet worden afgewenteld op verweerder.

14.

Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat zij de boete van € 343,74 niet kan betalen, wijst de rechtbank eiseres op de mogelijkheid om de boete in termijnen te betalen.

15.

De conclusie is dat verweerder terecht op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw aan eiseres een bestuurlijke boete heeft opgelegd.

16.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter,

mrs. C.J. Polak en J.W. Vriethoff, leden,

in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2013.

de griffier

de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB