Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6966

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
C/13/550405 / KG ZA 13-1168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Auteur van jubileumboek van het Nederlandse Loodswezen mag dit boek niet zelf uitgeven. Ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van het Nederlandse Loodswezen wenste men een boek uit te geven. Hiervoor is een auteur benaderd. Toen vervolgens met de auteur onenigheid ontstond, is besloten dat het boek er niet zou komen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het de auteur op grond van de gemaakte afspraken, niet vrijstaat het boek vervolgens zelf uit te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/550405 / KG ZA 13-1168 SR/MV

Vonnis in kort geding van 18 oktober 2013

in de zaak van

de rechtspersoon krachtens publiekrecht

NEDERLANDSE LOODSENCORPORATIE,

gevestigd te Rotterdam,

alsmede in de zaak van 20 andere eisers overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding,

eisers bij dagvaarding van 27 september 2013,

advocaten mrs. A.A. Kleinhout en P.L. Tjiam te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. G. van Atten te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook de Nederlandse Loodsencorporatie en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 7 oktober 2013 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.
Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.
Van eisers waren aanwezig: [A], [functie] van de Nederlandse Loodsencorporatie, [B], [C] en [D] met mrs. Kleinhout en Tjiam. Verder was namens eisers aanwezig [E].

[gedaagde] was aanwezig met mr. Van Atten.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

Het Loodswezen zorgt ervoor dat schepen veilig van en naar Nederlandse havens en de havens aan de rivier de Schelde worden geloodst. Tot 1988 was het Loodswezen een ambtelijke dienst. In 1988 is het Loodswezen verzelfstandigd. De verschillende loodsen verenigden zich op dat moment in de Nederlandse Loodsencorporatie.

2.2.

In 2004 hebben [gedaagde] en [F] het boek “[titel]” geschreven. [gedaagde], althans zijn eigen uitgeverij De Oplichterij, heeft dit boek uitgegeven. Hiervoor heeft hij indertijd een financiële bijdrage ontvangen van Ordina. Ordina heeft geen bemoeienis gehad met de inhoud van het boek. In het boek “[titel]” is een hoofdstuk gewijd aan de verzelfstandiging van het Loodswezen.

2.3.

Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 2013 heeft de Nederlandse Loodsencorporatie een aantal festiviteiten georganiseerd. Op 15 februari 2013 heeft [E], [functie] van de Nederlandse Loodsencorporatie een e-mail gestuurd naar [F] en [gedaagde]. In de e-mail is het volgende opgenomen.

Het Nederlands Loodswezen bestaat komende jaar 25 jaar in zijn huidige zelfstandige vorm.
Wij zouden graag om dit jubileum te vieren een boek uit willen brengen over het verleden, heden en de toekomst van het Nederlands Loodswezen.
Na het lezen van het boek ‘[titel]’, zouden wij het erg leuk vinden om in zo’n soort vorm ook ons boek uit te willen brengen.
Wij zouden deze dan op 25 september aan de Minister van Infrastructuur en Milieu willen overhandigen.
Onze vraag aan jullie is of jullie in de gelegenheid zijn om dit voor ons te doen. Graag zou ik met jullie een oriënterend gesprek willen plannen met de [functie] van de Nederlandse Loodsencorporatie [A].


2.4. [gedaagde] heeft de hiervoor geciteerde e-mail beantwoord op 15 februari 2013. In zijn e-mail is onder meer het volgende opgenomen.

Met genoegen maak ik een afspraak met u en alvast gefeliciteerd met het 25 jarig bestaan van het Loodswezen.
We hebben ook in het verleden met genoegen met Loodswezen samengewerkt.
Graag maken wij het boek voor u.
Helaas heeft meneer [F] een heel drukke baan bij Fokker, zodat u het met ondergetekende moet doen, echter het ontwerp, de fotos en het idee van het boek was van mij dus we komen een heel eind.

2.5.

Op 19 februari 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [A], [G], [functie] van de Nederlandse Loodsencorporatie,
[E] en [gedaagde]. Nadien heeft [gedaagde] de door eisers als productie 2 in het geding gebrachte brief geschreven. Hierin is onder meer opgenomen:

Vanuit de ervaring die ik heb, denk ik dat ik voor het print-klaar maken van een boek voor jullie 200 – 250 uur kwijt ben.
Voor het maken van het boek vraag ik dan 15.000 euro, ongeveer 60 euro per uur. Eerlijk gezegd voel ik me zelf meer senang bij 85 euro per uur, maar ik vind het ook een fiks bedrag, dus dat laat ik aan jullie over.
Daarnaast zijn er de drukkosten. Ik heb mijn boeken altijd laten drukken bij drukkerij Wilco in Nederland. Snel en goed. Mijn contactpersoon daar staat nu op de skilatten, dus ik kan niet zeggen wat zij voor het boek vragen. Reken bij een oplage van 2000 op 3 euro per boek low end en bij high end kwaliteit op 7 euro per boek.
De activiteiten zoals interviews doen, tekst schrijven, afstemmen, redactie, beeldmateriaal vervaardigen, DTP (de vormgeving die ik betaal) etc, kosten wel 200-250 uur. (…)
Jullie nieuwe boek zou ik van binnenuit willen maken in relatie tot de omgeving. Dan gaat het om de loods en de mensen die bij het loodswezen werken zelf. De volgorde in het boek wordt dan de loods met zijn verhaal en zijn materiaal (de boot) en de mensen die hem daarbij ondersteunen in het loodswezen.
Mijn idee is dan als volgt: ik maak portretten van een 12 tal loodsen en medewerkers. (…)
Met die portretten maken we afspraken met de mensen die jij noemde en vragen hen om hun commentaar/visie op die ervaringsverhalen. Ook dat zetten we in het boek.
(…)

En samen maken we een verhaal over waar jullie naar toe willen.

2.6.

Bij brief van 12 maart 2013 heeft de Nederlandse Loodsencorporatie [gedaagde] het volgende medegedeeld:

Naar aanleiding van onze mondelinge overeenkomst, sturen wij u hierbij de bevestiging dat in wederzijds overleg de kosten voor het schrijven van het boek ter eren van ons 25 jarig bestaan, zijn vastgesteld op 18.000 euro en dat u uw facturen over 6 maanden zult spreiden en zult indienen.

2.7.

Als productie 4 hebben eisers drie e-mails van 15 maart 2013 in het geding gebracht van de Nederlandse Loodsencorporatie gericht aan drie loodsen. Hierin is onder meer het volgende opgenomen.

Dit jaar bestaan wij als Loodswezen 25 jaar en de NLC zal voor deze gelegenheid een boek uitbrengen. In dit boek zal de mens binnen het loodswezen centraal staan en hebben wij de regiovoorzitters gevraagd om een loods en een medewerker voor te dragen om mee te werken aan het interview. En jullie zijn het geworden!
Mijn eerste vraag aan jullie is natuurlijk of jullie hieraan mee willen werken. (…)
[gedaagde] is onze schrijver. Voor hem is het makkelijk om jullie interviews op een dag te plannen.
(…)[gedaagde] zal op die dag ook foto’s maken, het liefst in de werkomgeving. (…)
2.8. Als productie 5 hebben eisers vier e-mails van 14 maart 2013 in het geding gebracht van de Nederlandse Loodsencorporatie gericht aan externen. Hierin is onder meer het volgende opgenomen.

Dit jaar staan wij stil bij het feit dat het Nederlands Loodswezen 25 jaar geleden, op 1 september 1988, verzelfstandigd is.
Ter ere van dit jubileum brengt het Nederlands Loodswezen een boek uit.
Wij hebben de heer [gedaagde] benadert om dit boek voor ons te schrijven. (…)
Wij willen u vragen een bijdrage te leveren aan dit jubileumboek. In het geval u hier positief op reageert zal de heer [gedaagde] contact met u opnemen.

2.9.

In maart 2013 is [gedaagde] begonnen met het afnemen van de interviews voor het boek. Hij heeft 23 personen geïnterviewd. Van hen zijn er 16 ook gefotografeerd voor het boek.

2.10.

Op 24 juli 2013 heeft de Nederlandse Loodsencorporatie de overeenkomst met [gedaagde] beëindigd.

2.11.

Bij brief van 31 juli 2013 heeft de raadsman van [gedaagde] aan de Nederlandse Loodsencorporatie onder meer het volgende bericht.

Bij brief d.d. 12 maart 2013 bevestigt u (…) dat tussen partijen is afgesproken dat cliënt een boek gaat schrijven ter ere van het 25 jarig bestaan van Nederlands Loodswezen, dat in wederzijds overleg tussen partijen de kosten voor het schrijven van het boek zijn vastgesteld op 18.000,- ex BTW en dat cliënt dit geldbedrag in zes termijnen maandelijks zal factureren. Voornoemd geldbedrag ziet enkel op de kosten met betrekking tot het schrijven van het boek. Overige kosten met betrekking tot het boek vallen hier buiten en zijn voor rekening van Nederlands Loodswezen. (…)
Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat het boek tijdens een feestelijke presentatie tijdens jubileum festiviteiten aan het publiek gepresenteerd wordt door Nederlands Loodswezen. Ten behoeve van deze presentatie zou Nederlands Loodswezen 2000 exemplaren van het boek afnemen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat Nederlands Loodswezen zorg zal dragen voor de verdere bekendmaking van het boek.
In overleg zijn partijen tot het idee gekomen om in het boek de mensen die werkzaam zijn c.q. waren bij Nederlands Loodswezen centraal te zetten. Derhalve is afgesproken om portretten van werknemers in het boek te plaatsten, alsmede de interviews met werknemers en externe partijen in het boek te verwerken.
Het boek zou uit twee onderdelen bestaan.
1. De dossiers. Deze dienden feitelijk geheel juist te zijn. De dossiers zijn door u in de week van 16 juli 2013 geautoriseerd teruggestuurd en u deed hierover de mededeling dat ze uitstekend zijn.
2. De interviews. (…) Alle geïnterviewden hebben op de transcripties gereageerd en toestemming gegeven om de door haar of hem verschafte informatie te publiceren. Iedere geïnterviewde heeft aldus toestemming gegeven voor het publiceren van de door hem of haar verschafte informatie in woord en beeld.
(…)
Bij brief d.d. 25 juli 2013 stelt u echter dat de aangeleverde (concept)stukken niet aan de verwachtingen voldoen en beëindigt u – zonder voorafgaande ingebrekestelling – namens Nederlands Loodswezen de samenwerking tegen finale kwijting van de op Nederlands Loodswezen rustende verplichtingen jegens cliënt en onthoudt u uw goedkeuring voor verdere verwerkingen en interviews en overige teksten, alsmede verbiedt u uitgave van het boek.
Thans komt Nederlands Loodswezen de op haar rustende verplichtingen jegens cliënt niet na c.q. kondigt aan deze niet na te komen. Zonder enige ingebrekestelling vooraf, heeft Nederlands Loodswezen immers de samenwerking met cliënt beëindigd. Daarbij laat Nederlands Loodswezen na haar stelling – inhoudende dat het werk van cliënt niet aan de verwachtingen voldoet – behoorlijk te onderbouwen. Evenmin geef zij aan cliënt de mogelijkheid om binnen een bepaalde termijn de gebreken – welke cliënt stellig betwist – te herstellen, terwijl hier voldoende tijd voor bestond, namelijk twee maanden. Wegens voornoemd handelen heeft cliënt schade geleden welke voor rekening komt van Nederlands Loodswezen.
Geheel in strijd met hetgeen overeengekomen tussen partijen zal immers het boek niet door Nederlands Loodswezen gepresenteerd worden aan het publiek tijdens een presentatie, wordt de bekendmaking van het boek niet verzorgd door Nederlands Loodswezen en wordt door Nederlands Loodswezen goedkeuring voor verdere verwerking van de teksten en interviews ontzegd, alsmede voor uitgave van het boek. Daarnaast bestaat een achterstand in betaling aan de zijde van Nederlands Loodswezen ad € 3.000,- (één termijn).
De door cliënt geleden schade bestaat uit de volgende geldbedragen. Pre-press kosten van de drukkerij ad € 3.600,- welke reeds zijn voldaan door cliënt, reiskosten van cliënt om en nabij € 1.000,- en de laatste betalingstermijn ad € 3.000,-. Daarnaast loopt cliënt omzet mis wegens het feit dat het boek niet door het Nederlands Loodswezen tijdens een feestelijke presentatie wordt gepresenteerd, alsmede Nederlands Loodswezen geen zorg draagt voor bekendmaking van het boek. Nu Nederlands Loodswezen het boek niet onder de aandacht van het publiek zal brengen, zal cliënt de voorheen verwachte eerste oplage van 5000 boeken niet halen en loopt hij een omzet mis ad voorlopig begroot op € 82.000,-. Derhalve heeft cliënt schade geleden ter hoogte van € 89.600,-.
Nu het auteursrecht met betrekking tot het boek toekomt aan cliënt – zoals reeds door u erkend bij brief d.d. 25 juli 2013 – staat het cliënt vrij om het boek openbaar te maken en te verveelvoudigen. U beweert dat in het boek onjuistheden vermeld staan. Cliënt verzoekt Nederlands Loodswezen binnen vijf werkdagen na dagtekening van deze brief deze onjuistheden kenbaar te maken. Indien cliënt binnen voorgenoemde termijn niet van Nederlands Loodswezen verneemt, gaat hij ervan uit dat de inhoud van het boek feitelijk juist is.
Cliënt geeft Nederlands Loodswezen vijf werkdagen na dagtekening van deze brief de tijd om met een voorstel te komen om verdere juridisering te voorkomen.

2.12.

De laatste termijn van € 3.000,- is in augustus 2013 aan [gedaagde] voldaan. In totaal is aan [gedaagde] € 18.000,- plus reiskosten voldaan.
2.13. Als productie 10 hebben eisers 20 verklaringen in het geding gebracht van geïnterviewden (die in dit geding ook als eisers optreden). In deze verklaringen is onder meer opgenomen:

In maart jl. heeft het Loodswezen mij gevraagd mee te werken aan een interview met [gedaagde] ten behoeve van het jubileumboek dat het Loodswezen in beperkte oplage als relatiegeschenk wilde uitbrengen ter gelegenheid van zijn 25 jarig bestaan. Slechts voor dit doel heb ik mijn medewerking aan het interview verleend.
Ik heb begrepen dat het Loodswezen onlangs heeft besloten dit jubileumboek niet meer uit te brengen. Ik begrijp nu dat [gedaagde] mijn interview (…) mogelijk zal gebruiken voor andere doeleinden, bijvoorbeeld om een eigen boek over het Loodswezen te publiceren. Dit betekent dat mijn interview tegen de afspraken in voor andere doeleinden zal worden gebruikt dan de publicatie waarvoor ik destijds mijn toestemming heb gegeven. Hier ga ik niet mee akkoord.
(…)

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – kort gezgd – het volgende:
(a) een bevel dat [gedaagde] de interviews (of gedeelten daarvan) op geen enkele wijze mag verspreiden of openbaar maken, op straffe van dwangsommen;
(b) een bevel dat [gedaagde] de foto’s van de geportretteerden op geen enkele wijze mag verspreiden of openbaar maken, op straffe van dwangsommen;
(c) een bevel dat [gedaagde] de informatie die hij heeft verkregen uit interne dossiers die eigendom zijn van de Nederlandse Loodsencorporatie (met uitzondering van informatie die via publieke bronnen reeds bekend is) op geen enkele wijze mag verspreiden of openbaar maken, op straffe van dwangsommen;
(d) een bevel dat [gedaagde] zijn uitgever op de hoogte stelt van de inhoud van dit vonnis, op straffe van dwangsommen;
(e) met veroordeling [gedaagde] van de kosten in dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Eisers stellen hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. In het kader van het 25-jarig bestaan is begin 2013 door de Nederlandse Loodsencorporatie het plan opgevat een jubileumboek over het Loodswezen te laten maken, dat tijdens een feestelijk symposium op 25 september 2013 aan (circa) 300 genodigden zou worden uitgereikt. De Nederlandse Loodsencorporatie had een aantal personen op het oog die dit boek zouden kunnen schrijven, onder wie [F] en [gedaagde]. Op 15 februari 2013 zijn zij benaderd door de Nederlandse Loodsencorporatie en vervolgens is met [gedaagde] overeenstemming bereikt. Omdat het jubileumboek na afloop van het symposium als relatiegeschenk zou worden gebruikt, is ingeschat dat in totaal 2000 exemplaren van het boek zouden moeten worden gedrukt. In de brief van [gedaagde] die als productie 2 door eisers in het geding is gebracht (zie 2.5), bevestigt hij dat het aantal te drukken exemplaren 2000 bedraagt. De Nederlandse Loodsencorporatie zou zelf het contract met de drukker sluiten en alle kosten ter zake van het drukken van het boek op zich nemen. [gedaagde] heeft in dit verband kenbaar gemaakt dat hij bij een drukkerij die hij goed kende voor de Nederlandse Loodsencorporatie zou opvragen hoeveel een oplage van 2000 jubileumboeken zou kosten. Nimmer is met [gedaagde] gesproken over commerciële verkoop van het jubileumboek of over een grotere oplage dan 2000 exemplaren. Commerciële verkoop zou overigens in strijd zijn met artikel 134 van de Grondwet omdat de Nederlandse Loodsencorporatie als een publiekrechtelijke organisatie heeft te gelden.
De Nederlandse Loodsencorporatie heeft van begin af aan duidelijk gemaakt dat zij als opdrachtgever van het boek ook de eindredactie op zich zou nemen. Omdat het boek tevens als relatiegeschenk zou worden gebruikt, moest de Nederlandse Loodsencorporatie de laatste hand hebben in de eindtekst. Om deze reden diende [gedaagde] zijn teksten tijdig in te leveren, zodat de Nederlandse Loodsencorporatie nog wijzigingen kon doorvoeren. De personen die door [gedaagde] zijn geïnterviewd en gefotografeerd zijn geselecteerd en benaderd door de Nederlandse Loodsencorporatie. Deze personen hebben hun medewerking aan het boek verleend, uitsluitend omdat zij wisten dat het een jubileumboek zou worden en omdat zij de Nederlandse Loodsencorporatie een warm hart toedragen. Zij hebben nimmer hun toestemming verleend voor een commerciële uitgave van het boek door [gedaagde]. Naast interviews en foto’s kon [gedaagde] voor het schrijven van het boek putten uit interne dossiers die eigendom zijn van de Nederlandse Loodsencorporatie. Deze dossiers bevatten informatie die voor het grootste gedeelte niet beschikbaar is via openbare bronnen. Omdat het “interne” dossiers betrof, is ook hier van belang dat de Nederlandse Loodsencorporatie de eindredactie moest kunnen voeren.
In juli 2013 ontving de Nederlandse Loodsencorporatie het grootste gedeelte van de teksten van [gedaagde]. Tegelijkertijd ontving de Nederlandse Loodsencorporatie een groot aantal klachten van geïnterviewden over de bejegening en de werkwijze van [gedaagde]. Aangezien de teksten onmogelijk in een jubileumboek (dat ook als relatiegeschenk moest dienen) zouden kunnen verschijnen, hebben medewerkers van de Nederlandse Loodsencorporatie diverse keren contact gehad met [gedaagde]. Tot hun verbazing liet [gedaagde] hen weten dat zij aan de tekst niets mochten veranderen. Bovendien liet hij zich erg neerbuigend en onbeschoft uit over de kwaliteiten van [A] en [E] (respectievelijk [functie] en [functie] van de Nederlandse Loodsencorporatie).
Partijen raakten vervolgens in een impasse omdat [gedaagde] weigerde door de Nederlandse Loodsencorporatie gesuggereerde aanpassingen door te voeren. Omdat een oplossing uitbleef zag de Nederlandse Loodsencorporatie zich genoodzaakt de opdracht aan [gedaagde] te beëindigen. Overigens heeft de Nederlandse Loodsencorporatie aan [gedaagde] alle zes de termijnen van € 3.000,- plus de reiskosten betaald. Na het beëindigen van de opdracht is de Nederlandse Loodsencorporatie gebleken dat [gedaagde] een eigen commerciële uitgave van het boek voorstaat. Dit blijkt onder meer uit de brief van de raadsman van [gedaagde] van 31 juli 2013 (zie 2.11). Hierdoor handelt [gedaagde] onrechtmatig jegens de Nederlandse Loodsencorporatie en jegens de geïnterviewden, die hiervoor geen toestemming hebben gegeven. Bovendien heeft hij als opdrachtnemer jegens de Nederlandse Loodsencorporatie niet de zorg in acht genomen die van een goed opdrachtnemer ingevolge artikel 7:401 BW mag worden verwacht. Deze norm strekt zich ook uit tot na het eindigen van de opdracht.

3.3.

Voor het verweer van [gedaagde] wordt verwezen naar de brief van zijn raadsman van 31 juli 2013 (zie 2.11). Ter zitting heeft [gedaagde] – samengevat weergegeven – het volgende verweer gevoerd. [gedaagde] is doctor in de culturele antropologie. Hij is benaderd omdat hij een eerder boek (‘[titel]’) heeft geschreven, in welk boek eveneens aandacht is geschonken aan het Loodswezen. [gedaagde] is gevraagd om een wetenschappelijk en gezaghebbend werk te schrijven over het Loodswezen en hij is gebonden aan de regels die hiervoor gelden. Als wetenschapper kan hij niet aan fraude, falsificaties en verzinselen meewerken. De Nederlandse Loodsencorporatie heeft hem niet als “ghostwriter” ingehuurd. Tussen partijen is wrijving ontstaan omdat [gedaagde] teksten terugkreeg, die tegen de afspraken in herschreven waren, terwijl die teksten reeds door de geïnterviewden waren geaccordeerd. Ook meningen van geïnterviewden zijn bijgesteld en er werden hen woorden in de mond gelegd. Dit is voor [gedaagde] niet acceptabel. Hij wenst zijn rug recht te houden voor het intact laten van zijn bronnen. Bovendien loopt hij het risico dat hij geen autorisatie meer verkrijgt van de geïnterviewden. [gedaagde] lijdt schade als gevolg van de beëindiging van de samenwerking, omdat het boek niet op het symposium van 25 september 2013 is gepresenteerd. Dit heeft een negatief effect op de verkoopcijfers. Het was immers de bedoeling van partijen dat het boek door [gedaagde] zou worden uitgegeven en dat er meer exemplaren zouden worden gedrukt dan de 2000 waarover partijen hebben gesproken. [gedaagde] verwijst hiervoor naar de gang van zaken bij vorige publicaties van zijn hand. Het exclusieve auteursrecht op het boek ligt bij [gedaagde], niet bij de Nederlandse Loodsencorporatie of bij de geïnterviewden. De interviews kennen immers het “persoonlijk stempel” van (de cultureel antropoloog) [gedaagde]. Het staat hem dan ook vrij om het boek alsnog uit te brengen. Hij heeft hierbij een groot belang omdat hij een half jaar aan het boek heeft gewerkt; hij heeft een wetenschappelijk relevant onderzoek gedaan. Het boek ligt in ruwe vorm klaar en het verdient het om te worden afgemaakt en uitgegeven. Op geen enkele wijze worden de geïnterviewden in hun belangen geraakt, indien het boek door [gedaagde] zou worden uitgegeven. Aan de geïnterviewden is nooit kenbaar gemaakt dat het boek alleen in een beperkte oplage zou worden verspreid. Tot slot bestrijdt [gedaagde] dat hem “interne” dossiers ter beschikking zijn gesteld, waarin niet openbare informatie is opgenomen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen, die in de kern door de Nederlandse Loodsencorporatie schriftelijk is bevestigd bij brief van 12 maart 2013 (zie 2.6). In die brief is opgenomen dat in wederzijds overleg de kosten voor het schrijven van het boek ter eren van ons 25 jarig bestaan, zijn vastgesteld op 18.000 euro (…). Uit de wederzijdse standpunten die partijen in dit geding hebben ingenomen, blijkt dat zij de overeenkomst op geheel verschillende wijze opvatten. Ter beantwoording van de vraag welke opvatting de juiste is, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de gemaakte afspraken en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2.

Uitgangspunt hierbij is dat het initiatief voor het boek lag bij de Nederlandse Loodsencorporatie en dat het boek moest verschijnen vanwege het 25-jarig jubileum van het Nederlands Loodswezen. Hiervoor wordt verwezen naar de e-mail van 15 februari 2013 van de Nederlandse Loodsencorporatie (zie 2.3), waarin is opgenomen: Wij zouden graag om dit jubileum te vieren een boek uit willen brengen over het verleden, heden en de toekomst van het Nederlands Loodswezen. Dat het een boek moest worden van en voor de Nederlandse Loodsencorporatie blijkt tevens uit de woorden ‘ons’ in dezelfde e-mail: Na het lezen van het boek ‘[titel]’, zouden wij het erg leuk vinden om in zo’n soort vorm ook ons boek uit te willen brengen. En: Onze vraag aan jullie is of jullie in de gelegenheid zijn om dit voor ons te doen.


4.3. Nadat tussen partijen een eerste gesprek heeft plaatsgevonden, heeft [gedaagde] opnieuw een bericht gestuurd naar de Nederlandse Loodsencorporatie (zie 2.5). Hieruit volgt dat hij bereid is de werkzaamheden voor de Nederlandse Loodsencorporatie op uurtarief te verrichten, dat de drukkosten van het boek voor rekening van de Nederlandse Loodsencorporatie komen en dat partijen (kennelijk) uitgingen van een oplage van 2000. Bovendien betitelt [gedaagde] het boek als Jullie nieuwe boek (…).

4.4.

Als vaststaand feit kan verder worden aangenomen dat de geïnterviewden en geportretteerden zijn uitgekozen door de Nederlandse Loodsencorporatie. De geïnterviewden hebben hun medewerking toegezegd op basis van de onder 2.7 en 2.8 geciteerde e-mails in eerste instantie aan de Nederlandse Loodsencorporatie door wie ze ook zijn benaderd. Hun medewerking zag derhalve op het uitbrengen in opdracht van de Nederlandse Loodsencorporatie van een boek ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum. Hun medewerking zag niet op een (willekeurig) door [gedaagde] uit te geven boek.

4.5.

Voorts heeft de Nederlandse Loodsencorporatie voldoende aannemelijk gemaakt dat gedurende het proces van schrijven [gedaagde] regelmatig om input van de Nederlandse Loodsencorporatie vroeg, dat van [gedaagde] zijn teksten tussentijds inleverde bij de Nederlandse Loodsencorporatie en vroeg om een reactie hierop. Verwezen wordt naar een e-mail van 24 mei 2013 van [gedaagde] (productie 7 van eisers) waarin onder meer is opgenomen: Bijgaand 1. De inhoudsopgave. de vraag is nog even, of jullie daar dingen in missen, of dingen willen schrappen. Er is zoveel en er wordt zoveel niet besproken, dus keuzes moeten gemaakt worden. Tevens wordt in dit verband verwezen naar een e-mail van 5 juni 2013 van [gedaagde] (eveneens productie 7 van eisers) waarin onder meer is opgenomen: Ik verwacht nog reactie op alle stukken voor dat ik het definitief kan maken graag jullie bijdrage, want jullie zitten op het kritische pad.

4.6.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] de tussen partijen gemaakte afspraken redelijkerwijs zo heeft moeten begrijpen dat het boek zou worden uitgegeven door en ten behoeve van de Nederlandse Loodsencorporatie (in het kader van het jubileum) en dat de Nederlandse Loodsencorporatie de uiteindelijke zeggenschap had over de in het boek op te nemen teksten (de eindredactie). Dat het [gedaagde] vrij zou staan het boek in een onbeperkte oplage en op commerciële wijze uit te geven valt in het geheel niet af te leiden uit de in het geding gebrachte stukken. Zo is nooit gesproken over een andere oplage dan 2000 en kwamen de drukkosten van het boek (ook volgens [gedaagde]) hoe dan ook voor rekening van de Nederlandse Loodsencorporatie. Verder is in het geheel niet komen vast te staan dat het boek een door een cultureel antropoloog geschreven wetenschappelijk werk moest zijn, zoals door [gedaagde] aangevoerd, waarvoor strenge regels zouden gelden over het intact laten van bronnen etc. Voldoende aannemelijk is dat hij heeft moeten begrijpen dat hij voor het boek is benaderd omdat de Nederlandse Loodsencorporatie een eerder boek van zijn hand kende en dat het boek moest dienen als jubileumboek en relatiegeschenk. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] benadrukt dat hem voor ogen stond dat de gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming van het boek, hetzelfde was of zou moeten zijn als met betrekking tot de totstandkoming van zijn eerdere boek “[titel]”. In dit verband heeft [gedaagde] aangevoerd dat zou zijn afgesproken dat de Nederlandse Loodsencorporatie een afnameplicht van 2000 exemplaren van het boek zou hebben en dat een veel hogere totaaloplage zou worden nagestreefd. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat [gedaagde] op grond van diverse omstandigheden niet had mogen aannemen dat de gang van zaken met betrekking tot de twee boeken hetzelfde zou zijn. Immers Ordina gold als sponsor/financier van het boek “[titel]” dat door [gedaagde] (althans door zijn eigen uitgeverij) is uitgegeven. De kosten van het boek zijn door [gedaagde], althans door zijn eigen uitgeverij gefinancierd. Dat [gedaagde] het onderhavige boek zou uitgeven, valt ook niet te rijmen met de inhoud van de brief van zijn raadsman van 31 juli 2013 (zie 2.11) waarin is opgenomen: Voornoemd geldbedrag (bedoeld is het bedrag van € 18.000,-, vzr.) ziet enkel op de kosten met betrekking tot het schrijven van het boek. Overige kosten met betrekking tot het boek vallen hier buiten en zijn voor rekening van Nederlands Loodswezen.Ordina had voorts geen enkele bemoeienis met de inhoud van het boek, terwijl vaststaat dat [gedaagde] zijn teksten bij de Nederlandse Loodsencorporatie inleverde en om een reactie vroeg. Op grond van de gesignaleerde verschillen kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] er in redelijkheid vanuit mocht gaan dat de gang van zaken bij het onderhavige boek dezelfde zou zijn als bij “[titel]”. Overigens blijkt uit de stukken op geen enkele wijze dat de Nederlandse Loodsencorporatie een afnameplicht van 2000 boeken had jegens [gedaagde].

4.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het de Nederlandse Loodsencorporatie vrijstond te beslissen het boek niet uit te geven. Als oorzaak hiervoor heeft zij aangegeven dat sprake was van wrijvingen met [gedaagde] en dat [gedaagde] zijn werk niet naar behoren verrichtte. Of dit laatste juist is, hoeft in dit kort geding niet te worden onderzocht omdat het afgesproken honorarium, ondanks de kritiek van de Nederlandse Loodsencorporatie op het functioneren van [gedaagde], aan [gedaagde] is betaald. Waar het in dit geding om gaat is dat het [gedaagde] niet vrij staat het boek wel uit te geven. Dat hij het boek zou mogen uitgeven, volgt niet uit de gemaakte afspraken. Ook als geoordeeld zou worden dat [gedaagde] het exclusieve auteursrecht op de teksten en de foto’s zou toekomen, geeft dit hem niet het recht het boek uit te geven. Een (exclusief) auteursrecht geeft immers niet het recht een werk te openbaren, als gemaakte afspraken hieraan in de weg staan. Derhalve hoeft in dit kort geding evenmin te worden onderzocht aan wie het auteursrecht toekomt. Dat de geïnterviewden, althans een aantal van hen, aanvankelijk de door [gedaagde] uitgewerkte interviews hebben geaccordeerd, kan evenmin iets aan de uitkomst van dit geding veranderen. Uit het feit dat zij thans tot de eisers in dit kort geding behoren, blijkt dat zij geen algemene toestemming hebben willen geven voor elke publicatie (in welke vorm dan ook).

4.8.

Dat het belang van [gedaagde] bij publicatie van het boek zwaarder zou wegen dan de belangen van de Nederlandse Loodsencorporatie en de andere eisers (de geïnterviewden) bij het niet publiceren van het boek, is evenmin relevant. Een belang schept immers nog geen recht.

4.9.

Op grond van het bovenstaande liggen de vorderingen van eisers voor toewijzing gereed. Omdat [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt (elk moment) over te willen gaan tot het “in eigen beheer” uitgeven van het boek, hebben eisers een spoedeisend belang bij toewijzing van de vorderingen. Toewijzing van de vorderingen betekent niet, zoals eisers wellicht menen, dat [gedaagde] in het geheel geen boek zou mogen schrijven over het Nederlands Loodswezen. De vrijheid van meningsuiting zou in de weg staan aan een dergelijk algemeen verbod. Het staat [gedaagde] vrij om een boek te schrijven op basis van openbare bronnen en andere informatie die hij buiten het kader van het onderhavige boek heeft verkregen of zal krijgen. De uit te spreken veroordeling ziet op grond van gemaakte afspraken op de interviews en op de foto’s. Voor wat de informatie uit de “interne” dossiers betreft, geldt voorshands dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat aan [gedaagde] interne dossiers ter beschikking zijn gesteld, die hij alleen ten behoeve van het boek mocht gebruiken, zodat ook de vordering die hierop ziet kan worden toegewezen. De “blote” ontkenning van [gedaagde] dat hem geen dossiers ter beschikking zijn gesteld, volstaat in dit verband niet. Een van de dossiers die volgens eisers aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld, is getiteld “pensioenproblematiek”. Dit dossier komt (onder dezelfde titel) voor op een door [gedaagde] samengestelde inhoudsopgave van het boek (zie productie 8 van eisers).

4.10.

Vordering d is niet toewijsbaar omdat niet is gebleken dat [gedaagde] (vergevorderde) contacten heeft met een uitgever en/of drukker. Eisers hebben dan ook geen (spoedeisend) belang bij toewijzing van deze vordering.

4.11.

De aan de veroordelingen te verbinden dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd als na te melden. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van de eisers.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt dat [gedaagde] de interviews (of gedeelten daarvan) van de geïnterviewden op geen enkele wijze mag verspreiden, openbaren of gebruiken, waaronder mede wordt begrepen het (door derden laten) gebruiken van de interviews ten behoeve van enige publicatie (in welke vorm dan ook) over het Loodswezen, op straffe van een dwangsom van € 20.000,-, te vermeerderen met een dwangsom van € 5.000,- voor elke publicatie waarmee of elke keer dat [gedaagde] dit bevel overtreedt, met een maximum van in totaal € 50.000,-,

5.2.

beveelt dat [gedaagde] de foto’s van de geportretteerden op geen enkele wijze mag verspreiden, openbaren of gebruiken, waaronder mede wordt begrepen het (door derden laten) gebruiken van de foto’s ten behoeve van enige publicatie (in welke vorm dan ook) over het Loodswezen, op straffe van een dwangsom van
€ 20.000,-, te vermeerderen met een dwangsom van € 5.000,- voor elke publicatie waarmee of elke keer dat [gedaagde] dit bevel overtreedt, met een maximum van in totaal € 50.000,-,


5.3. beveelt dat [gedaagde] de informatie uit de in paragraaf 23 van de dagvaarding genoemde dossiers, met uitzondering van die informatie die uit publieke bronnen bekend is, op geen enkele wijze mag verspreiden, openbaren of gebruiken, waaronder mede wordt begrepen het (door derden laten) gebruiken van deze dossiers ten behoeve van enige publicatie (in welke vorm dan ook) over het Loodswezen, op straffe van een dwangsom van € 20.000,-, te vermeerderen met een dwangsom van € 5.000,- voor elke publicatie waarmee of elke keer dat [gedaagde] dit bevel overtreedt, met een maximum van in totaal € 50.000,-,


5.4. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding gevallen aan de zijde van eisers, begroot op € 92,82 aan dagvaardingskosten, € 589,- aan griffierecht en
€ 816,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze bedragen, vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, tot aan de dag van voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2013.1

1 type: MV coll: