Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6933

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
C/13/507116 / HA ZA 11-2893
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht assurantietussenpersoon bij woonarkverzekering. Onvoldoende feiten gesteld ter onderbouwing van stelling dat zorgplicht is geschonden bij totstandkoming verzekeringsovereenkomst. Bewijsopdracht ter bewijs van stellingen dat zorgplicht na totstandkoming overeenkomst zou zijn geschonden. Verzekerde wordt te bewijzen opgedragen dat hij relevante wijzigingen heeft doorgegeven die ten onrechte door assurantietussenpersoon niet aan verzekeraar zijn doorgegeven. Daarnaast dient hij te bewijzen dat schade het gevolg is door tevens te bewijzen dat woonboot nog werd bewoond en daarmee derhalve nog onder verzekeringsdekking viel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/507116 / HA ZA 11-2893

Vonnis van 2 oktober 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ING genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 april 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 oktober 2012 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

Rond de periode oktober 2006 tot april 2007 is er contact geweest tussen ING en [eiser] inzake de totstandkoming van een hypothecaire geldlening ten behoeve van de aankoop door [eiser] van en verbouwwerkzaamheden aan het schip “[scheepsnaam]” (hierna: het schip).

2.2.

In het aanvraagformulier voor deze hypotheek is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

Onderpand gegevens

Soort onderpand 1 woonark/watervilla

[postcode]

[straat]

[woonplaats]

[land]

Gebruik onderpand? eigen bewoning

(…)

Offertevoorbehouden

(…)

Officiële vaste ligplaatsvergunning

Overleggen vergunningen ligplaats en permanente bewoning”

2.3.

Op 9 februari 2007 heeft ING [eiser] een offerte verstrekt voor een ING Bank Watervillahypotheek met een hypotheekbedrag van € 90.000,-. Deze offerte is door [eiser] op 23 februari 2007 geparafeerd en voor akkoord ondertekend en aan ING teruggestuurd. Voor zover hier relevant is in deze offerte opgenomen:

Voorbehouden

Benodigde informatie

(…)

Uw lening is maximaal gelijk aan 83,00% van de getaxeerde executiewaarde

- Taxatierapport van erkend taxateur met daarin opgenomen de vrije verkoop- en executiewaarde voor en na de verbouwing

WA-Cascoverzekering

- Polis WA-Cascoverzekering of dekkingsbewijs

Officiële vaste ligplaatsvergunning

- Overleggen ligplaatsvergunning

(…)”

2.4.

In het kader van de aan ING te verstrekken informatie voor verkrijging van de hypotheek heeft [eiser] in de daarop volgende periode relevante informatie aan ING verstrekt, waaronder een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie en correspondentie met het [adres] en een afschrift van de huurovereenkomst voor de ligplaats op dit adres.

2.5.

Ook ten behoeve van verkrijging van de hypotheek is door [taxateur] (hierna: de taxateur) van [jachtmakelaardij] een taxatierapport opgesteld van het schip. Deze heeft op 17 oktober 2006 een eerste rapport uitgebracht. Voor zover van belang luidt dit als volgt:

“Heden (…) heeft ondergetekende [taxateur] op verzoek van geadresseerde [[eiser], rechtbank] getaxeerd het stalen zeeschip genaamd [scheepsnaam] (…), deels al ingericht voor permanente bewoning (…).

Het betreft een voormalig [vaartuig], geschikt voor de vaart ter zee, van buiten gelijkend op een zeesleper. (…)

Conclusie

Een schip wat duidelijk tot kort geleden beroepsmatig heeft gevaren, aan dek enig achterstallig onderhoud, mooie techniek en apparatuur.

Ingeschatte levensduur: bij normaal onderhoud 30 tot 50 jaar. (…)

Ondergetekende schat de waarde van het hiervoor omschreven schip (…) op € 120.000,-- (…) btw 0% tarief, zeeschip is vrijgesteld.

Executiewaarde (…) -/- 10%.

Geadresseerde krijgt de beschikking over een officële, overdraagbare, huurwoonligplaats in de woonschepenhaven [naam jachthaven] (…).”

Bij het rapport zijn gevoegd een bijlage met aanvullende technische specificaties, een fotobijlage en een ingevuld ING-formulier “Taxatieverslag pleziervaartuigen”. Op 24 maart 2007 heeft de taxateur nog een aanvullend rapport geschreven. Op 28 maart 2007 heeft de taxateur het opnieuw uitgewerkte rapport aan ING doen toekomen. Dit rapport bevat naast de informatie uit het eerdere rapport op de bijlage de informatie dat het schip in huidige staat geschikt is voor permanente bewoning, alsmede dat het schip voldoet aan de eisen van de Nederlandse Assuradeuren voor dit soort schepen, in de functie van (varend) woonschip.

2.6.

Het overzicht van de bouwwerkzaamheden dat [eiser] ING moest verstrekken ten behoeve van de verkrijging van de hypotheek meldt onder meer nieuwe schuifdeuren en kozijnen voor de stuurhut (huiskamer), verwijdering van onbruikbare zaken op het dek, vernieuwen van toilet en pomp, maken van was-droogruimte, veel diversen en badkamer maken.

2.7.

Voorwaarde voor het verkrijgen van een hypotheek was voorts dat het schip WA-Casco verzekerd zou worden. Door de bemiddeling van ING als assurantietussenpersoon heeft [eiser] op 19 maart 2007 (een offerte voor) de Woonschepenverzekering van [verzekeringsmaatschappij 1] aangevraagd. Op het door hem ingevulde en op 17 maart 2007 ondertekende aanvraagformulier is bij de vraag “Gebruik/bewoning” aangekruist “permanente bewoning door aanvrager”. Bij de vraag “Is er sprake van een vaste ligplaats” is aangekruist “ja, op adres aanvrager zoals hierboven vermeld”.

2.8.

[eiser] heeft op 27 maart 2007 een offerte verkregen (voor zover te zien op de overgelegde productie voor een cascoverzekering) van [verzekeringsmaatschappij 2] (hierna: [verzekeringsmaatschappij 2]). In deze offerte staat als informatie vermeld: “Het schip zal als woonboot en recreatievaartuig gebruikt worden”. Als makelaar op deze offerte staat vermeld [jachtmakelaar 2]

2.9.

Uiteindelijk is de vereiste WA-Cascoverzekering (hierna aan te duiden als: de verzekering) via de bemiddeling van ING afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij 1] met als ingangsdatum 1 april 2007. Op het polisblad staat als soort verzekering vermeld “Woonschepen”. Als ligplaats staat het [adres] vermeld. Daarnaast is vermeld dat dekking is volgens de polisvoorwaarden.

2.10.

Artikel 4.3 van de polisvoorwaarden bepaalt, voor zover relevant, dat de verzekering geen dekking biedt voor gevolgen van gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan gedurende de tijd dat het woonschip zich bevindt op een andere locatie dan de op de polis vermelde ligplaats. Artikel 4.5 van de polisvoorwaarden bepaalt, voor zover relevant, dat beperkte dekking bestaat tijdens aanbouw of verbouw van het woonschip. Artikel 4.6 beperkt de dekking na dertig dagen leegstand of bewoning door onbevoegden en doet het recht op dekking in een dergelijk geval in beginsel vervallen na zestig dagen.

2.11.

Blijkens de hypothecaire akte van 27 april 2007 heeft [eiser] op het schip ten behoeve van ING een recht van hypotheek verleend ter zekerstelling van een geldlening van op dat moment € 90.000,--. Op dezelfde datum is een akte van depot gepasseerd. In de akte van depot is bepaald dat recht van hypotheek is verleend op de woonark “[scheepsnaam]”, welk onderpand diende te worden gebouwd/afgebouwd/verbouwd/verbeterd, in verband waarmee van het ter leen verstrekte bedrag een gedeelte van € 9.100,-- aan [eiser] was verstrekt op een depotrekening.

2.12.

Op de verstrekte hypotheek zijn als algemene voorwaarden van toepassing de Algemene bepalingen van geldlening. Artikel 10, lid 2, van deze voorwaarden luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“De lening is terstond opeisbaar indien:

a. de lening niet op de overeengekomen datum of binnen de door de bank gestelde termijn wordt betaald (…);

g. (…) het onderpand wordt beschadigd, tenietgaat, wordt gesloopt, of naar het oordeel van de bank ernstige gebreken vertoont, het onderpand leegstaat, niet wordt gebruikt (…).”

2.13.

Van de onder 2.11 genoemde depotrekening heeft [eiser] diverse malen bedragen opgenomen ten behoeve van verbouwwerkzaamheden aan het schip. Omstreeks november 2007 heeft [eiser] een aanvullend bouwdepot verkregen van ING voor nog eens € 25.000,--. Dit bedrag vormde een uitbreiding op de bestaande hypotheek en werd verstrekt onder dezelfde voorwaarden als die hypotheek. Ook uit dit depot heeft [eiser] bedragen opgenomen ten behoeve van werkzaamheden aan het schip. Op 31 december 2008 is uit dit aanvullende depot een bedrag uitgekeerd van € 20.050,12. Het resterende bedrag uit dit depot is opgenomen op uiterlijk 31 december 2009.

2.14.

In september 2008 heeft [eiser] met de medewerkster van ING, [naam 1] (hierna: [naam 1]), besproken dat hij plannen had het schip ook commercieel te exploiteren, bijvoorbeeld door het uitvoeren van chartertochten met het schip. [naam 1] heeft hem toen medegedeeld dat uitbreiding van de bestaande hypotheek in dat kader niet mogelijk was omdat het een zogenaamde Watervillahypotheek betrof waarvoor vereist was dat het schip gebruikt werd voor permanente bewoning en een vaste ligplaats had. Bovendien genoot [eiser] voor de bestaande hypothecaire lening hypotheekrenteaftrek, wat niet mogelijk zou zijn voor een lening met commerciële doeleinden. [naam 1] heeft [eiser] verteld dat hij daarvoor een zakelijk krediet kon aanvragen en welke voorwaarden daarbij zouden gelden. Een dergelijk zakelijk krediet heeft [eiser] niet aangevraagd.

2.15.

Bij brief van 12 mei 2009 heeft ING aan [verzekeringsmaatschappij 1] – voor zover van belang – het volgende bericht:

“Betreft: adres- en/of naamswijziging

(…)

Het correspondentie-adres van de verzekeringnemer en/of de tenaamstelling is gewijzigd; wilt u dit in uw administratie aantekenen?

(…)

Naam en adres: [eiser]

[adres]

In de periode daarna is post van ING en [verzekeringsmaatschappij 1] aan [eiser] verschillende malen gezonden naar andere adressen dan dit opgegeven adres. [eiser] en zijn echtgenote hebben hierover contact gehad met medewerkers van ING en [verzekeringsmaatschappij 1].

2.16.

In ieder geval vanaf mei 2009 heeft het schip niet meer op haar ligplaats met [adres] gelegen, maar op de werf van [reparatiebedrijf] (hierna: [reparatiebedrijf]) aan[adres]. Aldaar hebben medewerkers van [reparatiebedrijf] en [eiser] werkzaamheden verricht aan het schip.

2.17.

Op vrijdag 17 december 2010 is het schip op het adres van [reparatiebedrijf] gezonken (hierna ook aan te duiden als: het evenement). In eerste instantie heeft [verzekeringsmaatschappij 1] de berging en de afwikkeling van de schade ter hand genomen. In dit kader is een schade-expert op 20 december 2010 ter plaatse geweest. Kort daarna heeft [verzekeringsmaatschappij 1] [eiser] laten weten dat zij zich op het standpunt stelde dat geen dekking bestond op grond van de polisvoorwaarden 4.3, 4.5 en 4.6. Tussen [eiser] en [verzekeringsmaatschappij 1] heeft hieromtrent correspondentie plaatsgevonden.

2.18.

Naar aanleiding van het evenement hebben [schade-expert] (hierna: [schade-expert]), schade-expert van [verzekeringsmaatschappij 1], en namens [eiser] [schade-expert] (hierna: [schade-expert]) in december 2010 (voorlopige) expertiserapporten opgesteld.

2.19.

In het rapport van[schade-expert] d.d. 21 december 2010 staat, voor zover relevant, te lezen:

“Bij de 2 schadebesprekingen vernamen wij in aanwezigheid van [schade-expert] en [naam 2] [de berger, rechtbank] omtrent de toedracht van [eiser] het navolgende:

(…)

Medio 2009 is de sleepboot voor verbouwingswerkzaamheden verhaald naar het [reparatiebedrijf], een ligplaats op ca. 150 m. van de vorige ligplaats.

Aldaar hebben verbouwingswerkzaamheden plaatsgevonden, uitgevoerd zowel in eigen beheer als door werknemers van [reparatiebedrijf] en in die tijd zijn er tot 4 x toe van het bouwdepot bedragen van ca. EURO 2.500,00 bij de ING geïncasseerd.

Er werd regelmatig aan boord overnacht en op 15 december 2010 is de zoon van [eiser] voor het laatst aan boord geweest waarbij alles in orde werd aangetroffen.”

2.20.

In het rapport van [schade-expert] d.d. 20 december 2010 staat, voor zover relevant, te lezen:

“Tevens bezochten wij [eiser] op haar huisadres. [eiser] verklaarde aan ons in het bijzijn van[schade-expert] en [naam 2] dat er een verbouwing op het schip plaats vind. Het schip is van binnen geheel gedemonteerd en het schip wordt verbouwd.[eiser] is sinds begin oktober 2010 voor werkzaamheden naar [land] en verblijft daar nog. Het schip ligt sinds medio 2009 voor de wal van [reparatiebedrijf] en wordt niet bewoond. Het vaste woonadres van verzekerde is in de van [adres].”

2.21.

Op 7 januari 2011 heeft [schade-expert] een nader expertiserapport uitgebracht. Voor zover relevant is hierin vermeld:

Interieur

Wij hebben een taxatierapport van het schip ontvangen waarin gesproken wordt van een inrichting v.v.n.a. (van voor naar achter ): Salon met ronde banken tafels. BB naar achter bar, deur naar corridor: Kombuisruimte met betegelde vloer, RvS aanrechtblad met spoelbak, kleien koelkast, wasmachine en droger. BB achterzijde corridor met kleine wastafel etc. Stuurhut 2 buitendeuren lessenaar over de gehele breedte, 2 x stuurstoel, SB: L-bank en aansluitend L-vormig bureau (…). Wij constateren dat deze inrichting geheel verwijderd is.

(…)

Bewoning

Met betrekking tot de bewoning van het schip zijn wij van mening dat er geen bewoning mogelijk is gezien de staat waarin het schip verkeerd. (…)

Met betrekking tot het verzekerde object zijn wij van mening dat verzekerde bezig is het schip te verbouwen. Het bestaande interieur is in zijn geheel uit het gehele schip verwijderd. (…).”

2.22.

Bij brief van 27 december 2010 heeft [eiser] ING aansprakelijk gesteld voor de schade wegens haar betrokkenheid bij de totstandkoming van de verzekering. ING heeft deze aansprakelijkheid afgewezen bij brief van 29 december 2010.

2.23.

Bij brief van 19 juli 2011 heeft ING [eiser], voor zover relevant, het volgende bericht inzake zijn hypothecaire geldlening:

“(…) Omdat de boot in dusdanig slechte conditie verkeerd en waarschijnlijk zal moeten worden verwijderd, is ons onderpand met totaalschade van €. 0,00 waarde.

Als gevolg hiervan is/zijn, conform artikel 10 van ons Reglement (…) de geldlening(en) dadelijk opeisbaar geworden, tot welke opeising wij bij deze overgaan.

U wordt alsnog in de gelegenheid gesteld onze totale vordering(en) bedragende €. 114.346,12 (…) binnen 8 dagen (…) over te maken (…).”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat ING jegens [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van haar opdracht en gehouden is de dientengevolge geleden schade te vergoeden. Daarnaast vordert hij veroordeling van ING in de buitengerechtelijk gemaakte kosten, waaronder expertisekosten, alsmede in de kosten van deze procedure.

3.2.

ING voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

ING vordert  samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 114.436,12, vermeerderd met rente en kosten.

3.5.

[eiser] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De door [eiser] gestelde toerekenbare tekortkoming bestaat er volgens zijn stellingen uit dat ING niet de zorg heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Volgens [eiser] valt ING daarin de volgende verwijten te maken: 1) ING had [eiser] niet een verzekering mogen aanbieden en deze vervolgens laten afsluiten ten behoeve van een reguliere woonboot. [eiser] had niet de intentie het schip alleen als woonboot te gebruiken, waarvan ING op de hoogte was; 2) ING had [eiser] op de hoogte moeten stellen van de gevolgen die de verplaatsing en de verbouw van het schip hadden voor zijn dekking onder de verzekering; 3) ING had [verzekeringsmaatschappij 1] op de hoogte moeten stellen van de verplaatsing en verbouwing van het schip; 4) ING had erop moeten toezien dat [eiser] ook na verplaatsing en tijdens verbouwing van het schip afdoende dekking zou hebben onder de verzekering. De rechtbank zal hieronder op deze verwijten ingaan.

de zorgplicht van ING bij de advisering en totstandkoming van de verzekering

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld om te kunnen oordelen dat ING bij de advisering en totstandkoming van de verzekering onvoldoende zorg als assurantietussenpersoon heeft betracht. Daartoe is als volgt overwogen.

4.3.

Ter comparitie heeft [eiser] erkend dat het mogelijk is dat hij ING in de persoon van [naam 1] pas in september 2008 op de hoogte heeft gesteld van zijn commerciële plannen met het schip. De rechtbank leidt hieruit af dat het standpunt van [eiser] zich ertoe beperkt dat hij stelt dat ING op basis van de (enkele) omstandigheid dat met het woonschip gevaren kon worden tot een andere verzekering had dienen te adviseren. Nog los van het feit dat [eiser] niet heeft gesteld welke andere verzekering dit dan had moeten zijn, deelt de rechtbank dit standpunt ook op grond van de volgende overwegingen niet.

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat [eiser] met zoveel woorden ING heeft verteld van plannen om met het schip te varen. Uit zijn bij dagvaarding ingenomen stellingen blijkt niet meer dan dat hij meent dat ING uit het taxatierapport en uit de voorgenomen werkzaamheden had kunnen afleiden dat met het schip gevaren kon worden. De vraag dient zich dan aan of de zorgplicht van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon zich zover uitstrekt dat het op zijn weg zou liggen bij een indicatie van wat een schip nog meer kan dan dienen als woonboot zou moeten doorvragen. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daarbij is mede relevant dat ING tot haar verweer heeft aangevoerd dat zij erop heeft mogen vertrouwen dat het schip als woonboot voor permanente bewoning zou worden gebruikt. Zo heeft zij erop gewezen dat de verzekering tot stand is gekomen als onderdeel van de vereisten waaraan voldaan moest zijn ter vestiging van de hypotheek. Dit betrof een zogenaamde “Watervillahypotheek” waarvan een vereiste was dat het schip als woonschip permanent bewoond zou worden. Op geen van de door ING overgelegde papieren met betrekking tot de totstandkoming van zowel de hypotheek als de verzekering is door [eiser] melding gemaakt van enige andere bestemming dan wonen, terwijl door hem wel meerdere malen is ingevuld dat sprake zou zijn van een vaste ligplaats en permanente bewoning. De hypotheekrente zou door hem ook afgetrokken worden volgens de belastingregels omtrent aftrek voor woningen. Tot slot zagen de aangekondigde werkzaamheden (zie hiervoor onder 2.6) alle op woonvoorzieningen op het schip of waren deze daarmee in ieder geval niet onverenigbaar. [eiser] heeft dit alles niet betwist. Tot slot heeft [eiser] niet met zoveel woorden gesteld dat ING bekend was met de offerte van [verzekeringsmaatschappij 2], aangevraagd door een andere tussenpersoon, en heeft ING gesteld deze niet eerder dan bij dagvaarding te hebben gezien. Ook daaruit kon ING derhalve niet bekend zijn met een ander doel van het schip dan wonen. Onder deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat het op de weg van ING lag als redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon [eiser] te bevragen omtrent andere plannen die hij misschien ook had met het schip op grond van de enkele omstandigheid dat met het schip ook gevaren kon worden.

4.5.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die, ook indien bewezen, tot het oordeel zouden leiden dat ING tekort is geschoten in wat van haar bij de advisering omtrent en de totstandkoming van de verzekering verwacht mocht worden.

de zorgplicht van ING na totstandkoming van de verzekering

4.6.

De rechtbank neemt, met partijen, tot uitgangspunt dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon voorts verwacht mag worden dat deze waakt voor de belangen van de verzekeringnemer gedurende de looptijd van de verzekering. De onder 4.1 genoemde verwijten 2, 3 en 4 van [eiser] zien op dit onderdeel van de zorgplicht.

4.7.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 4.3 en 4.5 van de polisvoorwaarden was de omstandigheid dat het schip in ieder geval sinds medio 2009 niet op de vaste ligplaats lag maar op een werf ter verbouwing, voor de reikwijdte van de dekking onder de verzekering buitengewoon relevant. [eiser] heeft ter comparitie gesteld dat zij in ieder geval op 15 oktober 2010 aan ene[naam 3] van ING heeft doorgegeven dat de ligplaats van het schip gewijzigd was en dat er verbouwingswerkzaamheden werden uitgevoerd.

Indien komt vast te staan dat ING, zoals [eiser] stelt maar ING betwist, van deze omstandigheden op de hoogte is gebracht, is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat van ING als redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon verwacht had mogen worden dat zij dit aan [verzekeringsmaatschappij 1] zou hebben doorgegeven. Daarnaast had van ING in dat geval verwacht mogen worden dat zij [eiser] nader had geadviseerd omtrent de gevolgen voor de dekking en eventuele mogelijkheden ter afdekking van dat risico, zoals door [eiser] gesteld en door ING niet betwist.

4.8.

ING heeft wel gemotiveerd betwist dat [eiser] haar van zowel de wijziging van ligplaats als van de (reikwijdte van de) verbouwing op de hoogte heeft gesteld. Nu [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van deze door hem ingenomen stellingen, is het aan hem om deze te bewijzen. Gelet op de wederzijdse stellingen van partijen zal hem worden opgedragen te bewijzen dat hij voor het evenement aan ING heeft doorgegeven dat het schip op het adres van [reparatiebedrijf] lag voor een verbouwing. Tot op heden is niet meer komen vast te staan dan dat [eiser] rond mei 2009 een wijziging van correspondentieadres heeft doorgegeven aan ING. Dit betrof echter een ander adres dan de nieuwe ligplaats van het schip.

4.9.

Indien [eiser] zal slagen in het leveren van het genoemde bewijs zal komen vast te staan dat ING toerekenbaar tekort is geschoten in haar opdracht. Of dit kan leiden tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] hangt echter nog af van het slagen van de overige verweren van ING.

Causaal verband?

4.10.

Indien komt vast te staan dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van ING, is één van de overige verweren van ING het ontbreken van causaal verband tussen een eventuele toerekenbare tekortkoming en het ontstaan van schade als gevolg daarvan. In dit kader verdient als eerste bespreking het verweer van ING dat [verzekeringsmaatschappij 1] ook dekking zou hebben geweigerd indien deze wel op de hoogte zou zijn gebracht van de wijziging van de ligplaats, gelet op de beperkte dekking bij beperkte bewoning (artikel 4.6 van de polisvoorwaarden).

4.11.

ING wijst op een aantal feiten en omstandigheden die erop lijken te duiden dat geen sprake meer was van bewoning. Zij leidt dit af uit de wijziging in het correspondentieadres die is doorgegeven, de door de schade-expert van [verzekeringsmaatschappij 1] opgenomen verklaring van [eiser] dat het schip niet meer werd bewoond sinds het vanaf medio 2009 op de werf lag, de omstandigheid dat [eiser] onbetwist sinds oktober 2010 op [land] verbleef en uit de bevindingen van de schade-expert dat het schip ten tijde van het zinken door het volledig strippen van het interieur niet meer voor bewoning geschikt was.

4.12.

Indien geen sprake meer was van bewoning, zou [verzekeringsmaatschappij 1] dekking hebben kunnen weigeren op grond van artikel 4.6 van de polisvoorwaarden. [eiser] stelt echter gemotiveerd dat aan de voorwaarde van bewoning nog altijd werd voldaan ten tijde van het zinken van het schip op 17 december 2010. Hij voert daartoe aan dat zijn echtgenote en zoon veel op het schip overnachtten en dat de koelkast ten tijde van het evenement nog vol was. Deze stelling impliceert dat een eventuele weigering van dekking ten gevolge van het niet voldoen aan het vereiste van bewoning niet het gevolg zou zijn van een eventuele tekortkoming van ING, maar van een eventuele verkeerde vaststelling van de feiten door [verzekeringsmaatschappij 1].

4.13.

De rechtbank overweegt dat voor het slagen van de vordering van [eiser] niet alleen moet komen vast te staan dat ING toerekenbaar tekort is geschoten, maar ook dat [eiser] als gevolg daarvan schade heeft geleden. Derhalve is het in beginsel aan hem de feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, ter onderbouwing van het causaal verband tussen de tekortkoming en de schade. [eiser] zal dan ook worden opgedragen het bewijs te leveren van zijn stelling dat het schip op 17 december 2010 nog werd bewoond.

conclusie

4.14.

Indien [eiser] er niet in slaagt zowel te bewijzen dat hij aan ING heeft doorgegeven dat het schip vanaf medio 2009 op het adres van [reparatiebedrijf] lag voor een verbouwing als dat het schip op 17 december 2010 nog bewoond werd, zal zijn vordering worden afgewezen. Indien hij wel zal slagen in dit bewijs, zullen de overige verweren van ING alsnog beoordeeld moeten worden. Dit betreft allereerst het verweer dat causaal verband eveneens ontbreekt omdat [eiser] niet heeft aangetoond dat enige andere verzekering dekking zou hebben geboden onder de omstandigheden waarin het schip zich bevond ten tijde van het evenement. Daarnaast heeft ING nog tot haar verweer aangevoerd dat de schade onvoldoende is onderbouwd en in ieder geval veel gelet op het taxatierapport lager was dan door [eiser] gesteld. Voorts heeft zij een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser] en op voordeelstoerekening. Nu enerzijds uit de bewijslevering mogelijk nadere relevante feiten en omstandigheden zullen blijken omtrent deze verweren en anderzijds hieromtrent mogelijk nader deskundigenbericht nodig zal zijn, ziet de rechtbank uit proceseconomische overwegingen aanleiding de beslissing omtrent deze verweren aan te houden tot na bewijslevering.

4.15.

Voor zover [eiser] het hem opgedragen bewijs (mede) wenst te leveren door het horen van meerdere getuigen, moet er bij het oproepen van de getuigen rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

in reconventie

4.16.

ING vordert in reconventie de vordering die zij heeft uit hypothecaire geldlening ineens op. Daaraan legt zij de op de hypotheek van toepassing zijnde algemene voorwaarden artikel 10, lid 2, sub a en sub g, van de Algemene bepalingen van geldlening (zie hiervoor onder 2.12) ten grondslag.

4.17.

[eiser] voert hiertegen als verweer aan dat het opeisen van deze geldlening in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid. Daaraan legt zij veel van hetgeen in conventie is gesteld ten grondslag. De rechtbank zal daarom de beslissing in reconventie aanhouden in afwachting van hetgeen in conventie uiteindelijk zal komen vast te staan.

in conventie en in reconventie

4.18.

De rechter ten overstaan van wie de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden heeft dit vonnis om organisatorische redenen niet kunnen wijzen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt [eiser] op te bewijzen:

  • -

    dat hij voor het evenement aan ING heeft doorgegeven dat het schip op het adres van [reparatiebedrijf] lag voor een verbouwing, en

  • -

    dat het schip op 17 december 2010 nog werd bewoond,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2013 tot en met januari 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. C.H. Rombouts in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.8.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2013.1FORMULIER DATUMBEPALING

[.]

[.]

[.]

1 type: CHR coll: