Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6785

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
C-13-527369 - HA ZA 12-1211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden-geschil over peildatum en te verrekenen vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/527369 / HA ZA 12-1211

Vonnis van 10 juli 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

hierna mede [eiseres],

advocaat mr. M.R. Debi te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

hierna mede [gedaagde],

advocaat mr. D. Hofstee-Heijbroek te Tiel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 september 2012 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 3 april 2013 gehouden comparitie met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde] met één productie ;

  • -

    de akte houdende indiening nadere stukken en reactie op het proces-verbaal van de zijde van [eiseres] met producties;

  • -

    de brief van 6 mei 2013 van de zijde van [gedaagde];

  • -

    de brief van de zijde van [eiseres] van 8 mei 2013;

  • -

    de akte van antwoord van de zijde van [eiseres].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaats]. Het huwelijk is ontbonden op [datum] door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te [plaats] van [datum].

2.2.

Partijen zijn op[datum], voorafgaand aan de huwelijkssluiting, huwelijkse voorwaarden overeengekomen. De huwelijkse voorwaarden houden, voor zover van belang, het volgende in:

“(…)

Artikel 1.

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Kosten huishouding

Artikel 5.

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen (…) worden voldaan uit de netto-inkomens der echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voorzover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders netto-vermogen naar evenredigheid daarvan.

2. Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

Onder netto-vermogen wordt verstaan het vermogen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op vermogen.

(…)

Artikel 6.

1. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.

2. Het recht het aldus teveel bijgedragene terug te vorderen vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen één jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar heeft plaats gehad of schriftelijk gevorderd is.

Levensverzekeringen

Artikel 7.

Premies en koopsommen van levensverzekeringen (…) blijven ten laste van diegene der echtgenoten, die de verzekeringsovereenkomst heeft gesloten.

Verrekening van inkomsten

Artikel 8.

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen gecompenseerd tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.

(…)

Artikel 11.

Geen verrekening heeft plaats:

a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat (…)”

2.3.

Aan de akte van huwelijkse voorwaarden is een staat van aanbrengsten gehecht. Hierin staat, voor zover van belang:

“Staat van aanbrengsten ten huwelijk van [gedaagde] en [eiseres] (…)

A.[gedaagde] :

- onderneming, uitgeoefend onder de naam “[bedrijf a]” (…) waarvan de aangechte balans laatstelijk is opgemaakt per 31 december 1990. (…)”

2.4.

Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodiek verrekenbeding.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. primair de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, met vaststelling van de peildatum voor de omvang en de verrekenplicht tussen partijen, vast te stellen overeenkomstig de stellingen van [eiseres] en [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis een bedrag van € 900.000,00 aan [eiseres] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

  2. subsidiair de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden met vaststelling van de peildatum voor de omvang en de verrekenplicht tussen partijen, naar billijkheid vast te stellen, alsmede met vaststelling van het bedrag zoals door [gedaagde] aan [eiseres] op basis van de akte huwelijkse voorwaarden verschuldigd, en hierbij te bepalen dat [gedaagde] gehouden is dit bedrag binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis te voldoen aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

  3. primair en subsidiair [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen onder 1. en 3. [gedaagde] voert geen verweer tegen de vordering onder 2., met dien verstande dat het deel van de vordering dat ziet op betaling binnen 14 dagen na betekening van het vonnis dient te worden afgewezen.

3.3.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat beide partijen voor ogen hebben om tot een afwikkeling te komen van de huwelijkse voorwaarden. Het geschil van partijen ziet op de peildatum waarvan bij de verrekening van het te verrekenen vermogen moet worden uitgegaan alsmede op de omvang en de samenstelling van het te verrekenen vermogen. De rechtbank zal eerst treden in de beoordeling van deze punten.

De peildatum

4.2.

[eiseres] stelt dat als peildatum heeft te gelden de datum van indiening van het (gezamenlijk) verzoekschrift tot echtscheiding op [datum]. Partijen zijn eind [datum] feitelijk uit elkaar gegaan. Voordien woonden partijen samen en voerden zij een gezamenlijke huishouding, ook op financieel gebied. Voor de indiening van het verzoekschrift heeft [gedaagde] weliswaar een andere woning gehuurd aan het [adres], echter hierin heeft hij feitelijk niet gewoond. [gedaagde] verbleef hier enkel gedurende de weekenden. In 2011 heeft er, nadat [gedaagde] sedert 2010 in de weekenden in de door hem gehuurde woning verbleef, een verzoening van partijen plaatsgehad, aldus steeds [eiseres].

4.3.

Volgens [gedaagde] dient, gelet op artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden, verrekening van het te verrekenen vermogen plaats te hebben tot augustus 2009, sedert welk moment partijen niet meer samenwonen. Partijen zijn in de zomer van 2009 definitief uit elkaar gegaan en vanaf [datum] huurt [gedaagde] een woning aan de[adres]. [gedaagde] verwijst naar de door hem ingediende huurovereenkomst te dien aanzien. Vanaf augustus 2009 hebben partijen niet meer samengeleefd, noch hebben zij zich op enig moment verzoend. [gedaagde] verbleef onafgebroken in de door hem gehuurde woning en niet alleen gedurende het weekend. Partijen, aldus nog steeds [gedaagde], hebben geen overleg gepleegd over het vertrek van [gedaagde] uit de gezamenlijke woning; [gedaagde] heeft destijds, zo hij zich meent te herinneren, aan [eiseres] meegedeeld dat hij zou gaan verhuizen.

4.4.

De rechtbank overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:142 lid 1 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) als tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding geldt. Hiervan kan bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken. Partijen zijn in artikel 11 aanhef en onder a van de huwelijkse voorwaarden een van artikel 1:142 lid 2 aanhef en onder b BW afwijkende bepaling overeengekomen met betrekking tot de periode waarop geen verrekening tussen partijen plaatsheeft. [gedaagde] beroept zich onder verwijzing naar de huwelijkse voorwaarden op het rechtsgevolg, te weten dat geen verrekening plaatsheeft over de periode gelegen tussen augustus 2009 en de datum van indiening van het verzoekschrift, van de door hem gestelde feiten en omstandigheden. Aldus rusten op [gedaagde] de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van zijn stelling dat partijen sedert augustus 2009 anders dan in onderling overleg niet meer samenleven. Met hetgeen onder 4.3. is weergegeven heeft [gedaagde] voldaan aan de stelplicht. [eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat de samenleving van partijen in augustus 2009, althans voor januari 2012 ten einde is gekomen. [gedaagde] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling. Overeenkomstig dit bewijsaanbod zal [gedaagde] worden opgedragen te bewijzen dat de samenleving van partijen, anders dan in onderling overleg, ten einde is gekomen in augustus 2009.

4.5.

Indien [gedaagde] slaagt in het bewijs van zijn stelling, zal als moment waarop geen verrekening van het vermogen meer plaats zal hebben augustus 2009 bepaald worden. In het geval dat [gedaagde] hierin niet slaagt, heeft als peildatum te gelden [datum], zijnde het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding.

Samenstelling van het te verrekenen vermogen

Saldi rekeningen

4.6.

Partijen zijn het erover eens dat de saldi van de rekeningen van partijen per peildatum deel uitmaken van het te verrekenen vermogen. Dit betreft in ieder geval de volgende rekeningen:

  1. rekening[Bank a] [rekeningnummer 1]

  2. rekening [Bank a] [rekeningnummer 2]

  3. spaarrekening [Bank a] [rekeningnummer 3]

  4. spaarrekening[Bank a] [rekeningnummer 4]

  5. rekening [Bank b] [rekeningnummer 5]

  6. rekening [bank c] [rekeningnummer 6]

4.7.

Tussen partijen staat vast dat het saldo van de [bank c] [rekeningnummer 7] ten name van [eiseres] niet in de verrekening betrokken dient te worden ingeval deze is gevoed met enkel door [gedaagde] gedane alimentatiebetalingen. Onbetwist is gesteld dat [eiseres] vanaf maart 2012 beschikt over deze rekening. Uit het door [eiseres] overgelegde rekeningafschrift van 15 maart 2012 kan worden afgeleid dat de rekening sedert 1 maart 2012 enkel is gevoed met de alimentatiebetalingen door [gedaagde], zodat niet aannemelijk is dat enig (start)saldo nog verrekend dient te worden. Evenmin heeft verrekening van het saldo in augustus 2009, de peildatum die [gedaagde] voorstaat, plaats, aangezien de rekening op dat moment nog niet bestond.

4.8.

Ten aanzien van de [Bank b] [rekeningnummer 8] overweegt de rechtbank dat [eiseres] stelt dat het saldo hiervan niet behoeft te worden verrekend. Hiertegenover voert [gedaagde] aan dat [eiseres] wel beschikt over deze rekening alsmede dat hij hierop vóór 2012 gelden heeft overgemaakt. Uit de door [eiseres] ingediende afschriften betrekking hebbende op de maanden januari, februari en maart 2012 blijkt dat het saldo nagenoeg nihil was op [datum], zodat aannemelijk is dat er geen te verrekenen saldo is per die datum. [gedaagde] heeft op zijn beurt niet voornoemde afschriften weersproken. Dit brengt met zich dat het saldo van de rekening geen deel uitmaakt van het te verrekenen vermogen indien de peildatum op[datum] wordt bepaald. Ingeval als peildatum augustus 2010 heeft te gelden, zullen te dien aanzien nog relevante stukken ingediend moeten worden ter bepaling van het in de verrekening te betrekken saldo op dat moment.

4.9.

De rechtbank overweegt verder dat, voor zover partijen betogen dat in de verrekening saldi van andere dan vorengenoemde rekeningen ten name van de andere partij moeten worden betrokken, zij hiertoe onvoldoende gesteld hebben, zodat die betogen niet worden gevolgd.

4.10.

Iedere verdere beslissing zal, mede in afwachting van de beslissing omtrent de peildatum, worden aangehouden. Partijen zullen in een later stadium in de procedure in de gelegenheid worden gesteld nadere stukken in te dienen met betrekking tot de saldi van de rekeningen per peildatum.

Levensverzekering

4.11.

[eiseres] vordert de waarde van de levensverzekeringen/kapitaalverzekeringen te verrekenen. Volgens [gedaagde] dient de waarde van de levensverzekering bij [verzekeraar] met [Polisnummer 1] slechts dan als te zijn gevormd uit overgespaard inkomen te worden verrekend indien de verzekering afkoopbaar is. In de na de comparitie genomen ‘akte van producties’ voert [gedaagde] onder verwijzing naar hierbij gevoegde productie aan dat een afkoopwaarde van de verzekering ontbreekt. In reactie hierop stelt [eiseres] bij akte van antwoord dat uit de door [gedaagde] overgelegde productie volgt dat er naast vorengenoemde polis tevens een verzekering bij [verzekeraar] is met [polisnummer 2]. Zij betwist niet de stelling van [gedaagde] dat een afkoopwaarde van de verzekering met [Polisnummer 1] ontbreekt. Gesteld noch gebleken is dat dit anders ligt voor de verzekering met [polisnummer 2], die overigens, zo blijkt ook uit de door [gedaagde] overgelegde stukken, net als de verzekering met [Polisnummer 1], een risicoverzekering betreft. Dat er nog andere in de verrekening te betrekken verzekeringen zouden zijn is door [eiseres] onvoldoende concreet gesteld. Daarom worden bij de verrekening geen verzekeringen betrokken.

Waarde aandelen besloten vennootschappen

4.12.

[gedaagde] is enig bestuurder en aandeelhouder van de besloten vennootschap [bedrijf b]. (hierna:[bedrijf b]). [bedrijf b] is de bestuurder van de besloten vennootschappen [bedrijf c] (hierna: [bedrijf c]) en [bedrijf d](hierna: [bedrijf d]). Enig aandeelhouder van [bedrijf c] is [bedrijf e] en van [bedrijf d] is de enig aandeelhouder [bedrijf e]. [gedaagde] is enig bestuurder van beide stichtingen. Tussen partijen staat vast dat de aandelen van vorengenoemde besloten vennootschappen tot het vermogen van [gedaagde] behoren. In geschil is de vraag of de waarde van de aandelen deel uitmaakt van het te verrekenen vermogen en [gedaagde] een vergoedingsplicht heeft jegens [eiseres].

4.13.

Tussen partijen is niet, dan wel niet meer, in geschil dat de besloten vennootschappen de voortzetting zijn van de eenmanszaak van de man “[bedrijf a]” (hierna: de eenmanszaak), welke eenmanszaak is opgenomen in de staat van aanbrengsten behorende bij de huwelijkse voorwaarden.

4.14.

[eiseres] stelt dat de besloten vennootschappen tijdens het huwelijk zijn opgericht uit overgespaard inkomen. De winsten die in de eenmanszaak werden gegenereerd vormden de netto-inkomsten zoals omschreven in de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden. Deze overgespaarde inkomsten zijn vervolgens aangewend voor de oprichting van de besloten vennootschappen.

4.15.

[gedaagde] voert hiertegen aan dat de besloten vennootschappen de voortzetting zijn van de eenmanszaak, welke eenmanszaak is opgenomen op de staat van aanbrengsten behorende bij de huwelijkse voorwaarden Omdat de eenmanszaak op de staat van aanbrengsten is aangebracht, dient de waarde van de besloten vennootschappen buiten de verrekening te worden gehouden. Dit is de bedoeling van partijen geweest. De besloten vennootschappen zijn niet opgericht uit overgespaard inkomen, maar met middelen afkomstig uit de eenmanszaak. Het onroerend goed van de eenmanszaak is deel uit blijven maken van het vermogen van de besloten vennootschappen, aldus steeds [gedaagde]. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat partijen ten tijde van het huwelijk jaarlijks, gelet op hun uitgavenpatroon, over en weer geen bedragen te verrekenen hadden alsmede dat voor de oprichting van de besloten vennootschappen vreemd vermogen is aangewend. De omzetting van de eenmanszaak naar de besloten vennootschappen heeft plaatsgehad omwille van fiscale voordelen.

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW, indien aan het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenverplichting niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Dit betekent dat op de partij, in dit geval [gedaagde], die stelt dat een vermogensbestanddeel niet mede is gevormd uit overgespaarde inkomsten, de bewijslast rust van die stelling. Allereerst is in de onderhavige zaak van belang om vast te stellen van welk inkomensbegrip partijen uit zijn gegaan toen zij huwelijkse voorwaarden overeenkwamen. Bij de uitleg van de huwelijkse voorwaarden komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en te dien aanzien mochten verwachten.

4.17.

In artikel 5 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden wordt het netto-inkomen gedefinieerd als het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekering en andere wettelijke inhoudingen of heffingen. De rechtbank leidt hieruit af dat partijen zijn uitgegaan van een ruim inkomensbegrip en dat aldus de inkomsten uit arbeid van de eenmanszaak tot het te verrekenen vermogen behoorden. Dat van een ander inkomensbegrip dient te worden uitgegaan, is niet gesteld of gebleken. Evenmin heeft [gedaagde] de stelling van [eiseres] dat de in de eenmanszaak gegenereerde winsten het netto-inkomen vormden, weersproken. Partijen hebben beiden enkel verklaard dat de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan, omdat [gedaagde] een eenmanszaak had, echter niet dat zij wederzijds de kenbare bedoeling hadden winsten uit de eenmanszaak buiten de verrekening te houden.

4.18.

[eiseres] voert aan dat de aandelen van de besloten vennootschappen zijn aangeschaft met overgespaard inkomen en dat daarom de totale waarde van deze aandelen voor verrekening in aanmerking komt. Vaststaat dat de besloten vennootschappen de voortzetting vormen van de eenmanszaak van [gedaagde]. Dat de eenmanszaak is opgenomen op de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden betekent niet dat, zoals volgt uit het in r.o. 4.17 overwogene, het ondernemingsvermogen in de eenmanszaak in het geheel niet behoeft te worden verrekend. Dat zou namelijk betekenen dat in de eenmanszaak gegenereerde en overgespaarde inkomsten nimmer voor verrekening vatbaar zouden zijn, hetgeen strijdig is met het inkomensbegrip uit de huwelijkse voorwaarden. De inbreng van de eenmanszaak in een of meerdere besloten vennootschappen dient gelijk te worden gesteld met de aanschaf van aandelen uit overgespaard inkomen. Aldus wordt de waarde van de aandelen in de besloten vennootschappen, die uit voor verrekening in aanmerking komend vermogen zijn gefinancierd, verrekend. Een uitleg naar redelijkheid en billijkheid brengt met zich dat ook de vermogensvermeerdering, ontstaan uit de belegging van hetgeen uit de inkomsten is bespaard maar ongedeeld is gebleven, in de verrekening wordt betrokken. [gedaagde] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die een andere uitleg rechtvaardigen. Aan zijn stelling dat vreemd vermogen is aangetrokken voor de oprichting van de besloten vennootschappen heeft [gedaagde] geen nadere feiten ten grondslag gelegd, waarbij tevens in aanmerking wordt genomen dat [gedaagde] ook heeft gesteld dat de volstorting van de aandelen heeft plaatsgehad met middelen afkomstig uit de eenmanszaak.

4.19.

Het betoog van [gedaagde] ten aanzien van de op de staat van aanbrengsten opgenomen eenmanszaak kan overigens wel (onder meer) van betekenis zijn voor zover de op dat moment op de balans van de eenmanszaak voorkomende activa, die in privé aan [gedaagde] toebehoren, geen inkomsten hebben opgeleverd, maar wel in waarde zijn gestegen. Een redelijke uitleg van artikel 1:141 lid 3 BW brengt met zich dat dergelijke waardestijgingen niet moeten worden verrekend als te zijn gevormd uit overgespaarde inkomsten. Het partijdebat op dit punt in het bijzonder en ten aanzien van de te verrekenen waarde van de besloten vennootschappen in het algemeen heeft zich echter nog niet uitgekristalliseerd. De rechtbank is voornemens ter zake de bepaling van de waarde van de ondernemingen een deskundige te benoemen, echter eerst dient vast te komen staan welke peildatum als uitgangspunt voor de waardering zal worden gehanteerd. Daarom zal [gedaagde] toegelaten worden tot het leveren van bewijs zoals omschreven in r.o. 4.4 en zullen partijen daarna de gelegenheid krijgen zich nader uit te laten over de waardering van de ondernemingen, alsmede over de vraag of er een deskundige benoemd dient te worden en zo ja, over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 Ten aanzien van het proces-verbaal

5.1.

Mr. Debi heeft bij akte na comparitie verzocht het proces-verbaal van de comparitie van 3 april 2013 aan te passen op de wijze zoals door haar verzocht. De aanpassingen zien op hetgeen mr. Debi en [eiseres] ter comparitie hebben verklaard. Mr. Hofstee-Heijbroek heeft gereageerd op de door mr. Debi verzochte aanpassingen. Op basis van de ter comparitie gemaakte aantekeningen heeft de rechtbank gemeend het proces-verbaal te kunnen en moeten vaststellen, zoals is gedaan. Daarbij moet bedacht worden dat een proces-verbaal slechts een zakelijke weergave is van hetgeen ter zitting is verklaard en besproken. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding het proces-verbaal aan te passen zoals verzocht. Overigens leiden de verzochte aanpassingen niet tot een andere beoordeling van het geschil.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

laat [gedaagde] te bewijzen dat partijen vanaf op of omstreeks augustus 2009, anders dan in onderling overleg, niet meer samenleven,

6.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] voor uitlating bij akte door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

6.3.

bepaalt dat [gedaagde], indien hij geen bewijs wil leveren door getuigen, maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken direct (op de rolzitting van [datum]) in het geding moet brengen,

6.4.

bepaalt dat [gedaagde], indien hij bewijs wil leveren door het horen van getuigen, hij opgave dient te doen van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de komende vier maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor zal worden bepaald,

6.5.

bepaalt dat dit verhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van

mr. J. Kloosterhuis in het gerechtsgebouw aan de Parnassusweg 220 te Amsterdam,

6.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Kloosterhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2013.