Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6762

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/4507 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft in 2010 pensioen op grond van de AOW en tevens lijfrente-uitkeringen ontvangen in verband met tussen 1988 en 1991 aangekochte koopsompolissen. Op eiseres zijn ingevolge overgangsrecht (hoofdstuk 2, artikel I, onder O, eerste lid en aanhef en onder a, van de Invoeringswet van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001) voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde vormen voor een prestatie, de regels van toepassing die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet IB 1964. Verweerder heeft niet bestreden dat de echtgenoot van eiseres in het jaar 2010 het hoogste inkomen genoot en dat de premies ter verkrijging van de koopsompolissen als persoonlijke verplichting bij hem in aanmerking zijn genomen. Op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Wet IB 1964 en artikel 69, eerste lid, van de Wet IB 1964 worden de genoten lijfrente-uitkeringen in dat geval niet aangemerkt als bestanddelen van het persoonlijk inkomen van eiseres. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van de Wet IB 1964, vindt het eerste lid van artikel 5 van de Wet IB 1964 echter alleen toepassing indien zowel de belastingplichtige als de echtgenoot binnenlands belastingplichtig is. Deze bepaling maakt (indirect) onderscheid tussen ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, dat met de invoering van dit wettelijk voorschrift een legitiem doel is nagestreefd en dat deze bepaling ook in een redelijke verhouding staat tot dit legitieme doel. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is en derhalve niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Verweerder heeft de lijfrente-uitkeringen op goede gronden meegerekend bij het vaststellen van de Zvw-bijdrage van eiseres over het jaar 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4507 ZVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

eiseres,

wonende te [woonplaats],

en

het College voor zorgverzekeringen (Cvz),

verweerder,

gemachtigde mr. S.J.A. Rood.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) de definitieve jaarafrekening van de buitenlandbijdrage voor het jaar 2010 van eiseres vastgesteld.

Bij besluit van 3 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2013.

Eiseres is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiseres is sinds 2008 woonachtig in Frankrijk en ontvangt vanaf 1 november 2010 pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Zij heeft in het jaar 2010 tevens een lijfrente-uitkering ontvangen van Centraal Beheer Achmea in verband met tussen de jaren 1988 en 1991 aangekochte koopsompolissen.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de definitieve bijdrage van eiseres over het jaar 2010 vastgesteld op € 270,46. Verweerder heeft voorts vastgesteld dat door de Sociale verzekeringsbank reeds een bedrag van € 227,00 is ingehouden, en eiseres daarom nog een bedrag van € 43,46 dient te betalen.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 57,20 dat door Centraal Beheer Achmea aan Zvw-bijdrage zou zijn ingehouden op de lijfrente-uitkering van eiseres, niet door het Cvz is ontvangen en derhalve niet kan worden meegenomen in de berekening van de Zvw-bijdrage.

1.4.

Eiseres heeft een beroep gedaan op het Europeesrechtelijke verbod op discriminatie. Ingevolge artikel 5, eerste lid en artikel 69, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) worden lijfrente-uitkeringen niet als persoonlijk inkomen van een belastingplichtige aangemerkt wanneer de koopsompolis als persoonlijke verplichting in aanmerking is genomen bij diens echtgenoot. Op grond van deze bepalingen behoren de lijfrente-uitkeringen in het geval van eiseres niet tot het bijdrage-inkomen als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Zvw. Artikel 5, vijfde lid, van de Wet IB 1964 bepaalt echter dat het voorgaande alleen toepassing vindt wanneer beide echtgenoten binnenlands belastingplichtig zijn. In die zin wordt een niet te rechtvaardigen onderscheid gemaakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen van Nederland. Eiseres heeft gebruik gemaakt van de haar toekomende vrijheid van verblijf zoals neergelegd in artikel 21 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (VWEU). De door haar ontvangen lijfrente-uitkeringen zouden, net als bij echtgenoten die wel beiden binnenlands belastingplichtig zijn, niet mogen worden meegerekend bij de berekening van de Zvw-bijdrage, aldus eiseres.

Eiseres heeft er voorts op gewezen dat zij inmiddels een voorlopige jaarafrekening over het jaar 2011 heeft ontvangen, en het financiële belang daarom € 739,08 behelst. Verder heeft zij aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit geheel voorbij is gegaan aan de door haar in bezwaar aangevoerde klacht.

1.5.

In zijn verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat, gelet op artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), artikel 3.100, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 en artikel 3.125, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001, de door eiseres ontvangen lijfrente-uitkeringen tot het belastbaar inkomen behoren en de Zvw-bijdrage daarom mede over de lijfrente-uitkeringen dient te worden berekend. Verweerder heeft het belastbaar inkomen gebaseerd op de gegevens die hij van de Belastingdienst heeft ontvangen. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de definitieve jaarafrekening juist is vastgesteld, maar het beroep desondanks gegrond dient te worden verklaard nu in het bestreden besluit niet is ingegaan op de bezwaargronden van eiseres. Een beroep op gelijke behandeling kan niet slagen, nu eiseres niet in dezelfde positie als inwoners van Nederland verkeert, aldus verweerder.

2.

Wettelijk kader

2.1.

In artikel 28 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (de Verordening) is – voor zover hier relevant – bepaald dat een rechthebbende op een wettelijk pensioen of uitkering die in een andere Lidstaat woont, recht heeft op medische zorg in zijn woonland, ten laste van het pensioenland, voor zover die gepensioneerde in zijn woonland geen persoonlijk recht heeft op zorg, en voor zover die gepensioneerde op grond van de wettelijke regeling van het pensioenland recht op prestaties zou hebben, indien hij in het pensioenland zou wonen.

2.2.

Op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw – voor zover hier van belang – zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd.

2.3.

De wijze waarop de bijdrage als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zvw wordt berekend is neergelegd in de Regeling Zorgverzekering (de Regeling). Op grond van artikel 6.3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling bestaat de bijdrage onder meer uit een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zvw.

2.4.

Artikel 42 en artikel 43 van de Zvw zijn opgenomen in paragraaf 5.2 van de Zvw. Artikel 42 van de Zvw bepaalt dat de bijdrage over een jaar wordt geheven over het bijdrage-inkomen van dat jaar. Artikel 43, tweede lid, aanhef en onder d, van de Zvw bepaalt dat tot het bijdrage-inkomen van een jaar onder meer behoort de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bepaald volgens de regels van afdeling 3.5 van de Wet IB 2001.

2.5.

Krachtens hoofdstuk 2, artikel I, onder O, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet IB 2001 (het overgangsrecht), blijven voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde vormen voor een prestatie, de regels die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet IB 1964 van toepassing, voor zover die regels niet in strijd komen met het bepaalde in artikel 3.109 van de Wet IB 2001, en voor zover vóór 1 januari 2001 premies zijn betaald die op grond van de Wet IB 1964 als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 1 januari 2001.

2.6.

Artikel 5, eerste lid, van de Wet IB 1964 luidt als volgt: de bestanddelen van het inkomen van een gehuwde niet duurzaam gescheiden levende belastingplichtige welke niet tot het persoonlijke inkomen en de persoonlijke verminderingen en vermeerderingen van het onzuivere inkomen behoren, worden ingeval zijn persoonlijke inkomen lager is dan dat van zijn echtgenoot aangemerkt als bestanddelen van het inkomen van zijn echtgenoot. Artikel 5, tweede lid, van de Wet IB 1964 bepaalt dat het persoonlijk inkomen van een belastingplichtige bestaat uit winst uit voor zijn rekening gedreven onderneming, zuivere inkomsten uit arbeid en zuivere inkomsten in de vorm van periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Het vijfde lid van artikel 5 bepaalt dat het vorige alleen toepassing vindt indien zowel de belastingplichtige als de echtgenoot binnenlands belastingplichtig is.

2.7.

Artikel 69, eerste lid, van de Wet IB 1964 bepaalt dat voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, niet als bestanddelen van het persoonlijke inkomen van de belastingplichtige worden aangemerkt genoten periodieke uitkeringen welke worden verstrekt krachtens een op 31 december 1991 bestaande overeenkomst, indien de ter zake van de verkrijging van het recht op die periodieke uitkeringen verschuldigde premies op de voet van artikel 45, eerste lid, onderdeel g, of artikel 80c, zoals die luidden op 31 december 1991, als persoonlijke verplichtingen in aanmerking zijn genomen bij zijn echtgenoot.

2.8.

Artikel 14 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) bepaalt dat het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2.9.

In artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is bepaald dat allen voor de wet gelijk zijn en zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

3.

Beoordeling

3.1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het bestreden besluit geen stand kan houden, nu verweerder in het bestreden besluit niet inhoudelijk heeft gereageerd op de bezwaren van eiseres. Reeds om die reden zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.

3.3.

Partijen hebben de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien. Gelet daarop en in het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank bezien of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop. Eiseres heeft aangegeven dat zij inmiddels ook een voorlopige jaarafrekening over het jaar 2011 heeft ontvangen en het financiële belang voor het jaar 2011 € 739,08 bedraagt. De rechtbank overweegt dat zij zich in deze zaak dient te beperken tot een beoordeling van het bestreden besluit en derhalve uitsluitend de definitieve jaarafrekening voor het jaar 2010 ter beoordeling voorligt. De voorlopige jaarafrekening over het jaar 2011 valt buiten de omvang van dit geding.

3.4.

Niet in geschil is dat eiseres sinds 1 januari 2010 verdragsgerechtigde is in de zin van artikel 28 van de Verordening en dat zij recht heeft op medische zorg in haar woonland Frankrijk ten laste van Nederland. Op grond van artikel 69 van de Zvw is zij daarom een zogeheten buitenlandbijdrage aan Nederland verschuldigd. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat het overgangsrecht op eiseres van toepassing is. Verder heeft verweerder niet bestreden dat de echtgenoot van eiseres in het jaar 2010 het hoogste inkomen genoot en dat de premies ter verkrijging van de koopsompolissen tussen de jaren 1988 en 1991 als persoonlijke verplichting bij hem in aanmerking zijn genomen. Het voorgaande betekent dat op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Wet IB 1964 en artikel 69, eerste lid, van de Wet IB 1964 de genoten lijfrente-uitkeringen in beginsel niet worden aangemerkt als bestanddelen van het persoonlijk inkomen van eiseres. De lijfrente-uitkeringen dienen daarom bij het persoonlijk inkomen van de echtgenoot te worden gerekend (vergelijk de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 april 2011, LJ-nummer: BQ7222). Nu de lijfrente-uitkeringen niet tot het bijdrage-inkomen van eiseres behoren, dienen deze in beginsel niet te worden meegerekend bij het vaststellen van de Zvw-bijdrage (vergelijk artikel 42 van de Zvw).

3.5.

Zoals eiseres terecht heeft opgemerkt, vindt artikel 5, eerste lid, van de Wet IB 1964 echter alleen toepassing indien zowel de belastingplichtige als de echtgenoot binnenlands belastingplichtig is. Nu eiseres en haar echtgenoot sinds 2008 in Frankrijk woonachtig zijn, is daarvan geen sprake en dienen de lijfrente-uitkeringen bij het persoonlijk inkomen van eiseres te worden gerekend.

3.6.

Eiseres beroept zich er op dat – terwijl zij gebruik heeft gemaakt van haar recht van vrij verblijf als bedoeld in artikel 21 VWEU – door toepassing van artikel 5, vijfde lid, van de Wet IB 1964, inbreuk wordt gemaakt op het Europeesrechtelijke verbod op discriminatie, nu daarmee onderscheid wordt gemaakt tussen ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiseres zich beroept op het beginsel van non-discriminatie zoals neergelegd in de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR en niet op het gelijkheidsbeginsel, zoals verweerder het beroepschrift van eiseres kennelijk heeft opgevat.

3.7.

De kern van het geschil is derhalve de vraag of toepassing van artikel 5, vijfde lid, van de Wet IB 1964 in de onderhavige zaak discriminatie oplevert in de zin van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

3.8.

Artikel 5, vijfde lid, van de Wet IB 1964 maakt onderscheid tussen enerzijds gehuwden die beiden binnenlands belastingplichtig zijn en anderzijds gehuwden waarvan één of beide echtgenoten niet binnenlands belastingplichtig zijn. Of een particulier binnenlands belastingplichtig is, is afhankelijk van de woonplaats van de betrokkene. Genoemde bepaling maakt daarom (indirect) onderscheid tussen ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen. Het verbod van discriminatie betekent echter niet dat elke vorm van onderscheid is verboden; het moet gaan om een ongerechtvaardigd onderscheid. Het op grond van woonplaats gemaakte onderscheid is gerechtvaardigd wanneer het rust op objectieve rechtvaardigingsgronden. Hierbij is van belang of met het onderscheid een legitieme doelstelling wordt nagestreefd en of de gehanteerde middelen in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel.

3.9.

Uit de wetsgeschiedenis die heeft geleid tot het opnemen van artikel 5, vijfde lid, in de Wet IB 1964 (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1983/84, 18 121, nr. 3, blz. 55-56) blijkt dat de beperking tot gehuwden die beiden binnenlands belastingplichtig zijn, is ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid en doelmatigheid. Zonder deze bepaling zou de uitvoering van de Nederlandse belastingwetgeving voor niet geringe problemen worden gesteld, met name voor wat betreft het beantwoorden van de vraag wie van de echtgenoten het hoogste persoonlijke inkomen geniet. Naar het oordeel van de rechtbank is met de invoering van het wettelijk voorschrift een legitiem doel nagestreefd en staat deze bepaling ook in een redelijke verhouding tot dit legitieme doel. (Zie in dit verband ook de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 5 februari 1991, LJ-nummer: AW2147.) De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is en derhalve niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

3.10.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de lijfrente-uitkeringen op goede gronden heeft meegerekend bij het vaststellen van de Zvw-bijdrage van eiseres over het jaar 2010. Nu ook anderszins niet is gesteld noch is gebleken dat de Zvw-bijdrage niet juist zou zijn vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven.

3.11.

Aangezien de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 42,00 (zegge: tweeënveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van R.M.N. van den Hazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2013.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.