Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6720

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_1615
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Elektronische weg niet opengesteld, schriftelijke mededeling weigering Wob-verzoek en ingebrekestelling geen besluit, bezwaar niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/1615

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2013 in de zaak tussen

[naam], te[woonplaats], eiser,

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde mr. A.E.L. Weistra).

Procesverloop

De rechtbank heeft op 3 april 2013 een op 26 maart 2013 gedateerd beroepschrift ontvangen, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), dat eiser op 20 september 2012 bij verweerder heeft ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013.

Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser heeft verweerder op 20 september 2012 een faxbericht gestuurd waarin hij verweerder – kort gezegd – verzoekt om kopieën van interne beleidsstukken. Vervolgens heeft eiser verweerder op 24 oktober 2012 een faxbericht gestuurd met het onderwerp ingebrekestelling. Voorts heeft eiser verweerder per brief van 19 december 2012 verzocht een beslissing te nemen over de hoogte van de te verbeuren dwangsom. Verweerder heeft per brief van 2 januari 2013 aan eiser medegedeeld dat de berichten van 19 september 2012 en 24 oktober 2012 niet zijn ontvangen en in behandeling zijn genomen en dat daarom geen dwangsom verschuldigd is. Eiser heeft hiertegen op 12 februari 2013 een bezwaarschrift ingediend.

2.

Verweerder heeft eiser op 20 februari 2013 schriftelijk medegedeeld dat de mogelijkheid van bezwaar tegen de brief van 2 januari 2013 niet openstaat, nu deze brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Volgens verweerder houdt de brief van 2 januari 2013 niet meer in dan een weigering om de berichten van 20 september 2012 en 24 oktober 2012 op grond van artikel 2:15 van de Awb te aanvaarden, omdat de elektronische weg hiervoor niet openstond.

Nu eiser het door hem in zijn brief van 19 december 2012 genoemde verzoek niet op de juiste wijze heeft ingediend, wordt deze geacht niet te zijn ontvangen en was verweerder niet gehouden een beslissing op grond van de Wob te nemen.

3.

De rechtbank overweegt allereerst, gelet op het verhandelde ter zitting, dat de brief van verweerder van 20 februari 2013 dient te worden aangemerkt als een besluit op het door eiser op 12 februari 2013 ingediende bezwaarschrift. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is afdoende gebleken dat verweerder heeft beoogd om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren, maar verzuimd heeft om dit expliciet op te nemen in het besluit van 20 februari 2013. Dat deze conclusie van de beslissing op het bezwaar ontbreekt, doet daar niet aan af. Het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule maakt evenmin dat niet van een beslissing op het bezwaarschrift kan worden gesproken. Het beroepschrift van eiser wordt dan ook, gelet op het voorgaande, geacht te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar van 20 februari 2013 (het bestreden besluit). Het beroepschrift van eiser tegen dit besluit is, gelet op de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn, tijdig ingediend. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde gebreken die aan het bestreden besluit kleven van dien aard zijn dat deze niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kunnen worden gepasseerd. Het beroep tegen het bestreden besluit is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met 7:12 van de Awb te worden vernietigd.

4.

De rechtbank zal vervolgens om proces-economische redenen en uit oogpunt van finale geschilbeslechting bezien of er aanleiding bestaat om zelf in de zaak te voorzien, dan wel de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

5.

Eiser voert in beroep aan dat de beslistermijn ten aanzien van het Wob-verzoek op 20 september 2012 is aangevangen. Volgens eiser mocht hij erop vertrouwen dat de elektronische weg opengesteld was voor Wob-verzoeken en dat verweerder zijn verzoek in behandeling zou nemen. Volgens eiser stond het faxnummer van de toenmalige politieregio [provincie] prominent en zonder voorbehoud op de website, althans zonder dat hierbij werd vermeld dat Wob-verzoeken en/of ingebrekestellingen niet via deze weg konden worden ingediend. Voorts stelt eiser dat er een gangbare praktijk bestond dat per faxbericht ingediende Wob-verzoeken in behandeling werden genomen. De Wob is immers bedoeld om openbaarheid te faciliteren. Voorts heeft verweerder aan eiser niet de mogelijkheid geboden om het verzuim op grond van artikel 4:5 van de Awb te herstellen en heeft hij evenmin op grond van artikel 2:15 van de Awb het faxbericht schriftelijk geweigerd te accepteren. Voor de ingebrekestelling van 24 oktober 2012 moet de elektronische weg eveneens worden geacht te zijn opengesteld. Verweerder was gehouden een besluit te nemen, maar heeft dit niet tijdig, dat wil zeggen binnen vier weken na binnenkomst van het Wob-verzoek, gedaan. Nu eiser verweerder in gebreke heeft gesteld en verweerder niet binnen twee weken nadien alsnog een besluit heeft genomen, heeft verweerder volgens eiser op grond van artikel 4:17 van de Awb een dwangsom verbeurd.

6.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een elektronisch bericht naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. De rechtbank overweegt allereerst dat niet in geschil is dat het faxnummer dat op het Wob-verzoek en de ingebrekestelling wordt vermeld het faxnummer van de toenmalige politieregio [provincie] was en dat dit nummer op de website werd vermeld.

7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenwel zijn standpunt dat op

de elektronische weg 20 september 2012 niet openstond voor Wob-verzoeken en zelfs op de website expliciet was uitgesloten, voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser niet heeft weersproken dat de informatie op de website van de politie op 20 september 2012 dezelfde was als weergegeven in de printscreen die door verweerder is overgelegd. Eiser heeft voorts erkend dat hij slechts de hoofdpagina van de website heeft geraadpleegd en niet heeft doorgeklikt naar de achterliggende pagina’s waarin dit stond vermeld.

Dat sprake zou zijn van een bestendige praktijk waarbij Wob-verzoeken ingediend via de fax doorgaans werden geaccepteerd, heeft eiser niet nader onderbouwd. Eiser heeft voorts ter zitting erkend dat hij dit in meer algemene zin bedoelde en dat specifiek ten aanzien van verweerder niet aannemelijk kon maken.

Verweerder heeft uitdrukkelijk ontkend dat de faxberichten binnen zijn organisatie zijn aangetroffen. De rechtbank leidt uit de wetshistorie van de Wet elektronisch verkeer (Kamerstukken II, 2002/02, 28483, nr. 3, MvT) af dat een bestuursorgaan, voor zover het dat wenselijk acht, de elektronische weg kan openstellen voor een of meer categorieën van berichten. Dat dit uitdrukkelijk moet geschieden hangt samen met de noodzaak voor het betreffende bestuursorgaan zijn organisatie en werkprocessen vooraf afdoende gereed te maken voor het afhandelen van elektronisch ingediende berichten van de desbetreffende categorie (vergelijk een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei 2009, te raadplegen onder ECLI:NL:RVS:2009: BI4569). Dat verweerder zijn organisatie en werkprocessen niet heeft ingericht op de ontvangst van elektronisch verkeer, hetgeen tot gevolg had dat de faxberichten van eiser kennelijk in het ongerede zijn geraakt, dient dan ook voor risico van eiser te komen. Nu verweerder niet bekend was met deze berichten, was het schriftelijk weigeren daarvan in de zin van artikel 2:15 van de Awb niet mogelijk. Dat het Wob-verzoek van eiser (en de ingebrekestelling) niet in behandeling zijn genomen door verweerder komt dan ook voor rekening en risico van eiser.

8.

Uit het voorgaande volgt dat het schrijven van verweerder van 2 januari 2013, naar aanleiding van de brief van eiser van 19 december 2012, kan worden opgevat als een alsnog aan eiser gestuurde - niet op zelfstandig rechtsgevolg gerichte - schriftelijke weigering van de berichten in de zin van artikel 2:15 van de Awb. Nu deze mededeling geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb betreft, stond daartegen geen bezwaar open.

9.

Eiser heeft niet voldaan aan verweerders verzoek in die brief van 2 januari 2013 om zijn Wob-verzoek nogmaals per gewone post toe te zenden. Ook in zijn bezwaarschrift heeft eiser nagelaten zijn verzoek om informatie te herhalen. Eerst in de beroepsfase is verweerder door toezending van het rechtbankdossier op 5 april 2013 bekend geworden met de inhoud van het Wob-verzoek. Vervolgens heeft verweerder hangende het beroep op 16 april 2013 alsnog op het Wob-verzoek van eiser beslist en is hij eiser hiermee inhoudelijk tegemoetgekomen. Nu de beslistermijn van vier weken pas op 5 april 2013 is gaan lopen, heeft verweerder tijdig op het Wob-verzoek beslist. Aan de wettelijke vereisten voor de vaststelling van een dwangsom zoals neergelegd in artikel 4:17 van de Awb is dan ook niet voldaan.

10.

Uit het voorgaande volgt dat het bezwaarschrift van eiser van 12 februari 2013 niet-ontvankelijk is. Nu dit de enig mogelijke uitkomst van een heroverweging in bezwaar is, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal dan ook het bestreden besluit vernietigen en het bezwaar van eiser (expliciet) niet-ontvankelijk verklaren. Voorts zal de rechtbank bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit.

11.

Nu het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden. Voor vergoeding van proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding, nu eiser geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, rechter, in aanwezigheid van M.P. Osinga-Sanders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB