Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6646

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
AMS 13/425
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft beroep in gesteld tegen ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het besluit om haar AOW uitkering te verlagen naar de norm voor gehuwden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/425

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde mr. WJ.A. Vis),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde K. van Ingen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioen dat

eiseres op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangt met ingang van

1 oktober 2012 verlaagd naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 14 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van

eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd

door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft verweerder aan eiseres een AOW-pensioen

toegekend naar de norm van een alleenstaande.

2.

Eisers is op 19 september 2012 met de heer [A] getrouwd. Bij brief van

25 augustus 2012 had eiseres verweerder op de hoogte gesteld van haar voornemen daartoe.

3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het AOW-pensioen van eiseres gewijzigd

naar de norm van een gehuwde. Verweerder heeft bepaald dat eiseres € 702,69 per maand

krijgt.

4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond

verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt

gesteld dat terecht is besloten het AOW-pensioen te wijzigen naar de norm van een gehuwde

omdat eiseres is getrouwd en niet is gebleken dat sprake is van duurzaam gescheiden leven

van de echtgenoten vanaf de huwelijksdatum. Verweerder acht daarbij van belang dat eiseres

en haar echtgenoot regelmatig bij elkaar verblijven, namelijk wekelijks in het weekeinde, en

bij elkaar in elkaars woning overnachten. Voorts acht verweerder van belang dat de overige

activiteiten die eiseres en haar echtgenoot met elkaar ondernemen (vakantie, uitjes, het

ontvangen van bezoek) sociaal van aard zijn en frequent plaatsvinden. Dat eiseres gehuwd is

onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen maakt

een en ander niet anders, aldus verweerder.

5.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij en haar echtgenoot duurzaam gescheiden

leven vanaf het moment van hun huwelijk. Zij voert daartoe aan dat zij en haar echtgenoot

beiden op hun eigen adres woonden en wonen, in Amsterdam respectievelijk in Friesland. Zij

stelt dat zij geen gemeenschappelijke huishouding voeren en ook niet de bedoeling hebben

dat in de toekomst te doen. Ook hun financiën zijn gescheiden, aldus eiseres. Door het

huwelijk is geen enkele wijziging gekomen in de feitelijke situatie van voor hun huwelijk,

toen zowel eiseres als haar echtgenoot een AOW-pensioen kregen naar de norm van de

alleenstaande. Zij en haar echtgenoot kunnen niet hun woonkosten en andere lasten te delen,

aldus eiseres, en zij vindt het daarom onterecht dat zij een lager pensioen krijgt.

6.1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet

aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze

wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend

gemaakt vóór 1 januari 2013.

6.2.

In artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW is bepaald dat als ongehuwde

mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij

gehuwd is.

6.3.

In artikel 9, eerste lid, van de AOW is bepaald dat deze wet een bruto

ouderdomspensioen kent voor:

a. de ongehuwde pensioengerechtigde;

b. de gehuwde pensioengerechtigde.

6.4.

In artikel 17, eerste lid, van de AOW is bepaald dat het ouderdomspensioen door de

Sociale verzekeringsbank wordt ingetrokken ofherzien, wanneer degene, aan wie het is

toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet ofniet meer in

aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in

aanmerking komt.

7.

In dit geding is de vraag aan de orde of sprake is van duurzaam gescheiden leven van

eiseres en haar echtgenoot vanaf de huwelijksdatum, zoals bedoeld in artikel I, derde lid,

aanhef en onder b, van de AOW.

8.1.

De rechtbank overweegt dat in het algemeen aangenomen kan worden dat na het

sluiten van een huwelijk de betrokken huwelijkspartners de intentie hebben een echtelijke

samenleving, al dan niet op termijn, aan te gaan. Niettemin is het niet uitgesloten dat onder

omstandigheden reeds vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden

gesproken. In dat geval moet dit ondubbelzinnig dient te blijken uit de feiten en

omstandigheden.

8.2.

In dat kader wijst de rechtbank op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van

Beroep (de Raad) waaruit volgt dat van duurzaam gescheiden leven sprake is indien ten

aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde

verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware

hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als

bestendig is bedoeld. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 25 mei 2012, te vinden

op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2012:BW7183.

9.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een

uitzonderingssituatie als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat eiseres en haar

echtgenoot regelmatig bij elkaar verblijven, namelijk elk weekeinde, afwisselend in het

woonhuis van eiseres in Amsterdam en dat van haar echtgenoot in Friesland. Voorts

besteden zij hun vakanties gezamenlijk, al dan niet (mede) in het gezelschap van vrienden.

Daarnaast ondernemen zij gezamenlijk, eveneens al dan niet in gezelschap van vrienden,

andere sociale activiteiten ('uitjes') en ontvangen zij gezamenlijk bezoek. Voorts blijkt uit

het door verweerder overgelegde dubbelinterview met eiseres en haar echtgenoot, zoals

gepubliceerd op [2013] in de Volkskrant, dat eiseres wanneer haar echtgenoot bij

haar is, de boodschappen betaalt en dat zij haar echtgenoot soms fêteert door een

gezamenlijke reis te betalen. In dit interview, waarvan de inhoud door eiseres niet is betwist,

verklaart eiseres voorts dat zij bij zou springen als haar echtgenoot in de financiële

problemen zou komen. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank geenszins aannemelijk

geworden dat er sprake is van een situatie waarin eiseres en haar echtgenoot ieder hun eigen

leven leiden als waren zij niet met elkaar gehuwd. De omstandigheden dat eiseres en haar

echtgenoot op verschillende adressen ingeschreven zijn en dat het huwelijk is gesloten onder

huwelijkse voorwaarden en buiten elke vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen,

kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

10.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij, net als niet-samenwonende ongehuwde personen,

haar woonkosten en andere lasten niet kan delen met haar echtgenoot. De rechtbank begrijpt

eiseres aldus dat zij een beroep bedoelt te doen op het discriminatieverbod. De rechtbank

overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad het discriminatieverbod niet met

zich meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is (zie

bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932).

Er is pas sprake van discriminatie als een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de

ongelijke behandeling ontbreekt. Verder is van belang dat aan de wetgever op het gebied van

de sociale verzekering een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de

vraag of sprake is van gelijke gevallen, en zo ja, of er een objectieve en redelijke

rechtvaardiging is om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Uit onderdeel

4.5

van de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 11 juni

2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7267, blijkt dat het onderhavige verschil in behandeling tussen

gehuwden en niet-gehuwden verband houdt met het feit dat echtgenoten op grond van het

Burgerlijk Wetboek (BW) een afdwingbare zorgverplichting tegenover elkaar hebben. De

sociaal-economische band tussen echtgenoten die onder meer hieruit voortvloeit, is in zijn

algemeenheid dwingender en hechter dan die tussen ongehuwden. Aldus kan niet worden

gezegd dat - als al sprake is van gelijke gevallen - de wetgever de hem toekomende

beoordelingsvrijheid heeft overschreden door het onderhavige onderscheid tussen gehuwden

en ongehuwden te maken. Om die reden kan deze grond van eiseres dan ook niet slagen.

11.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen

aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter,

in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep

worden ingesteld bÜ de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:C

SB