Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6627

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
13-845035-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BTW fraude na aankoop van auto’s in Duitsland met gebruikmaking van Nederlands BTW nummer. Vanuit het oogpunt van generale preventie is alleen een langdurige gevangenisstraf passend.

Aan het onderzoek tegen verdachte legt de rechtbank ondanks een toegestane wijziging van de tenlastelegging de oorspronkelijke tenlastelegging ten grondslag wegens gebreken in de betekening van de wijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/845035-11

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

op tegenspraak, na aanhouding niet verschenen

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1960,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA adres].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 september 2013.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering die door de officier van justitie

mr. J. Mooijen naar voren is gebracht. Mr. B. Stapert, raadsman van verdachte, was ter terechtzitting aanwezig, maar niet uitdrukkelijk door haar gemachtigd.

2 Tenlastelegging

Op de terechtzitting van 25 april 2013 heeft de officier van justitie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging gedaan. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. Daarop is het onderzoek ter terechtzitting geschorst om deze vordering aan verdachte te betekenen, nu zij niet ter terechtzitting was verschenen.

Op de terechtzitting van 18 september 2013 heeft de rechtbank vastgesteld dat de oproep van verdachte om op 18 september 2013 te verschijnen voor de meervoudige kamer op juiste wijze is betekend. Dat is niet het geval voor zover het gaat om de betekening van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging. Deze vordering is weliswaar aan verdachte betekend, maar gebleken is dat de betekende vordering niet alle wijzigingen bevatte, in het bijzonder omdat bladzijden 2 en 4 vermoedelijk ontbraken. Bovendien is het document niet in de Duitse taal vertaald, hetgeen wel had gemoeten aangezien verdachte niet de Nederlandse, maar wel de Duitse taal machtig is.

De officier van justitie heeft om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting verzocht teneinde de wijziging van de tenlastelegging alsnog op juiste wijze aan de verdachte te laten betekenen. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen en als volgt beslist.

De wet biedt geen specifieke oplossing voor een situatie als deze, zodat de rechtbank na afweging van alle belangen kan doen wat in haar ogen het meest opportuun is. Mede gelet op de ouderdom van de zaak, de omstandigheid dat de zaak voor de derde keer op zitting komt en verdachte sinds enige tijd niet meer traceerbaar is, is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek ter terechtzitting nu doorgang dient te vinden, met dien verstande dat aan het onderzoek tegen verdachte de oorspronkelijke tenlastelegging ten grondslag dient te liggen. Verdachte is immers wel op de hoogte van de inhoud van de oorspronkelijke tenlastelegging. Bij deze beslissing weegt ten slotte mee dat de wet het Openbaar Ministerie in hoger beroep, mocht dit worden ingesteld, toestaat opnieuw wijziging van de tenlastelegging te vorderen.

Dit leidt ertoe dat aan de verdachte is en blijft ten laste gelegd dat

1 PRIMAIR:

[bedrijf A] B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 30 januari 2010 in de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen, of een ander, althans alleen, twaalf, althans een aantal, althans een of meer, bij de belastingwet voorziene aangifte(n) als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen,

(waaronder):

a.een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde aangifte voor de omzetbelasting over de maand mei 2008 (D-31, 7/13) en/of

b.een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde aangifte voor de omzetbelasting over de maand juni 2008 (D-31, 8/13) en/of

c.een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde aangifte voor de omzetbelasting over het 2e kwartaal van 2009 (D-31, 5/13 en D-168) en/of

d.een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde suppletie aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2008 (D-25)

onjuist en/ of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft [bedrijf A] B.V. en/of (een of meer van) haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst (elektronisch) ingeleverde en/of ingediende aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over de maand(en) mei en/of juni 2008 en/of de aangifte over het tweede kwartaal van 2009 (telkens) ten onrechte omzet nul vermeld (geen omzet, zogenaamde nihil-aangifte),

en/of heeft [bedrijf A] B.V. en/of (een of meer van) haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op de over 2008 ingediende een suppletieaangifte een onjuist, althans te hoog bedrag aan voorbelasting ingevuld,

terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

SUBSIDIAIR:, voor zover ten aanzien van het bovenstaande onder c. en/of d. geen bewezenverklaring met strafoplegging zou volgen:

[bedrijf A] B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 in de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen, of een ander, althans alleen,

-een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde aangifte voor de omzetbelasting over het 2e kwartaal van 2009 (D-31, 5/13) en/of

- een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde suppletie aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2008 (D-25),

zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen,

immers heeft/hebben [bedrijf A] B.V. en/of haar mededader(s) valselijk en in strijd met de waarheid

- op genoemde aangifte voor het tweede kwartaal 2009 vermeld dat voor dat kwartaal nihil omzetbelasting verschuldigd was; en/of

-op genoemde suppletieaangifte vermeld en/of doen vermelden dat `sprake zou zijn van vereenvoudigde intracommunautaire ABC-leveringen waarbij goederen (auto(s)) rechtstreeks van een leverancier in een ander EU land

(Duitsland) naar een afnemer in een ander EU land (Letland, Polen, Italië en/of Griekenland) vervoerd werden

zulks telkens met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

2.

[bedrijf A] B.V., op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 1 februari 2010 in de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter

beschikking heeft gesteld,

immers heeft zij toen en daar aan de Belastingdienst (in totaal) 31, althans een (groot) aantal, althans een of meerdere valse en/of vervalste (verkoop)facturen (waaronder):

-een factuur voorzien van nummer 8067 gedateerd 14 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf B] inzake de levering van een Mercedes-Benz C 220 avantgarde ten bedrage van 24.530,-- (bijlage D-001A, blz 504) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8080 gedateerd 5 juli 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf B] inzake de levering van een Mercedes-Benz C220 CDI ten bedrage van 26.875,-- (bijlage D-002A, blz 519) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8068 gedateerd 14 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf B] inzake de levering van een Mercedes-Benz c 220 avantgarde ten bedrage van 22.150,-- (bijlage D-007, blz 585) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8082 gedateerd 29 juli 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf C] inzake de levering van een Volkswagen Touran ten bedrage van 11.950,-- (bijlage D-36A, blz 787) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8063 gedateerd 5 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf C] inzake de levering van een Mercedes-Benz cis 320 CDI ten bedrage van 46.650,-- (bijlage D-42) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8060 gedateerd 27 mei 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf C] inzake de levering van een Mercedes Benz C 220 CDI ten bedrage van 24.940,-- (bijlage D-45A, blz 937) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8075 gedateerd 2 juli 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf D] inzake de levering van een Range Rover Sport HSE ten bedrage van 47.850,-- (bijlage D-49 A, blz 1016) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8079 gedateerd 5 juli 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf B] inzake de levering van een Mercedes Benz c220 CDI Elegance ten bedrage van 22.650,-- (bijlage D-55, blz 1044) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8066 gedateerd 12 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf E] inzake de levering van een Audi A5 ten bedrage van 41.150,-- (bijlage D-057, blz 1060) en/of

-een factuur voorzien van nummer 8072 gedateerd 25 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf F] inzake de levering van een Mercedes-Benz C 200 CDI Elegance Comand ten bedrage van 22.590,-- (bijlage D-060, blz 1105)

voor raadpleging aan de/een inspecteur der belastingen te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of aan de/een (controle)ambtenaar/medewerk(st)er van de Belastingdienst te Amsterdam en/of elders in Nederland ter beschikking gesteld,

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) in/van één of meer van voormelde facturen (telkens) hieruit -zakelijk weergegeven -dat [bedrijf A] B.V. en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op genoemde factu(u)r(en) heeft/ hebben vermeld en/of doen vermelden dat (door [bedrijf A] B.V.) een of meer goederen (auto (s)) was/waren geleverd en/of aangeschaft

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

zij op 19 juli 2011 in de gemeente Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

in het bezit was van een of meer reisdocument(en), te weten een of meer paspoort(en) en/of een of meer ID bewijzen (zie 1-AH-007 tm 1-AH-012, blz164 tm 180) waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemde reisdocument(en) vervalst en/of vals was/waren, namelijk;

- een Grieks paspoort, op naam gesteld van [persoon A], waarbij de valsheid of vervalsing hieruit bestaat dat dat paspoort in zijn geheel vals is (origineel watermerk en/of overige echtheidskenmerken ontbreken), en/of

- een Tsjechisch paspoort, op naam gesteld van [persoon B], waarbij de valsheid of vervalsing hieruit bestaat dat de personaliabladzijde volledig vals is en is aangebracht na verwijdering van de originele personaliabladzijde en/of

- een Pools paspoort, op naam gesteld van [persoon C], waarbij de valsheid of vervalsing hieruit bestaat dat de personaliabladzijde volledig vals is en is aangebracht na verwijdering van de originele personaliabladzijde en/of

- een Duitse identiteitskaart, op naam gesteld van [persoon D], waarbij de valsheid of vervalsing hieruit bestaat dat die identiteitskaart in zijn geheel vals is (watermerk ontbreekt) en/of

- een Poolse identiteitskaart, op naam gesteld van [persoon E], waarbij de valsheid of vervalsing hieruit bestaat dat de voorzijde van die identiteitskaart vals is (over de originele voorzijde is een vals deel aangebracht dat de beeltenis en de handtekening van de originele voorzijde maskeert.

3 Voorvragen

3.1

Partiële nietigheid

Onder feit 1 primair wordt kort gezegd ten laste gelegd dat verdachte verantwoordelijk is voor het opzettelijk onjuist doen van “twaalf, althans een aantal, althans een of meer (…) aangifte(n) als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, waaronder…”. Daarna volgt een opsomming van vier concreet aangeduide aangiften omzetbelasting op naam van [bedrijf A] B.V. (hierna: [bedrijf A]).

Het moet voor een verdachte duidelijk zijn welk verwijt hem wordt gemaakt. Dit moet blijken uit de tenlastelegging, die echter wel moet worden begrepen met kennis van het onderliggende strafdossier. Dat is in dezen niet het geval, voor zover het gaat om het genoemde woord “waaronder” zodat de tenlastelegging in zoverre nietig is. De tenlastelegging noemt immers twaalf aanslagen maar omschrijft slechts vier van deze aangiften, terwijl uit het onderliggende dossier niet aanstonds duidelijk is welke andere acht aangiften hier worden bedoeld.

Eenzelfde redenering geldt voor feit 2 wat betreft de woorden “31”en “waaronder”.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenlastelegging nietig is op de volgende punten:

  • -

    Ten aanzien van feit 1 primair de woorden “12” en “waaronder”

  • -

    Ten aanzien van feit 2 de woorden “31” en “waaronder”.

Voor het overige is de dagvaarding geldig.

3.2

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, betreffende de aangiften omzetbelasting, feit 1 subsidiair betreffende de suppletieaangifte, feit 2 en feit 3.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

4.2.1

Ten aanzien van feit 1

[bedrijf A] was een vennootschap waarvan verdachte volgens inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Amsterdam enig directeur was.

Bij de Belastingdienst zijn van [bedrijf A] de volgende aangiften omzetbelasting (hierna: aangifte OB) binnengekomen die betrekking hebben op de tenlastegelegde periode:

  • -

    op 28 juni 2008 de aangifte OB over de maand mei 2008;

  • -

    op 3 juli 2008 de aangifte OB over de maand juni 2008;

  • -

    op 31 juli 2009 de aangifte OB over het tweede kwartaal 2009;

  • -

    op 7 december 2009 een suppletie aangifte OB over het jaar 2008.

In de aangiften OB over de maand mei 2008, de maand juni 2008 en over het tweede kwartaal 2009 staat als omzet “nul” vermeld. In de suppletieaangifte staat onder meer vermeld dat vanwege intracommunautaire verwervingen in 2008 ten belope van € 606.020 en intracommunautaire leveringen in 2008 ten belope van € 610.155 een bedrag van € 115.144 aan OB verschuldigd zou zijn geworden dat echter aftrekbaar is als voorbelasting.

De vragen die ter beantwoording voorliggen is – kort gezegd – of

  1. [bedrijf A] onjuist ingevulde aangiftebiljetten OB en een onjuist ingevulde suppletieaangifte bij de Belastingdienst heeft ingediend,

  2. waardoor er te weinig belasting werd geheven, en of

  3. verdachte aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

Ad I.

Verdachte heeft verklaard dat [bedrijf A] in Duitsland auto’s heeft aangekocht en verkocht, maar dat zij dit voor anderen deed en van in- en verkoop alleen “op papier” sprake was. De rechtbank gaat niet mee in die stelling. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [bedrijf A] in de perioden waar de aangiften op zien, auto’s heeft aangekocht in Duitsland met gebruikmaking van haar Nederlandse BTW-nummer. [bedrijf A] had op de aangiften OB die betrekking hebben op die tijdvakken haar daadwerkelijke omzet moeten vermelden. Door als omzet “nul” in te vullen, heeft zij de drie eerstvermelde aangiften onjuist ingevuld.

Ten aanzien van de suppletieaangifte 2008 overweegt de rechtbank als volgt. Door indiening van dit document wordt een correctie aangebracht op de reeds ingediende aangiften OB en zij moet daarom in het verlengde van die aangifte worden gezien. Met de officier van justitie merkt de rechtbank het indienen van dit document eveneens aan als het doen van aangifte in de zin van artikel 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR).

In tegenstelling tot de aangiften OB over mei en juni 2008 wordt in de suppletieaangifte 2008 onder rubriek 4b wel een bedrag aan intracommunautaire verwervingen en onder rubriek 3b leveringen vermeld, maar er wordt vervolgens een bedrag als voorbelasting afgetrokken.

Dat laatste had [bedrijf A] niet mogen doen. Nog daargelaten de vraag of de juiste bedragen zijn ingevuld, is een ondernemer in geen geval gerechtigd om het bedrag aan verwervings-BTW direct in aftrek te brengen op de verschuldigde belasting. Hooguit kan deze in Nederland op een later moment worden teruggevraagd, maar niet in aftrek worden gebracht.1 Ook de suppletieaangifte is onjuist ingevuld.

Uit dit alles volgt dat door geen omzet(belasting) te vermelden op de drie eerstvermelde aangiften OB en het bedrag aan verwervings-BTW direct in aftrek te brengen in de suppletieaangifte, deze aangiften onjuist zijn ingevuld.

Ad II.

De vereenvoudigde ABC-regeling is niet van toepassing, omdat ‘C’ ontbreekt. [bedrijf A] verricht in dat geval een dubbele verwerving waarbij de belasting die is verschuldigd in de aangiften opgenomen had moeten worden (en niet direct in aftrek gebracht mocht worden). Tot op heden heeft [bedrijf A] niet aangetoond dat ter zake van de verwervingen in land ‘C’ belasting is geheven. Dit leidt er toe dat is voldaan aan het nadeelvereiste.

Ad III.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of verdachte aan deze verboden gedraging van [bedrijf A] feitelijk leiding heeft gegeven. Verdachte is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf A] sinds 19 juni 2007 en mitsdien bevoegd om namens de vennootschap te handelen. Verdachte heeft verklaard dat zij het volledig voor het zeggen heeft binnen de vennootschap.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggevende verantwoordelijk was voor de ingediende onjuiste aangiften OB en suppletieaangifte.

De rechtbank verklaart feit 1 derhalve bewezen.

4.2.2

Ten aanzien van feit 2

Naar aanleiding van het boekenonderzoek door de Belastingdienst op 14 januari 2010 heeft [bedrijf A] via haar adviseur [boekhouder van verdachte] op 15 januari 2010 haar administratie over de jaren 2008 en 2009 overgelegd. Met betrekking tot het jaar 2008 zijn zodoende in- en verkoopfacturen van personenauto’s beschikbaar gesteld. Uit onderzoek naar de verkoopfacturen is gebleken dat de op deze facturen vermelde afnemers geen zaken hebben gedaan met [bedrijf A]. Zij kennen de verkoopfacturen niet en hebben verklaard dat de stempels en handtekeningen op de bijbehorende bescheiden vals zijn. Op grond van het voorgaande staat vast dat de namens [bedrijf A] aan de Belastingdienst overhandigde verkoopfacturen, zoals opgesomd in de tenlastelegging, vals zijn.

Vervolgens dient te worden vastgesteld of verdachte wist van de valsheid van de facturen. De verkoopfacturen doen voorkomen of de ingekochte auto’s zijn doorverkocht aan afnemers binnen de Europese Unie. Verdachte bemoeide zich actief met de zaken binnen [bedrijf A] en het inkopen en verkopen van de auto’s is met haar toestemming gebeurd, zo heeft zij zelf verklaard. Zoals uit haar eigen verklaring blijkt, heeft verdachte zich actief bemoeid met de handel in de auto’s en zij moet daarom hebben geweten dat die auto’s niet zijn doorverkocht. Ook getuige [getuige] heeft verklaard dat [verdachte] de auto’s heeft verkocht en daarvoor verantwoordelijk was. Kortom, verdachte wist dat de verkoopfacturen vals waren. Ondanks die wetenschap heeft zij deze documenten aan haar boekhouder [boekhouder van verdachte] gegeven zodat hij ze ter beschikking kon stellen aan de Belastingdienst.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel over de vraag of verdachte wetenschap had van de valsheid van de verkoopfacturen nog het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat zij de verkoopadministratie van [getuige] heeft ontvangen per fax en USB-stick, nadat zij om die gegevens had gevraagd naar aanleiding van het verzoek van de Belastingdienst om deze verkoopgegevens. Op de aangetroffen verkoopfacturen zijn echter geen faxregels aangetroffen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dat punt daarom niet aannemelijk.

Tijdens de doorzoeking is de USB-stick, waarvan verdachte zegt deze van [getuige] te hebben ontvangen, aangetroffen in de laptop van verdachte. Op die USB-stick zijn geen ingescande documenten zoals bijvoorbeeld de genoemde verkoopfacturen uit 2008 aangetroffen, maar wel sjablonen van bescheiden, behorende bij de verkoopfacturen en betrekking hebbende op de buitenlandse afnemers. Deze sjablonen betroffen ‘blanke’ documenten: ze bevatten wel de bedrijfslogo’s van de desbetreffende afnemers, maar geen handtekeningen en bedrijfsstempels. De aan de Belastingdienst overhandigde documenten (gelijkende op de documenten die op de USB-stick zijn aangetroffen) bevatten wel handtekeningen en bedrijfsstempels. Uit onderzoek door de Belastingdienst/FIOD is naar voren gekomen dat de hiervoor genoemde sjablonen op verdachtes USB-stick vijf dagen na dagtekening van de brief van de Belastingdienst d.d. 10 november 2009, inhoudende dat de aangekondigde naheffingsaanslag omzetbelasting wordt opgelegd, zijn afgedrukt.

Op de USB-stick is daarnaast een document aangetroffen met de naam “PECHATI.doc”. In dit document stonden de bedrijfsstempels van de op de verkoopfacturen vermeldde buitenlandse afnemers. ‘Pechati’ betekent volgens vertaalsites ‘afdrukken’ of ‘stempel’ in het Russisch.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte de verkoopfacturen en de bijbehorende bescheiden zelf valselijk heeft opgemaakt. Haar verklaring dat zij deze bescheiden van [getuige] heeft gekregen is aantoonbaar onjuist. Vervolgens heeft zij deze valse verkoopfacturen aan de boekhouder [boekhouder van verdachte] gegeven zodat hij deze administratie aan de Belastingdienst kon overhandigen.

Aan het nadeelvereiste is ook voldaan; door het overhandigen van valse verkoopfacturen heeft verdachte het in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof sprake was van een vereenvoudigde ABC-levering en [bedrijf A] dus geen BTW verschuldigd was.

Hetgeen hiervoor in rubriek 4.2.1 onder ad III is overwogen met betrekking tot het feitelijk leidinggeven van verdachte aan de verboden gedraging van [bedrijf A] is ook hier van toepassing.

Dit leidt er toe dat feit 2 bewezen kan worden verklaard.

4.2.3

Ten aanzien van feit 3

Tijdens de doorzoeking van het pand aan de [GBA adres] – zijnde de woning en bedrijfsruimte van verdachte – op 19 juli 2011 zijn in een kluis in de woonkamer onder meer de in feit 3 opgesomde paspoorten en identiteitskaarten aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat deze documenten in de kluis lagen; daar heeft zij ze immers zelf in gelegd. Het paspoort van verdachte bevond zich ook in voornoemde plastic zak.

Al deze documenten – haar eigen paspoort, het Poolse paspoort van haar vriend en de overige identiteitsbewijzen – zaten bij elkaar in een plastic tas. Uit onderzoek blijkt dat deze documenten vals dan wel vervalst zijn. Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat haar vriend [persoon F] een vals Pools paspoort had. In de plastic tas bevonden zich ook verschillende pasfoto’s en papieren knipsels/strookjes van letters en cijfers. Deze voorwerpen zijn geschikt om valse dan wel vervalste identiteitsdocumenten mee te vervaardigen. Verdachte had ten aanzien van de andere identiteitsbewijzen dan het Poolse paspoort van [persoon C] – waarvan zij immers wist dat deze vals was – dan ook redelijkerwijs moeten vermoeden dat sprake was van valse dan wel vervalste identiteitsbewijzen.

Gelet op het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet alleen de identiteitskaarten, maar ook de rest van de inhoud van de plastic zak moet hebben gezien. Verdachte heeft verklaard dat zij de verschillende identiteitsbewijzen vermoedelijk in 2009 van Russische kennissen heeft ontvangen ter bewaring in haar kluis en dat tot op heden niemand naar zijn of haar identiteitsbewijs heeft gevraagd. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig.

Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank er van uit dat verdachte wist van de valsheid dan wel de vervalsing van de in dit feit genoemde identiteitsbewijzen moest vermoeden. Tot de overtuiging dat dit zo is, draagt bij dat [getuige] heeft verklaard dat verdachte voor valse paspoorten zorgde.

Dit leidt er toe dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte in het bezit was van alle in dit feit genoemde valse dan wel vervalste identiteitsbewijzen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank heeft uit de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte

Ten aanzien van feit 1 PRIMAIR:

[bedrijf A] B.V. in de periode van 1 mei 2008 tot en met 30 januari 2010 in Amsterdam telkens opzettelijk een aantal bij de belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten:

a. een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde aangifte voor de omzetbelasting over de maand mei 2008 en

b. een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde aangifte voor de omzetbelasting over de maand juni 2008 en

c. een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde aangifte voor de omzetbelasting over het 2e kwartaal van 2009 en

d. een op naam van [bedrijf A] B.V. gestelde suppletie aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2008

onjuist heeft gedaan,

immers heeft [bedrijf A] B.V. telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst (elektronisch) ingediende aangiftebiljetten omzetbelasting over de maanden mei en juni 2008 en de aangifte over het tweede kwartaal van 2009 ten onrechte omzet nul vermeld en heeft [bedrijf A] B.V. opzettelijk de over 2008 ingediende suppletieaangifte onjuist ingevuld,

terwijl deze feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Ten aanzien van feit 2:

[bedrijf A] B.V. op 14 en 15 januari 2010 in Amsterdam als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld,

immers heeft zij aan de Belastingdienst een groot aantal valse verkoopfacturen, te weten:

-een factuur voorzien van nummer 8067 gedateerd 14 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf B] inzake de levering van een Mercedes-Benz C 220 avantgarde ten bedrage van 24.530,- en

-een factuur voorzien van nummer 8080 gedateerd 5 juli 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf B] inzake de levering van een Mercedes-Benz C220 CDI ten bedrage van 26.875,- en

-een factuur voorzien van nummer 8068 gedateerd 14 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf B] inzake de levering van een Mercedes-Benz c 220 avantgarde ten

bedrage van 22.150,- en

-een factuur voorzien van nummer 8082 gedateerd 29 juli 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf C] inzake de levering van een Volkswagen Touran ten bedrage van 11.950,- en

-een factuur voorzien van nummer 8063 gedateerd 5 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf C] inzake de levering van een Mercedes-Benz cis 320 CDI ten bedrage van 46.650,- en

-een factuur voorzien van nummer 8060 gedateerd 27 mei 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf C] inzake de levering van een Mercedes Benz C 220 CDI ten bedrage van 24.940,- en

-een factuur voorzien van nummer 8075 gedateerd 2 juli 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf D] inzake de levering van een Range Rover Sport HSE ten bedrage van 47.850,- en

-een factuur voorzien van nummer 8079 gedateerd 5 juli 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf B] inzake de levering van een Mercedes Benz c220 CDI Elegance ten bedrage van 22.650,- en

-een factuur voorzien van nummer 8066 gedateerd 12 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf E] inzake de levering van een Audi A5 ten bedrage van 41.150,- en

-een factuur voorzien van nummer 8072 gedateerd 25 juni 2008 van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf F] inzake de levering van een Mercedes-Benz C 200 CDI Elegance Comand ten bedrage van 22.590,-

voor raadpleging aan de inspecteur der belastingen te Amsterdam ter beschikking gesteld,

bestaande die valsheid van de facturen telkens hieruit - zakelijk weergegeven - dat [bedrijf A] B.V. valselijk en in strijd met de waarheid op genoemde facturen heeft vermeld dat door [bedrijf A] B.V. een auto aan genoemde vennootschappen was geleverd, terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Ten aanzien van feit 3:

op 19 juli 2011 in Amsterdam in het bezit was van reisdocumenten, te weten paspoorten en ID-bewijzen waarvan zij, verdachte, (ten aanzien van het Poolse paspoort van [persoon C]) wist of (ten aanzien van de paspoorten van [persoon A], [persoon B] en de identiteitskaarten van [persoon D] en [persoon E]) redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde reisdocumenten (ten aanzien van de paspoorten van [persoon B], [persoon C] en de identiteitskaart van [persoon E]) vervalst of (ten aanzien van het paspoort van [persoon A] en de identiteitskaart van [persoon D]) vals waren, namelijk;

- een Grieks paspoort, op naam gesteld van [persoon A], waarbij de valsheid hieruit bestaat dat dat paspoort in zijn geheel vals is (origineel watermerk en overige echtheidskenmerken ontbreken) en

- een Tsjechisch paspoort, op naam gesteld van [persoon B], waarbij de vervalsing hieruit bestaat dat de personaliabladzijde volledig vals is en is aangebracht na verwijdering van de originele personaliabladzijde en

- een Pools paspoort, op naam gesteld van [persoon C], waarbij de vervalsing hieruit bestaat dat de personaliabladzijde volledig vals is en is aangebracht na verwijdering van de originele personaliabladzijde en

- een Duitse identiteitskaart, op naam gesteld van [persoon D], waarbij de valsheid hieruit bestaat dat die identiteitskaart in zijn geheel vals is (watermerk ontbreekt) en

- een Poolse identiteitskaart, op naam gesteld van [persoon E], waarbij de vervalsing hieruit bestaat dat de voorzijde van die identiteitskaart vals is en over de originele voorzijde is aangebracht en zo de beeltenis en de handtekening van de originele voorzijde maskeert.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair ten aanzien van de onder a, b en c genoemde documenten en het onder 1 subsidiair ten aanzien van de onder d genoemde suppletieaangifte, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

In ruim anderhalf jaar tijd heeft [bedrijf A] onder leiding van verdachte in totaal 70 auto’s voor een bedrag van 1,7 miljoen euro gekocht in Duitsland en weer verkocht in andere landen binnen de Europese Unie zonder de daarover verschuldigde BTW te betalen. Daartoe heeft zij willens en wetens bij de Belastingdienst onjuiste aangiftes OB en een suppletieaangifte ingediend waaraan valse facturen ten grondslag lagen. Het doel was de fiscus om de tuin te leiden. In Nederland alleen al gaat het om een benadelingsbedrag van € 228.000,-.

Door zo te handelen is verdachte in staat geweest om goedkoop auto’s in te kopen en met weinig moeite winst te genereren ten koste van de maatschappij. Een constructie zoals door verdachte gebruikt, vergt een zorgvuldig opgetuigde structuur van valse facturen en andere documenten, louter opgezet met het oogmerk van eigen financieel gewin. Door haar handelwijze heeft verdachte de fiscus, andere autoverkopers en de samenleving in het algemeen aanzienlijk benadeeld. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat de vennootschap van verdachte slechts een klein onderdeel is in een groter geheel van internationale BTW-fraude die op professionele wijze is georganiseerd.

Daarnaast heeft verdachte vijf identiteitsdocumenten in bezit gehad, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze vals dan wel vervalst waren. Vervalste reisdocumenten maken een deugdelijke identiteitscontrole onmogelijk en kunnen het plegen van andere strafbare feiten vergemakkelijken. Tevens wordt daarmee het vertrouwen geschonden dat in van overheidswege verstrekte paspoorten en identiteitskaarten moet kunnen worden gesteld.

Ten behoeve van de rechtseenheid bestaat er een landelijke richtlijn waarin als oriëntatiepunt met betrekking tot fraude waarin sprake is van een benadelingbedrag van € 150.000,- tot € 250.000,- is opgenomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden. De rechtbank is van oordeel dat dit oriëntatiepunt niet ziet op bedrijfsmatige fraude van een dusdanig professionele aard als in het onderhavige geval sprake is.

Eenzelfde redenering geldt voor het landelijke oriëntatiepunt voor het bezit van een vals reisdocument. In casu is geen sprake van bezit van één vals reisdocument, maar van meerdere valse dan wel vervalste reisdocumenten op naam van verschillende personen. Daarbij zijn ook diverse voorwerpen aangetroffen die geschikt zijn om reisdocumenten te vervalsen dan wel vals op te maken. Om die reden acht de rechtbank in beginsel een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats dan het in de richtlijn genoemde oriëntatiepunt van 2 maanden.

Terzake van overtreding van de AWR zijn geen oriëntatiepunten opgesteld.

De rechtbank slaat acht op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 februari 2013, waaruit blijkt dat verdachte op het moment van het begaan van de strafbare feiten nog niet was veroordeeld. Nadien is zij echter veroordeeld vanwege overtreding van de Wegenverkeerswet. Dit maakt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Dit leidt echter in dit geval, wegens de geringe ernst van bedoelde overtreding, niet tot strafvermindering.

De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige strafbare feiten waarvoor vanuit het oogpunt van generale preventie slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Het gaat hier immers om BTW fraude, uitgevoerd door een professionele organisatie. Het bedrag waarvoor de fiscus is benadeeld, is hoog en de fiscus zal naar alle waarschijnlijkheid geen verhaal kunnen vinden, omdat zowel de vennootschap van verdachte als zijzelf in staat van faillissement zijn verklaard. Om deze redenen legt de rechtbank een hogere straf op dan door de officier van justitie is geëist.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

  • -

    51, 57, 63, 231 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    68, 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen;

Ten aanzien van feit 2:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken, deze opzettelijk onjuist en onvolledig verstrekken, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Ten aanzien van feit 3:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart de verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en G. Voorhorst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.C. van Geel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2013.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 22 april 2010 in de zaak [A], met noot [persoon G].