Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6619

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
13/650918-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank gaat, in een zaak van ten tijde van het strafbare feit zes minderjarige verdachten, in tegen de door de Hoge Raad geformuleerde regel dat overschrijding van de redelijke termijn nooit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt. Met de sanctie van niet-ontvankelijkheid zal, zo verwacht de rechtbank, het openbaar ministerie zaken tegen minderjarigen minder lang laten liggen. Niet alleen de minderjarige maar ook de samenleving is daarmee gebaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/650918-11 (PROMIS)

Datum uitspraak: 7 oktober 2013

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1994],

wonende op het adres [adres], [postcode] te [plaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 september 2013.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.L.A. ter Veer en hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. M.F.B. Hersman en door de verdachte naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat:

hij op of omstreeks 2 juni 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in

het Vondelpark, in elk geval op of aan de openbare weg, ter uitvoering van het

door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een tas en/of enig geldbedrag,

geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), om voornoemde [persoon 1] is

gaan staan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde [persoon 1]

heeft/hebben ingesloten en/of voornoemde [persoon 1] heeft/hebben geschopt en/of

getrapt en/of éénmaal of meermalen voornoemde [persoon 1] in/tegen zijn gezicht

heeft/hebben gestompt en/of geslagen;

(Artikel 312/47/45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 2 juni 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in

het Vondelpark, in elk geval op of aan de openbare weg, ter uitvoering van het

door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zichen/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [persoon 1] te dwingen tot de afgifte van twintig euro

en/of vijftig euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele

toebehorende aan voornoemde [persoon 1], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), om voornoemde [persoon 1] heen is gaan staan

waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde [persoon 1] heeft/hebben

ingesloten en/of voornoemde [persoon 1] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of

éénmaal of meermalen voornoemde [persoon 1] in/tegen zijn gezicht heeft/hebben

gestompt en/of geslagen en/of (daarbij/vervolgens) voornoemde [persoon 1] dreigend

de woorden heeft/hebben toegevoegd: "give him the money, you don't know who

your fucking with", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

(Artikel 317/47/45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 2 juni 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in

het Vondelpark, in elk geval op of aan een openbare weg, met een ander of

anderen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1],welk geweld bestond uit het schoppen en/of trappen tegen het lichaam van

voornoemde [persoon 1] en/of het éénmaal of meermalen slaan en/of stompen in/tegen

het gezicht van voornoemde [persoon 1], waarbij hij, verdachte en/of zijn

mededader(s) het slachtoffer heeft/hebben ingesloten;

(Artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard, nu de redelijke termijn waarbinnen de zaak van verdachte behandeld dient te worden, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, is overschreden.

Verdachte is op 2 juni 2011 aangehouden en in verzekering gesteld. De redelijke termijn is vanaf dat moment gaan lopen en zal naar verwachting eindigen met een uitspraak op 7 oktober 2013, een tijdsverloop van 28 maanden.

De raadsvrouw verwijst naar het arrest van 3 oktober 2000 van de Hoge Raad1 waaruit blijkt dat in gevallen waarin het jeugdstrafrecht van toepassing is de behandeling van de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden moet zijn afgerond tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.

De raadsvrouw concludeert dat de redelijke termijn van 16 maanden ruimschoots is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijke overschrijding rechtvaardigen.

Op 20 februari 2012 heeft de officier van justitie gevraagd naar eventuele onderzoekswensen van de raadslieden van de verdachten. De raadsvrouw van de medeverdachte [persoon 2] heeft daarop verzocht aangever als getuige te horen. Op 5 juni 2012 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden. De getuige is niet verschenen, waarop het verhoor is aangehouden tot 9 oktober 2012. De getuige is op laatstgenoemd tijdstip opnieuw niet verschenen. De rechter-commissaris heeft daarop de mini-instructie gesloten met de aanbeveling de getuige met bevel medebrenging ter zitting te horen. Daarna heeft de zaak maandenlang stilgelegen. Ook tussen het eerste en tweede getuigenverhoor zaten vier maanden.

Er is geen sprake van een ingewikkelde zaak. Er is slechts om het horen van één getuige verzocht. De raadsvrouw stelt zich derhalve op het standpunt dat de zaak niet voortvarend door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De raadsvrouw is zich ervan bewust dat de Hoge Raad2 bij arrest van 17 juni 2008 heeft bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen en dat de regel is dat overschrijding gecompenseerd wordt door strafvermindering. De Rechtbank Amsterdam3 heeft echter nadien, op grond van het IVRK anders besloten en het openbaar ministerie toch niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de artikelen 3 en 40 lid 2 van het IVRK als uitgangspunt dienen te gelden voor de vraag of van verdere vervolging nog een pedagogisch effect valt te verwachten.

De raadsvrouw is van mening dat in navolging van voornoemde zaken het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Verdachte is een first offender en is ook na het incident niet meer in aanraking geweest met politie en justitie. Hij heeft een aantal dagen in een politiecel verbleven en heeft vervolgens huisarrest opgelegd gekregen. De raadsvrouw stelt dat verdachte hinder en zeer nadelige gevolgen heeft geleden door de onzekerheid met betrekking tot het verdere verloop van de strafvervolging. De aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning is door de IND aangehouden tot aan de uitkomst van het aanhangige strafproces. Hij heeft daardoor niet kunnen werken en geen rijexamen kunnen doen. Verdachte is inmiddels 19 jaar en studeert aan de [opleidingsinstituut] in [plaats]. Hij heeft thans een verblijfstitel voor de duur van zijn studie gekregen.

Op grond van het vorenstaande stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het pedagogische effect van verdere vervolging en eventuele veroordeling, ook al wordt de straf gematigd, niet alleen verloren is gegaan, maar tevens de huidige ontwikkeling van verdachte op onaanvaardbare wijze zou kunnen doorkruisen en dat op grond van de artikelen van het IVRK de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt voorop dat ook zij van mening is dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad heeft echter in de door de raadsvrouw aangehaalde arresten van 17 juni 2008 en 30 maart 2010 het standpunt ingenomen dat overschrijding van de redelijke termijn, ook in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Dat in lagere rechtspraak, waaronder die van de Rechtbank Amsterdam,

nadien het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen van toepassing was, doet daaraan niet af. Dit temeer nu het Gerechtshof Amsterdam recent in haar arrest van 23 juli 2013 aan de artikelen 3 en 40 van het IVRK niet de gevolgtrekking verbindt dat een overschrijding van de redelijke termijn in het minderjarigenstrafrecht een andere rechtsgevolg kan hebben in die zin dat een zodanige overschrijding de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met zich kan brengen.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden verdisconteerd in de strafmaat.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 2 juni 2011 is aangehouden en in juli 2013 is gedagvaard om op 23 september 2013 bij de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting te verschijnen. Hiertussen bevindt zich een periode van 28 maanden. Niet is in geschil dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt, onder meer, te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van strafvervolging moet leven.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen enkele overschrijding van de redelijke termijn tot niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging kan leiden en daarbij verwezen naar recente uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam dd. 18 juni 2013 en 23 juli 2013. In beide uitspraken verwijst het Hof ter onderbouwing naar jurisprudentie van de Hoge Raad.

In zijn uitspraak van 17 juni 20084 (r.o. 3.21) heeft de Hoge Raad bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de termijn niet zou zijn overschreden. Deze regel heeft de Hoge Raad nog eens herhaald in zijn arrest van 30 maart 20105, dat betrekking had op een strafzaak waarin het strafrecht voor jeugdigen was toegepast.

Bij deze twee uitspraken van de Hoge Raad rijzen echter twee vragen.

Recent verruimde verjaringsregels

De eerste vraag is of de door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008 geformuleerde regel, dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, ook ná de (hierna genoemde) op 1 april jl. in werking getreden wijziging van de verjaringsregels, nog steeds als leidraad moet worden gezien.

In voormeld arrest van 17 juni 2008 overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.5.1. het navolgende:

“Indien de Hoge Raad tot de bevinding komt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn…leidt dit niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging onderscheidenlijk de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Daarbij verdient opmerking dat ook de verjaringsregels de verdachte bescherming bieden tegen inactiviteit van politie en/of justitie, welke bescherming is versterkt door de wijziging van art. 72 Sr bij de wet van 16 november 2005, Stb. 595, waardoor de termijn van verjaring ook na de stuiting van de verjaring aan een maximum is gebonden.” [cursivering rechtbank].

Bij wet van 15 november 2012, Stb. 2012, 572 (in werking getreden op 1 april 2013, Stb. 2012, 655) zijn enkele van de verjaringsregels gewijzigd. Thans kan het recht tot strafvordering niet meer verjaren voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld en voor de misdrijven, omschreven in de artikelen 240b, tweede lid, 243, 245 en 246, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.6 Vóór de wetswijziging gold dit enkel ten aanzien van misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf was gesteld. Voorts verjaren misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld door de wetswijziging pas na 20 jaar. De rechtbank constateert aldus dat de ‘bescherming tegen inactiviteit van politie en/of justitie’ door deze wetswijziging ten aanzien van een groot aantal delicten - in de zin van in de praktijk veel voorkomende delicten, ook bij minderjarigen, zoals het tezamen en in vereniging plegen van een diefstal met geweld -, beduidend minder is geworden.

Genoemde wetswijziging doet aldus afbreuk aan een belangrijk argument dat (mede) ten grondslag lag aan de door de Hoge Raad geformuleerde regel. Daarom is de vraag gerechtvaardigd of de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als bescherming tegen inactiviteit van politie en/of justitie nog steeds overbodig is te achten.

Het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht

De tweede vraag is of de Hoge Raad bij de formulering van zijn regel, dat ook ingeval van minderjarige verdachten overschrijding van de redelijke termijn nooit tot niet-ontvankelijkheid leidt, voldoende rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van het jeugdstraf(proces)recht en de uit internationale verdragen voortvloeiende verplichtingen.

Eén van de uitgangspunten van het jeugdstrafrecht is dat minderjarigen zich nog niet volledig hebben ontwikkeld en dat zij om die reden niet dezelfde verantwoordelijkheid dragen als volwassenen. Doel van het jeugdstrafrecht is om achterstand of scheefgroei in de ontwikkeling, zich uitend in strafbaar gedrag, om te buigen.

Het jeugdstrafrecht heeft daarom een sterk pedagogisch karakter, en is daarom veel minder gericht op alleen maar straffen dan het ‘gewone’ strafrecht. Dit pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts werken. Het openbaar ministerie dient bij de inrichting van haar processen met het voorgaande rekening te houden. De rechtbank brengt hierbij in herinnering dat het openbaar ministerie zich ook heeft gecommitteerd aan de zogenoemde Kalsbeeknormen. Tussen het eerste verhoor van de minderjarige verdachte en de beslissing van de kinderrechter dient in beginsel een periode van maximaal 6 maanden te liggen (Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen, geldend van 8 september 2012 tot 30 juni 2015, wetten.overheid.nl).

Het uitgangspunt dat strafvervolging tegen en berechting van minderjarige verdachten snel dient plaats te vinden, is ook in het internationale recht op verschillende plaatsen verankerd.

- VN niveau

Artikel 3, eerste lid van het IVRK bepaalt dat bij alle - ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, bepaalt voorts dat ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit de garantie heeft dat de gelegenheid zonder vertraging door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie wordt beslist.

In General Comment No. 10 uit 2007 heeft het VN-Kinderrechtencomité artikel 40, tweede lid, sub b onder iii als volgt nader geïnterpreteerd:

Decisions without delay …) (art. 40(2)(b)(iii)).

51. Internationally there is a consensus that for children in conflict with the law the time between the commission of the offence and the final response to this act should be as short as possible. The longer this period, the more likely it is that the response loses its desired positive, pedagogical impact, and the more the child will be stigmatized.

In this regard, the Committee also refers to article 37(d) CRC, where the child deprived of liberty has the right to a prompt decision on his/her action to challenge the legality of the deprivation of his/her liberty. The term 'prompt' is even stronger - and justifiably so given the seriousness of deprivation of liberty - than the term 'without delay' (art. 40(2)(b)(iii) CRC), which is stronger than the standard 'without undue delay' of article 14(3)(c) ICCPR.

52. The Committee recommends that the States parties set and implement time limits for the period between the commission of the offence and the completion of the police investigation, the decision of the prosecutor (or other competent body) to bring charges against the child, and the final adjudication and disposition by the court or other competent judicial body. These time limits should be much shorter than the ones for adults.

Uit overweging 51 van General Comment No. 10 volgt dat het Kinderrechtencomité de norm 'zonder vertraging’ (‘without delay') in artikel 40, tweede lid, sub b onder iii van het IVRK kwalificeert als strikter dan de norm opgenomen in artikel 14 van het IVBPR 'zonder onredelijke vertraging’ (‘without undue delay'). Nu in zowel literatuur als rechtspraak is betoogd dat de norm ‘zonder onredelijke vertraging’ van artikel 14 IVBPR en de norm ‘binnen redelijke termijn’ van artikel 6 EVRM vergelijkbaar zijn7, volgt uit de genoemde kwalificatie door het Kinderrechtencomité logischerwijze tevens - zij het impliciet - dat de norm ‘zonder vertraging’ die volgt uit artikel 40, tweede lid, sub b onder iii van het IVRK strikter is dan de norm van artikel 6 EVRM ‘binnen redelijke termijn’. De uitlegging dat de specifiek voor minderjarigen geldende termijn van vervolging en berechting strikter is dan de meer algemene, niet uitsluitend op deze specifieke doelgroep toegesneden, termijnen van artikel 14 IVBPR en artikel 6 EVRM sluit ook logisch aan bij overweging 52 van General Comment No. 10. Daarin staat immers dat de termijnen voor vervolging en berechting van minderjarigen veel korter dienen te zijn dan de termijnen die gelden voor volwassenen.

De rechtbank beschouwt de interpretatie van de norm ‘zonder vertraging’ zoals die is gegeven door het Kinderrechtencomité – de internationale verdragstoezichthouder die uit hoofde van het verdrag bevoegd is de verdragsbepalingen te interpreteren door middel van General Comments - als gezaghebbend. De rechtbank kent aan deze interpretatie dan ook groot gewicht toe.

Voorts is in de “United Nations Standard Minimum Rules for the Administration of Juvenile Justice” (De zogenoemde “Beijing Rules") het volgende opgenomen over de termijn waarbinnen vervolging en berechting van minderjarigen dient plaats te vinden.

20. Avoidance of unnecessary delay

20.1

Each case shall from the outset be handled expeditiously, without

any unnecessary delay.

Het commentaar bij deze regel vermeldt het volgende:

The speedy conduct of formal procedures in juvenile cases is a paramount concern. Otherwise whatever good may be achieved by the procedure and the disposition is at risk. As time passes, the juvenile will find it increasingly difficult, if not impossible, to relate the procedure and disposition to the offence, both intellectually and psychologically.

Hieruit volgt – wederom - dat strafvervolging tegen en berechting van een minderjarige verdachte snel en zonder ‘onnodige vertraging’ dient plaats te vinden, omdat anders het doel van vervolging en berechting in gevaar komt.

- EU niveau

Het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) heeft in een aantal arresten over zaken betreffende kinderontvoering8 toepassing gegeven aan de spoedprocedure neergelegd in artikel 104 ter van het Reglement voor de procesvoering van het HvJEU en binnen drie maanden arrest gewezen. Datzelfde heeft het HvJEU ook gedaan in een zaak die betrekking had op een beslissing tot plaatsing van een kind in een gesloten instelling in Engeland en de verplichting om deze beslissing tot plaatsing te erkennen of uitvoerbaar te verklaren.9 Hoewel deze jurisprudentie van het HvJEU geen betrekking heeft op minderjarige verdachten volgt hieruit onmiskenbaar dat ook het HvJEU onderkent dat in rechtszaken betreffende minderjarigen zeer voortvarend dient te worden gewerkt en beslist.

De praktijk inzake vervolging van minderjarige verdachten

Uit het voorgaande volgt dat het openbaar ministerie, als orgaan van de Nederlandse overheid, zowel op grond van het internationale recht als op grond van het nationale beleid, de verplichting heeft om een strafvervolging tegen een minderjarige voortvarend ter hand te nemen. De rechtbank constateert dat het openbaar ministerie deze voortvarendheid niet in alle strafzaken minderjarige verdachten betreffend, aan de dag legt. Met enige regelmaat vindt er een enorme vertraging in de strafvervolging plaats.10 Ook de onderhavige zaak is hier een voorbeeld van. Dit is, mede gelet op het pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht, niet alleen niet in het belang van de betreffende minderjarige maar evenmin in het belang van de samenleving als geheel. Indien een minderjarige normafwijkend gedrag vertoont, in de zin van het plegen van strafbare feiten, eist de samenleving dat zulk gedrag zo spoedig mogelijk wordt bijgestuurd.

Tussenconclusie: niet-ontvankelijkheid als mogelijke sanctie

De rechtbank resumeert het bovenstaande als volgt.

Uit artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, van het IVRK volgt dat ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit de garantie heeft dat de zaak zonder vertraging door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie wordt beslist. De rechtbank is van oordeel dat het vereiste van berechting ‘zonder vertraging’ de minderjarige meer rechtsbescherming biedt dan het vereiste van berechting ‘binnen redelijke termijn’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Daarnaast is het de vraag of de met ingang van 1 april 2013 in werking getreden verjaringsregels nog voldoende bescherming bieden tegen inactiviteit van politie en/of justitie. De rechtbank stelt vast dat, in ieder geval tot op heden, het openbaar ministerie met enige regelmaat strafzaken tegen minderjarigen (zeer) laat aanbrengt.

Dit alles, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de door de Hoge Raad geformuleerde regel dat een overschrijding van de redelijke termijn nimmer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, daar waar het gaat om de vervolging van minderjarige verdachten, genuanceerd dient te worden. Het vasthouden aan deze regel leidt, zo wijst de praktijk immers uit, er geenzins toe dat het openbaar ministerie in zaken jeugdige verdachten betreffend steeds de vereiste voortvarendheid in de strafvervolging aan de dag legt. Met de sanctie van niet-ontvankelijkheid, zo is de verwachting van de rechtbank, zal er binnen het openbaar ministerie meer urgentie gevoeld worden met betrekking tot het voortvarend afhandelen van een strafzaak tegen een minderjarige en zal aldus meer recht worden gedaan aan de geldende (inter)nationale verplichtingen en daarmee aan het (pedagogisch) belang van de minderjarige.

De onderhavige casus

De rechtbank zal voorts ingaan op de vraag of de lange vervolgingsduur in de onderhavige zaak tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging moet leiden. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken. In de onderhavige zaak zijn dat de navolgende:

  • -

    er is geen sprake van een ingewikkelde zaak. Er heeft geen langdurig strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden. De raadsvrouw van medeverdachte [persoon 2] heeft in februari 2012, nadat de officier van justitie kort daarvoor tot verdere vervolging had besloten, verzocht om de aangever als getuige te horen. Er is niet gebleken dat de verdediging de procesduur op enigerlei wijze onnodig heeft vertraagd;

  • -

    de zaak is eenvoudig van aard. De inhoud van het dossier werpt vragen op ten aanzien van de ernst en de zwaarte van het feit. Uit het dossier volgt dat er sprake was van het terugvragen aan de aangever van € 20 waarbij op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat aangever door verdachte is geslagen;

  • -

    de aangever heeft, als getuige, ter zitting van 23 september 2013 verklaard dat hij het incident is vergeten en dat hij hoopt dat de verdachten niet langer strafrechtelijk vervolgd worden;

  • -

    er zijn 28 maanden verstreken sinds de aanhouding van verdachte. Verdachte was ten tijde van de aanhouding 17 jaar en is thans ruim 19 jaar;

- verdachte is een first offender en is ook na zijn aanhouding niet meer in aanraking met politie of justitie geweest;

- verdachte heeft hinder en nadelige gevolgen ondervonden van de onzekerheid met betrekking tot het verloop van het aanhangige strafproces. Het verzoek tot verlenging van zijn verblijfsvergunning is aangehouden. Naast de onzekerheid die dit met betrekking tot zijn verblijfsstatus met zich bracht, heeft hij daardoor in die periode niet kunnen werken en evenmin rijexamen kunnen doen.

- verdachte studeert thans fulltime aan de [opleidingsinstituut] van [plaats] en heeft daarvoor slechts een tijdelijke verblijfsvergunning;

- de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) is van mening dat thans geen pedagogische meerwaarde meer gelegen is in een bestraffing na zoveel tijd. Het voorstel van de RvdK is dan ook om, bij bewezenverklaring, alleen tot een voorwaardelijke straf over te gaan. De rechtbank vraagt zich af wat het nut daarvan is, nu iedereen ervan uit gaat dat verdachte niet nog een keer strafbare feiten zal gaan plegen. Voorts kan verdachte van een alsnog opleggen van een voorwaardelijke straf last krijgen bij het aanvragen van een verklaring omtrent gedrag. Dat zou betekenen dat verdachte, door stilzitten van OM, na ommekomst van meer dan twee jaar alsnog geconfronteerd zou kunnen worden met een weigering van een VOG ten behoeve van stage/werk.

Deze omstandigheden, in onderling samenhang bezien, brengen de rechtbank tot de conclusie dat er geen andere reactie mogelijk en passend is dan een niet ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging.

De rechtbank realiseert zich dat door het uitspreken van deze sanctie een gevoel zou kunnen ontstaan dat de verdachte ‘er mooi mee weg komt’ en/of dat een dergelijke sanctie ‘pedagogisch (juist) niet verantwoord is’. Gelet op het belang van spoedige vervolging van minderjarige verdachten in het algemeen enerzijds en het feit dat deze eenvoudige, niet al te zware zaak, verdachte gedurende 28 maanden boven het hoofd heeft gehangen, verdachte na het incident niet meer met justitie in aanraking is geweest, het slachtoffer geen verdere vervolging wenst en de RvdK geen pedagogische meerwaarde (meer) ziet in een strafoplegging anderzijds, is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet-ontvankelijkheid toch de enige juiste sanctie is.

De rechtbank hecht er voorts nog aan om, ten overvloede, het volgende op te merken. Indien er, zoals door de officier van justitie betoogd, geen juridische mogelijkheid zou bestaan om tot niet-ontvankelijkheid te oordelen, de rechtbank verdachte dan op grond van de hierboven weergegeven omstandigheden, onder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig zou hebben verklaard zonder oplegging van straf.

4 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. H.J.M. Baldinger en R.H.G. Odink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Nijland, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 oktober 2013.

1 LJN AA7309, NJ 2000, 721

2 LJN BD2578, NbSr 2008, 245

3 Rechtbank Amsterdam 19 maart 2013, BZ7798; Rechtbank Amsterdam 2 april 2013, 3967 en 3968.

4 LJN BD2578, NbSr 2008, 245

5 LJN BL3228, NbSr 2011, 75

6 Voor deze categorie delicten geldt bij minderjarige verdachten met ingang van 1 april 2013 een verjaringstermijn van 20 jaar (77d, derde lid, Sr)

7 Zie bijvoorbeeld het arrest van de HR van 17 juni 2008, r.o. 3.11: “Evenals de vergelijkbare regel van art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR beoogt het voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven.” In de literatuur is betoogd dat artikel 14 IVBPR het equivalent op VN-niveau is van artikel 6 EVRM. Zie bijvoorbeeld Barkhuysen, van Emmerik en Loof in Geschakeld Recht, verdere studies over Europese grondrechten ter gelegenheid van de 70-ste verjaardag van prof. mr. E.A. Alkema, Kluwer 2009, p. 31.

8 Onder andere de arresten Deticek, HvJEU 23 december 2009, C‑403/09 PPU; J.McB tegen L.E.., 5 oktober 2010, C‑400/10 PPU.

9 Arrest S.C. en A.C., HvJEU 26 april 2012, C‑92/12 PPU.

10 Zie onder meer rechtbank Zwolle 21 december 2012 (BZ3522); rechtbank Arnhem 25 september 2012 (BY7720); rechtbank Rotterdam 16 februari 2010 (BL4514); rechtbank Amsterdam 12 mei 2010 (BM5290), 20 mei 2010 (BP1210), 29 november 2011 (BV2783 en BV2784), 22 maart 2012 (BY2411), 20 september 2012 (BY3871), 19 maart 2013 (BZ7798), 2 april 2013 (niet gepubliceerd: parketnummers 13/651477-10, 13/654155-10 en 13/651478-10. De termijn tussen aanhouding als verdachte en inhoudelijke behandeling ter zitting bedroeg in casu resp. 29, 29 en 28 maanden) en de schriftelijke mededeling van het openbaar ministerie Amsterdam dd. 12 augustus 2013 in de zaak met parketnummer 13/464301-09, inhoudende dat het openbaar ministerie tot niet-ontvankelijkheid zal requireren in verband met een vervolgingsduur van meer dan vier jaar.