Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6612

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
13.621/539672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

Zaaknummer: 13.621/539672

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van heet verzoek van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: het BJAA,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] , geboren te [plaats] op [2004].

[moeder] , wonende te Amsterdam, is de moeder.

[vader] , de vader, is overleden.

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbende is aangemerkt: de moeder.

1 Verloop van de procedure

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 22 mei 2013 is de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 7 juni 2013 voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder met ingang van 7 juni 2013 voor de duur van vier maanden, onder aanhouding van iedere verdere beslissing en met verwijzing naar de meervoudige kamer.

De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van:

  • -

    een fax met bijlagen van 30 augustus 2013 van mr. R.K. Uppal;

  • -

    een fax met bijlage van 3 september 2013 van mr. R.K. Uppal;

  • -

    een fax van 4 september 2013 van mw. [A] van het BJAA met als bijlage de verslaglegging van advies over het toekomstperspectief van een kind binnen de hulpverleningsvariant pleegzorg van [naam], en

  • -

    een fax met bijlage van 4 september 2013 van mr. R.K. Uppal.

Op 9 september 2013 heeft de rechtbank het verzoek wederom ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

  • -

    de moeder bijgestaan door haar raadsman mr. R. Uppal;

  • -

    mw. [B] namens het BJAA.

2 Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 7 december 2005 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot

7 juni 2014.

In het kader van de ondertoezichtstelling is de minderjarige uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder is geldig tot 7 oktober 2013.

Namens het BJAA is het verzoek gehandhaafd. Het BJAA is van mening dat de plaatsing van [minderjarige] in het huidige gezin dient voort te duren. Het BJAA is het eens met het advies van [naam]. Moeder heeft hele goede stappen gezet, wat voor [minderjarige] heel positief is. [minderjarige] is een kind, dat is gediagnosticeerd met het syndroom van Asperger. Hij verblijft in een gescreend gezin, dat in staat is hem veel standvastigheid te bieden en mogelijkheden heeft hem te begeleiden. Het onveilige gevoel dat hij heeft gehad is een gevolg van de overgang naar een heel nieuw gezin, andere structuur en regels. [minderjarige] weet niet, zoals andere kinderen, om maat te houden. Er is sprake van een positieve ontwikkeling van [minderjarige] in het gezin. Het lijkt er op dat de lange testfase voorbij is en het BJAA heeft er alle vertouwen in dat [minderjarige] daar op zijn plek zit. Bij moeder thuis is sprake van een aantal risico’s. Moeder heeft hard gewerkt, maar de vraag is of moeder ook voor de lange duur de nodige structuur aan [minderjarige] kan bieden. Die structuur is heel belangrijk voor hem. Het is voor [minderjarige] niet goed om strijd te voelen. Wanneer hij bij moeder is kan hij niet anders dan loyaal zijn ten opzichte van moeder. Als hij in [plaats] is heeft hij het daar naar zijn zin.

Wat betreft een eventuele teruggeleiding naar moeder heeft het BJAA aangevoerd dat de situatie bij moeder, gelet op haar geschiedenis, risicovol is. Wanneer [minderjarige] ouder wordt is het van belang dat de juiste aanpak wordt geboden. [minderjarige] heeft het nodig dat het goed blijft gaan en hij heeft daarom 24 uur per dag begeleiding en zorg nodig. Het weekendpleeggezin ontlast moeder weliswaar, maar door de week is er ook begeleiding nodig. Een eerder gehouden Eigen Kracht-conferentie (hierna ook EKC) heeft niet tot de nodige steun voor moeder geleid. Positief acht het BJAA dat het tussen [minderjarige] en [C], die weer bij moeder woont, goed gaat. Maar dat neemt de risico’s niet weg. Het BJAA is van mening dat het ook niet zou moeten worden geprobeerd bij moeder, gelet op wat [minderjarige] heeft meegemaakt. Het is nu tijd om te helen en de positieve ontwikkeling voort te zetten, zeker nu de puberteit voor [minderjarige] voor de deur staat. Met de opvoedouders is besproken waarom [minderjarige] het niet naar zijn zin zou hebben in het gezin. Volgens de opvoedouders heeft dit te maken met zijn loyaliteit naar moeder. Het BJAA concludeert negatief ten aanzien van de terugkeer van [minderjarige] bij moeder. Hij zit thans op een goede plek, waarbij de opvoedouders voldoende bagage hebben om [minderjarige] te begeleiden. Gelet op de problematiek van [minderjarige] vraagt het opvoeden van hem heel veel van een ouder. Een tweede ouder, zoals in het huidige gezin aanwezig, is dan ook van belang. Er is veel inzet voor nodig en veel oefenen om de opvoeding op zich te kunnen

nemen. Moeder is thuis alleen en de hulp van vrienden en kennissen die de moeder voorstelt, is iets anders dan een tweede ouder thuis, aldus het BJAA.

De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat zij bij Punt P is geweest onder meer in verband met haar ADHD. Moeder slikt geen medicatie hiervoor, omdat zij een te lage hartslag heeft, maar heeft zich zelf geleerd om een andere draai aan haar ADHD te geven en om dit in goede banen te leiden. Het gaat goed met moeder en perfect met [C] in huis. Sinds moeder weet wat er met [minderjarige] aan de hand is en zij dit aan [C] heeft verteld gaat het ook veel beter tussen [C] en [minderjarige]. Er wordt thuis veel meer met elkaar gepraat, ook met [D] als hij thuis is. [D] gaat altijd vrolijk terug naar de groep. Moeder begrijpt dat het anders is wanneer [minderjarige] thuis zou komen wonen, omdat hij veel structuur nodig heeft, maar moeder is van mening dat zij die [minderjarige] kan bieden. Moeder heeft voorts aangegeven dat zij mensen om zich heen heeft die haar kunnen helpen. Zo is er de buurman, dhr. [E], die ook heeft geholpen met [C]. Moeder kan ook een vriendin bellen als zij het bijvoorbeeld moeilijk vindt als [minderjarige] weer terug moet naar [plaats]. [F] was de oppas, die [minderjarige] vaak meenam. Zij hebben een hele leuke band met elkaar. [F] heeft ook Asperger en kan het daardoor goed vinden met [minderjarige]. [F] is ook gewoon thuis opgevoed, terwijl dit voor zijn ouders niet altijd makkelijk is geweest. [F] kan moeder ondersteunen door advies te geven en door [minderjarige] af en toe mee te nemen. Anders dan BJAA stelt, is er geen EKC gehouden speciaal voor [minderjarige]. Moeder merkt voorts op dat het door haar aangezochte [locatie 1] speciaal is voor mensen met Asperger en het begeleiden van mensen die te maken hebben met Asperger. Moeder kan zich hiervoor pas aanmelden als [minderjarige] bij haar woont. Daarnaast verzorgt [locatie 1] ook naschoolse-opvang. In het verleden werd het gedrag van [minderjarige] gezien als een gedragsprobleem. Nu weet moeder dat hij Asperger heeft. Ten slotte heeft moeder nog aangevoerd dat zij graag zou willen dat [minderjarige] geleidelijk aan weer thuis zou komen wonen.

De raadsman van de moeder heeft ter terechtzitting onder meer naar voren gebracht dat [F] een brief heeft geschreven waarin twijfels naar voren worden gebracht over hoe goed het gaat in [plaats]. Op de zitting wordt nu de indruk gewekt dat het sociale leven van [minderjarige] in [plaats] op gang komt. Voor moeder is onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre [minderjarige] de juiste aanpak krijgt voor zijn Asperger. Moeder heeft zich daar in verdiept, maar jeugdzorg blijft maar teruggrijpen op de voorgeschiedenis van moeder. Het BJAA heeft geen onderzoek gedaan en niet geprobeerd de omgang met moeder uit te breiden. Terwijl de rechtbank zoekt naar mogelijkheden om [minderjarige] bij moeder terug te plaatsen komt jeugdzorg met een aanwijzing om de omgang te beperken. Het BJAA heeft naar aanleiding van de vorige zitting niet veel extra inzicht gegeven, zoals door de kinderrechter is verzocht. Het pleeggezin wil niet te veel heen en weer rijden. Volgens moeder is dat onwil omdat zij het niet belangrijk vinden. Hoe goed is het voor [minderjarige] om daar te blijven? In [plaats] bij moeder is hij in een vertrouwde omgeving. De raadsman merkt nog op dat als er niet wordt gewerkt aan terugplaatsing bij moeder de omgangsregeling dient te worden uitgebreid. De raadsman blijft bij het standpunt dat [minderjarige] terug moet naar moeder.

Nu de gronden die hebben geleid tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn, dient de uithuisplaatsing vooralsnog voort te duren. De rechtbank is echter, anders dan het BJAA, van oordeel dat de uithuisplaatsing dient te worden verlengd voor de duur van drie maanden onder aanhouding van iedere verdere beslissing, om een vinger aan de

pols te houden.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de stukken en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht is gebleken dat het in het belang van [minderjarige] (bij wie Asperger is gediagnosticeerd) is dat hij duidelijke regels en structuur geboden krijgt. In het speciale pleeggezin waar hij op dit moment verblijft wordt hem de benodigde structuur gegeven.

Uitgangspunt van de wet, en aldus voor de rechtbank, is dat een minderjarige, voor zover mogelijk, bij zijn ouders dient op te groeien. Niet is in geschil dat bij de moeder sprake is van een voorbelaste geschiedenis en dat zij niet in staat is om opvoedkundig adequaat te reageren indien zij overbelast is. Indien de moeder evenwel rust en stabiliteit ervaart in haar eigen leven, is evenmin in geschil dat zij over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt.

De rechtbank stelt vast dat de situatie van moeder sinds geruime tijd ten positieve is veranderd. Moeder heeft haar verslavingsbehandeling afgerond en zij doet er alles aan om een stabiele thuissituatie te creëren voor haar kinderen. Zo is zij met [C] in behandeling gegaan bij de [locatie 2] en verdiept zij zich (pro)actief in de vraag hoe om te gaan met een kind dat Asperger heeft alsook wat voor extra hulp nodig is indien [minderjarige] geleidelijk aan weer thuis zou komen wonen.

Moeder wil heel graag dat [minderjarige] weer thuis komt wonen en zij lijkt zich voldoende te beseffen dat terugplaatsing van [minderjarige] niet alleen veel van haar zal vergen maar ook geleidelijk aan dient plaats te vinden. Moeder is bereid om daarbij de nodige hulp en begeleiding te aanvaarden. [C], de oudste zoon van moeder, woont inmiddels ook weer geruime tijd bij haar en de ondertoezichtstelling van [C] is inmiddels opgeheven.

Gelet op deze omstandigheden, als ook gelet op het feit dat [minderjarige] graag bij zijn moeder en broer in Amsterdam wil wonen en hij nog niet is ingegroeid in het huidige pleeggezin te Meteren, is de rechtbank, anders dan het BJAA, van oordeel dat moeder – en daarbij [minderjarige] - een kans dient te krijgen om ook voor [minderjarige] te zorgen. Terugplaatsing van [minderjarige] bij moeder dient geleidelijk en met veel zorg en begeleiding te gebeuren. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat er speciaal voor hem een EKC wordt georganiseerd, nu dit nog niet eerder is gebeurd en om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn binnen het netwerk van moeder om haar te ondersteunen. Om de terugplaatsing van [minderjarige] goed te laten verlopen zal de komende maanden de bezoekregeling dienen te worden uitgebreid en zal [minderjarige] ook weer regelmatig naar het weekendpleeggezin dienen te gaan. In die periode kan daarbij de nodige hulpverlening voor moeder en [minderjarige] worden ingezet.

De rechtbank verzoekt het BJAA om vóór de volgende zitting de rechtbank te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige], de EKC en het verloop van de bezoekregeling bij moeder en het weekendpleeggezin.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De kinderrechter:

- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder met ingang van 7 oktober 2013 voor de duur van drie maanden;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- houdt iedere verdere beslissing aan tot een nader te bepalen datum vóór 7 januari 2014, en beveelt de oproeping van de moeder, haar raadsman en het BJAA;

- bepaalt dat deze machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien een daarop betrekking hebbend indicatiebesluit strekt tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige met ingang van de datum waarop de thans geldende verwijzing zijn geldigheid verliest.

Deze beschikking is gegeven door

mr. R.H.G. Odink, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. A.C. Enkelaar en H.P.H.I. Cleerdin, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van A. Gordon, griffier.1

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2013.

1 Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen op grond van de artikelen 69 en 72 van de Wet op de Jeugdzorg, tenzij op andere wijze in betaling wordt voorzien. Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 - 541 1899).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.