Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6547

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
526494 / HA ZA 12-1163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevrijdende / verkrijgende verjaring artikel 3:99 BW. Ondubbelzinnig bezit artikel 3:107 BW. De gemeente had uit gedragingen bezitter kunnen afleiden dat deze pretendeerde eigenaar te zijn van strook grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/526494 / HA ZA 12-1163

Vonnis van 31 juli 2013

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WIJDEMEREN,

zetelend te Wijdemeren,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. C.E.A.J. Kuipers te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H.J. Zinkstok te Huizen.

Partijen zullen hierna Gemeente Wijdemeren en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 juni 2012 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie / conclusie van eis in reconventie met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 13 februari 2013 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 mei 2013 en de daarin genoemde conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] woont aan[adres]. Voorheen woonde daar de grootmoeder van [gedaagde],[naam].

2.2.

In 1962 of 1963 is de weg aan de[adres] verbreed. De destijds als tuinafscheiding dienende haag is daartoe verwijderd en is vervangen door een stalen hek.

2.3.

Op 19 augustus 1964 heeft[naam]een brief gestuurd aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente [plaats], waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

4. Van mijn kant ben ik de Gemeente bij voorkomende gevallen verschillende malen ter wille geweest:

a. Bij de weg-aanleg heb ik ruim 80m² grond afgestaan voor wegverbreding.

(…)”

2.4.

Op 20 december 2001 heeft [gedaagde] de eigendom verkregen over het perceel aan de[adres], bestaande uit (onder meer) een woonhuis met schuur en een showroom, ondergrond en erf.

2.5.

In 2002 is de grond in de gemeente[plaats] heringedeeld.

2.6.

Op 22 december 2011 heeft het hoofd afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van Gemeente Wijdemeren een brief gestuurd aan [gedaagde], waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

In het afgelopen najaar heeft de gemeente [Gemeente Wijdemeren, rb] in samenwerking met het Kadaster een grootschalige inventarisatie gedaan naar het gebruik van haar gronden. Hierbij is onderzocht of particulieren of bedrijven zonder toestemming van de gemeente gebruik maken van openbare grond.

Gebruik van gemeentegrond

Uit de inventarisatie is gebleken dat u gebruik maakt van gemeentegrond. (…)

De gemeente heeft onderzocht of u toestemming heeft om de grond te gebruiken, bijvoorbeeld doordat u een schriftelijke overeenkomst heeft gesloten met de gemeente. Helaas is daarvan uit het gemeentelijk archief niet gebleken. (…)

Eigendomsrecht gemeente

Als u niet kunt aantonen dat u toestemming heeft van de gemeente voor het gebruik van de grond geldt het volgende.

De gemeente stelt haar eigendomsrecht veilig door u deze brief te sturen. Deze brief is namelijk in juridische zin een aanmaning waarmee de verjaring van de rechtsvordering van de gemeente om haar eigendom op te eisen wordt gestuit (…). “

2.7.

Op 30 januari 2012 heeft [gedaagde] aan Gemeente Wijdemeren een brief geschreven, waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat.

“(…)

Hierbij wil ik u laten weten dat uw informatie niet juist is. Begin jaren 60, van de vorige eeuw, is de[adres], waaronder ook ter hoogte van mijn woning, verbreed. Voor het tot stand komen van deze verbreding heeft mijn grootmoeder, toen eigenaresse van mijn huis, ongeveer 80 m2 grond afgestaan aan de toenmalige gemeente[plaats]. De haag, welke de afscheiding vormde aan de zijde van de weg, is gerooid. De firma [firma naam] heeft hier, op aanwijzing van de gemeente, een stalen hek geplaats wat hier nog steeds staat.

(…)

Ik ga ervan uit u voldoende te hebben geïnformeerd, mocht een en ander u niet duidelijk zijn dan verneem ik dit graag, binnen 14 dagen na dagtekening van dit schrijven, van u. Mocht ik binnen genoemde termijn niet van u hebben vernomen dan zie ik de zaak als afgedaan (…).”

2.8.

Gemeente Wijdemeren heeft niet gereageerd op de hiervoor weergegeven brief van [gedaagde] van 30 januari 2012.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Gemeente Wijdemeren vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van het gehele perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats] sectie F,[nummer], alsmede een verklaring voor recht dat [gedaagde] een gedeelte van dit perceel onrechtmatig in gebruik heeft. Voorts vordert de gemeente veroordeling van [gedaagde], tot ontruiming van het perceel binnen drie dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom en Gemeente Wijdemeren te machtigen de ontruiming van het perceel op kosten van [gedaagde] ten uitvoer te leggen indien hij in gebreke blijft het perceel binnen de gestelde termijn te ontruimen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Gemeente Wijdemeren legt aan haar vordering in conventie kort gezegd ten grondslag dat [gedaagde] ten onrechte gebruik maakt van grond die eigendom is van Gemeente Wijdemeren. [gedaagde] maakt daarmee inbreuk op haar eigendomsrecht, aldus Gemeente Wijdemeren.

3.3.

[gedaagde] betwist niet dat Gemeente Wijdemeren eigenaar is geweest van het gehele perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats], sectie F, [nummer], doch verweert zich met de stelling dat hij is aan te merken als (opvolgend) bezitter te goede trouw. Primair beroept [gedaagde] zich op verkrijgende verjaring, zoals bedoeld in artikel 3:99 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair beroept [gedaagde] zich op bevrijdende verjaring, zoals bedoeld in artikel 3:105 BW. [gedaagde] stelt als gevolg van verjaring eigenaar te zijn geworden van voornoemd stuk grond.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat hij van rechtswege de eigendom heeft verworven van het stuk grond deel uitmakende van het perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats], sectie F, [nummer] ter grootte van circa 153 vierkante meter, meer in het bijzonder het stuk grond waarover de onderhavige procedure is gevoerd, alsmede Gemeente Wijdemeren te veroordelen mee te werken aan de wijziging in het Kadaster, althans aan de vastlegging van de eigendom van [gedaagde] van dat stuk grond, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Gemeente Wijdemeren in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.

3.6.

Gemeente Wijdemeren voert verweer tegen de reconventionele vordering van [gedaagde], onder verwijzing naar haar stellingen in conventie en wijst daarbij nog op het belang van Gemeente Wijdemeren als eigenaar van de grond om haar eigendom te behouden.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Vanwege de evidente samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie en de door partijen ingenomen stellingen in dat verband, zal de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk beoordelen.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het stuk grond dat in deze procedure onderwerp van geschil is, deel uitmakende van het perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats], sectie F, [nummer], van oorsprong eigendom is (geweest) van Gemeente Wijdemeren. De vraag is of [gedaagde] door middel van (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring de eigendom van voornoemd stuk grond heeft verkregen.

4.3.

Ingevolge artikel 3:99 BW is voor verkrijgende verjaring tien jaar onafgebroken bezit te goeder trouw vereist. Ingevolge artikel 3:105 BW in samenhang met de artikelen 3:314, tweede lid, BW en artikel 3:306 BW is voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring een onafgebroken bezit voor een periode van 20 jaren vereist.

4.4.

De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:108 BW volgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. De (niet naar buiten blijkende) interne wil om als rechthebbende op te treden, is voor het zijn van bezitter van geen betekenis. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het bezit moet ondubbelzinnig zijn. Er is sprake van ondubbelzinnig bezit wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 15 januari 1993, LJN: ZC0826 en Hoge Raad 27 februari 2009, LJN: BH1634).

4.5.

Aldus is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende (eigenaar of beperkt gerechtigde) te zijn zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Laat de werkelijk rechthebbende die gelegenheid gedurende lange tijd voorbijgaan, dan kan hem uiteindelijk verjaring worden tegengeworpen.

4.6.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat Gemeente Wijdemeren uit gedragingen van [gedaagde], althans van zijn rechtsvoorgangers, duidelijk had kunnen opmaken dat hij de grond aanmerkte als zijnde zijn bezit. [gedaagde] heeft een aantal foto’s overgelegd waarop de situatie door de jaren heen te zien is. Uit deze foto’s in combinatie met door hem overgelegde bouwtekeningen is volgens [gedaagde] op te maken dat de grond in elk geval vóór 1979 door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] is afgezet met een hek. De coniferen haag die er thans staat, is over het hek heen geplaatst, hetgeen is te zien op recente foto’s. Gemeente Wijdemeren heeft de door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] geplaatste afscheiding ook altijd gerespecteerd, hetgeen blijkt uit het feit dat zij zelf een voetpad heeft aangelegd waarbij de feitelijke erf grens is aangehouden. Dit voetpad is minstens vijfentwintig jaar geleden aangelegd, aldus nog steeds [gedaagde].

4.7.

Gemeente Wijdemeren stelt zich onder verwijzing naar jurisprudentie op het standpunt dat het gebruik van het stuk grond door [gedaagde] niet kwalificeert als bezit. Zij heeft een foto uit 2002 overgelegd, waarop het huis is te zien met ter hoogte van de eerste verdieping een apart raam en daar naast twee aaneengeschakelde ramen. Op deze foto is te zien dat de tuin aan de voorzijde is afgezet met een hek. In 2002 is in de Gemeente Wijdemeren heringedeeld en zij betwist dat voordien sprake is geweest van voor Gemeente Wijdemeren kenbare bezitsdaden.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van hetgeen [gedaagde] met voornoemde bewijsstukken heeft aangetoond voldoende is komen vast te staan dat het hek dat zich thans onder de coniferen haag bevindt, daar vóór 1979 is geplaatst. Uit de door [gedaagde] als productie E-D overgelegde foto is te zien dat het hek voor de woning is geplaatst. De eerste verdieping van de woning wordt gekenmerkt door een vijftal gelijkvormige ramen. Als productie G is door [gedaagde] overgelegd een bouwtekening behorende bij een bouwaanvraag voor kantoor door[gedaagde]. Die tekening is gedateerd 28 maart 1979. Naar [gedaagde] ter comparitie onweersproken heeft gesteld is de gevel van het woonhuis op die tekening een weergave van de op dat moment bestaande situatie. De raamverdeling op de eerste verdieping van de woning stemt overeen met de raamverdeling zoals die thans voorkomt op de foto van de gevel zoals overgelegd als productie H van [gedaagde].

Het hek was dus geplaatst voor dat de wijziging in de raampartij had plaatsgevonden en die wijziging in de raampartij heeft vóór 28 maart 1979 plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat het hek vóór 28 maart 1979 was geplaatst.
Dat Gemeente Wijdemeren zich afvraagt of het hek dat er nu staat wel hetzelfde hek is als dat op de foto’s van vóór 1979 is naar het oordeel van de rechtbank niet als betwisting aan te merken, zeker niet in het licht van de gedetailleerde toelichting van [gedaagde] bij de overgelegde foto’s en bouwtekeningen. Aldus zal de rechtbank er bij de verdere beoordeling van uitgaan dat het hek dat zich thans onder de coniferen haag bevindt, daar vóór 1979 is geplaatst.

4.9.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het plaatsen van een hek rondom het erf van een woonhuis, met daarin een opening naar de voordeur, is aan te merken als niet dubbelzinnig bezit. Daarvan is volgens vaste jurisprudentie sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Anders dan Gemeente Wijdemeren is de rechtbank van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is. Dat in de heg een opening zit en het een laag hekje betreft, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Gemeente Wijdemeren heeft ook niet gesteld dat het plaatsen van een hek door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] zou duiden op een gebruik in een andere hoedanigheid dan die van eigenaar, laat staan in welke hoedanigheid dat dan volgens haar zou zijn. De rechtbank acht bovendien van belang dat Gemeente Wijdemeren, althans de gemeente [plaats] kennelijk ten tijde van de aanleg van het trottoir ook is uitgegaan van het gepretendeerde bezit van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde]. Dat bij de aanleg van een trottoir geen acht wordt geslagen op kadastrale gegevens, zoals Gemeente Wijdemeren heeft aangevoerd, is een omstandigheid die voor rekening en risico van Gemeente Wijdemeren komt.

4.10.

Zoals gezegd is op grond van artikel 3:99 BW voor verkrijgende verjaring tien jaar onafgebroken bezit te goeder trouw vereist. Uit hoofde van artikel 3:102 BW mag voor de vereiste tijdsduur van tien jaren de reeds verstreken verjaringstermijn ten gunste van de rechtsvoorganger worden opgeteld, in geval van goede trouw. Nu Gemeente Wijdemeren de goede trouw van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] niet heeft betwist en de rechtbank reeds heeft aangenomen dat het hek dat zich thans onder de coniferen haag bevindt, daar vóór 1979 is geplaatst, is ingevolge het hiervoor overwogene tevens voldaan aan de voorwaarde van tien jaar onafgebroken bezit. Dit betekent dat [gedaagde] door middel van verjaring de eigendom heeft verkregen van het stuk grond waarover de onderhavige procedure wordt gevoerd. Het subsidiair gevoerde verweer over bevrijdende verjaring behoeft hierdoor geen bespreking meer.

4.11.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de vorderingen van Gemeente Wijdemeren in conventie zullen worden afgewezen.

4.12.

De vorderingen van [gedaagde] in reconventie zijn toewijsbaar, nu daartegen geen ander verweer is gevoerd dan dat strekkende tot toewijzing van de vorderingen in conventie. De rechtbank zal de vorderingen in reconventie dan ook toewijzen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom wordt afgewezen, nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat Gemeente Wijdemeren niet de gevorderde medewerking zal verlenen.

4.13.

Gemeente Wijdemeren zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in conventie als in reconventie. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden in conventie begroot op:

Griffierecht: €  267,00

Salaris Advocaat: €  904,00(2 x tarief € 452,00)

Totaal: € 1.171,00

en in reconventie op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt Gemeente Wijdemeren in de kosten van de procedure in conventie aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.171,00;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

5.4.

verklaart voor recht dat [gedaagde] van rechtswege de eigendom heeft verworven van het stuk grond deel uitmakende van het perceel kadastraal bekend als gemeente[plaats], sectie F, [nummer], ter grootte van circa 153 vierkante meter, meer in het bijzonder het stuk grond waarover de onderhavige procedure is gevoerd;

5.5.

veroordeelt Gemeente Wijdemeren mee te werken aan de wijziging in het Kadaster, althans aan de vastlegging van de eigendom van [gedaagde] van dat stuk grond;

5.6.

veroordeelt Gemeente Wijdemeren in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door G.H. Marcus en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2013.1

1 type: JMS coll: