Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6542

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
C-13-519992 - HA RK 12-236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heropening vereffening als bedoeld in artikel 2:23c BW.

Indien de vereffening wordt heropend, “herleeft” de rechtspersoon uitsluitend voor de afwikkeling van de (heropende) vereffening. Dit betekent dat de rechtspersoon geen nieuwe (ondernemings)activiteiten mag ontwikkelen, maar niet dat de vereffening beperkt is tot de in het verzoekschrift genoemde bate(n), vordering(en) of rechtshandeling(en).

Voor toewijzing van het verzoek tot heropening van de vereffening is voldoende dat de gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen en dat de rechter met terughoudendheid dient te toetsen of aan dit vereiste is voldaan (HR 11 oktober 1991, NJ 1992, 132 en Hoge Raad 2 oktober 1998, NJ 1999, 194).

Voldoende is (in dit geval) dat verzoeker aannemelijk maakt dat hij een vordering op de ontbonden vennootschap heeft en hoeft hij daarnaast niet tevens aannemelijk te maken dat ook sprake is van een mogelijke bate.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Beschikking van 21 maart 2013

in de zaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/518375 / HA RK 12-204

van

[verzoeker]

(voormalig vereffenaar van [bedrijf],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. P.F. Hopman te Amsterdam,

en

zaaknummer / rekestnummer: C/13/519992 / HA RK 12-236

van

1 [verzoekers],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAFEMAKERS B.V.,

gevestigd te Beuningen,

verzoeksters,

advocaat mr. W.M. Schonewille te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TALER INVESTMENT CONSULTING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [verweerders]

(voormalig vereffenaar van [bedrijf]),

wonende te[woonplaats],

verweerders,

advocaat mr. P.F. Hopman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verweerders], [verzoekers], Safemakers en TIC worden genoemd. [verweerders] en TIC zullen tezamen ook als [verweerders] worden aangeduid en [verzoekers] en Safemakers tezamen als [verzoekers]

1. De procedure (in beide zaken)

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de twee tussenbeschikkingen van 1 november 2012 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de verzoekschriften, gehouden op

15 januari 2013 en het daarvan opgemaakte proces-verbaal;

  • -

    de brief van mr. Hopman van 16 januari 2013 aan de rechtbank (met bijlage);

  • -

    de brief van mr. M. Rijnhart (advocaat van [verzoekers]) van 17 januari 2013 aan de rechtbank.

1.2.

De beschikkingsdatum is bepaald op heden.

2 De feiten (in beide zaken)

Ontbinding en vereffening TIC

2.1.

Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders is TIC met ingang van 15 september 2011 ontbonden, met benoeming van [verweerders] tot vereffenaar.

2.2.

Op 9 januari 2012 is de ontbinding van TIC in het handelsregister ingeschreven.

2.3.

Op 27 januari 2012 is in het dagblad Trouw bekend gemaakt dat de stukken betreffende de vereffening gedurende twee maanden ter inzage zouden liggen.

2.4.

Op 24 maart 2012 is de termijn voor inzage geëindigd.

2.5.

[verweerders] heeft de vereffening van TIC op 12 april 2012 beëindigd en met ingang van die datum is de vennootschap opgehouden te bestaan.

Voorgeschiedenis

2.6.

Safemakers is de persoonlijke vennootschap van [verzoekers].

2.7.

Reeds in 2004 was [verweerders] de beleggingsadviseur van [verzoekers]. [verweerders] was in die tijd in dienst van [bedrijf x].

2.8.

Op 17 juli 2006 is TIC opgericht. [verweerders] werd bestuurder van TIC. [verzoekers] bleef cliënt van [verweerders]. Met ingang van 1 juli 2006 heeft [verzoekers] (mede namens Safemakers) een beleggingsadviesovereenkomst gesloten met TIC.

2.9.

Eind 2008 was [verzoekers] ontevreden over de (negatieve) ontwikkelingen in zijn beleggingsportefeuille. Vanaf dat moment hebben hierover gesprekken plaatsgevonden tussen [verweerders] en [verzoekers] en is hierover tussen partijen gecorrespondeerd.

2.10.

Bij brief van 8 december 2009 heeft (de advocaat van) [verzoekers] TIC aansprakelijk gesteld voor de schade die [verzoekers] ten gevolge van het door TIC geadviseerde beleggingsbeleid heeft geleden.

2.11.

Per e-mail van 18 december 2009 heeft AIG (de beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar van TIC) “bij gebreke van enige nadere onderbouwing” iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.12.

Bij brief van 23 december 2011 heeft (de advocaat van) [verzoekers] TIC opnieuw aansprakelijk gesteld, dit keer onder verwijzing naar een uitvoerig rapport van prof. dr.[naam]. In deze brief vordert [verzoekers] schadevergoeding ten bedrage van € 2.273,942,-.

2.13.

Bij brief van 22 maart 2012 heeft (de advocaat van) TIC de aansprakelijkheid gemotiveerd afgewezen.

3 De beoordeling in zaak HA RK 12-204

3.1.

Het verzoek strekt tot heropening van de vereffening van TIC en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c Burgerlijk Wetboek (BW). [verweerders] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag.

3.2.

Op 11 april 2012 is tegen TIC een verstekvonnis gewezen waarbij TIC is veroordeeld tot betaling van een bedrag van ruim € 700.000,- (in hoofdsom), vermeerderd met rente en kosten (hierna: het verstekvonnis).

3.3.

[verweerders] is eerst op 18 april 2012 bekend geworden met het verstekvonnis. [verweerders] heeft namens TIC verzet aangetekend tegen het verstekvonnis.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat uit het voorgaande genoegzaam blijkt van de noodzaak de vereffening te heropenen. Tevens is gebleken van de noodzaak van benoeming van een vereffenaar. De rechtbank zal de vereffening dan ook heropenen en een vereffenaar benoemen.

4 De beoordeling in zaak HA RK 12-236

4.1.

Ook dit verzoek strekt tot heropening van de vereffening van TIC en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c BW. [verzoekers] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag.

4.2.

[verzoekers] heeft een omvangrijke vordering op TIC. Deze vordering is door prof. dr.[naam] thans berekend op € 4.847.289,-. Op het moment dat [verzoekers] TIC wilde dagvaarden, ontdekte hij dat de vennootschap was uitgeschreven uit het handelsregister in verband met “einde liquidatie met ingang van 15 september 2011”. [verweerders] was op het moment dat hij de vereffening beëindigde op de hoogte van de vordering van [verzoekers], maar hij heeft daar bij de afwikkeling van de vereffening desondanks geen rekening gehouden. [verzoekers] heeft belang bij de heropening van de vereffening opdat hij zijn dagvaarding alsnog aan TIC kan betekenen en zijn vordering in rechte geldend kan maken. Bij toewijzing van de vordering zal [verzoekers] alsnog mee dienen te delen in het (mogelijk) positieve saldo van de boedel van TIC.

4.3.

Nu de rechtbank in de zaak HA RK 12-204 reeds heeft overwogen dat zij zal overgaan tot heropening van de vereffening en de benoeming van een vereffenaar, rijst allereerst de vraag of dit verzoek nog aparte behandeling en beoordeling behoeft.

4.4.

[verweerders] meent van wel. Hij voert hiertoe het volgende aan. Toewijzing van het verzoek in de zaak HA RK 12-204 betekent niet zonder meer dat [verzoekers] ook zijn vordering kan indienen. Heropening van de vereffening kan worden verzocht voor een specifiek geval. Indien de vereffening dan wordt heropend, betekent dit dat de vereffening slechts wordt heropend voor dit specifieke geval, voor – zo begrijpt de rechtbank – de afwikkeling van die ene bate, vordering of rechtshandeling.

4.5.

De rechtbank deelt de mening van [verweerders] niet. Indien de vereffening wordt heropend, “herleeft” de rechtspersoon inderdaad uitsluitend voor de afwikkeling van de (heropende) vereffening. Dit betekent dat de rechtspersoon geen nieuwe (ondernemings)-activiteiten mag ontwikkelen, maar niet dat de vereffening beperkt is tot de in het verzoekschrift genoemde bate(n), vordering(en) of rechtshandeling(en). In het licht hiervan behoeft het verzoek van [verzoekers] (en het daartegen door [verweerders] gevoerde verweer) eigenlijk geen verdere bespreking. Met de toewijzing van het verzoek in zaak HA RK 12-204 is immers ook het doel van verzoek van [verzoekers] bereikt. Voor de volledigheid zal de rechtbank evenwel ook ingaan op het andere door [verweerders] gevoerde verweer omdat ook dit naar haar oordeel geen hout snijdt.

4.6.

[verweerders] stelt zich op het standpunt dat [verzoekers] zijn (vermeende) vordering op TIC geenszins aannemelijk heeft gemaakt en dat deze (vermeende) vordering daarom geen reden kan zijn de vereffening te heropenen. Voorts stelt [verweerders] zich op het standpunt dat voor het toewijzen van het verzoek van [verzoekers] niet alleen vast moet komen te staan dat [verzoekers] een vordering op TIC heeft, maar ook dat sprake is van een bate. Ten slotte stelt [verweerders] dat hij op het moment dat de vereffening werd beëindigd – nadat (de advocaat van) TIC bij brief van 22 maart 2012 de aansprakelijkheid gemotiveerd van de hand had gewezen en erop had gewezen dat de onderneming was gestaakt en dat er zou worden afgewikkeld – erop mocht vertrouwen dat [verzoekers] het erbij zou laten zitten.

4.7.

Bij de beoordeling wordt voorop gesteld dat voor toewijzing van het verzoek tot heropening van de vereffening voldoende is dat de gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen en dat de rechter met terughoudendheid dient te toetsen of aan dit vereiste is voldaan (HR 11 oktober 1991, NJ 1992, 132 en Hoge Raad 2 oktober 1998, NJ 1999, 194).

4.8.

Anders dan [verweerders] meent, is de rechtbank van oordeel dat uit de tekst van artikel 2:23c lid 1 BW volgt dat (in dit geval) voldoende is dat [verzoekers] aannemelijk maakt dat hij een vordering op TIC heeft en hoeft hij daarnaast niet tevens aannemelijk te maken dat ook sprake is van een mogelijke bate. In lid 1 van genoemd artikel staat immers dat de rechtbank de vereffening kan heropenen “indien (…) nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of [onderstreping rb] van het bestaan van een bate blijkt.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval voldoende aanleiding is om van haar bevoegdheid de vereffening te heropenen gebruik te maken en overweegt daartoe als volgt:

  • -

    [verzoekers] heeft zijn vordering op TIC uitvoerig onderbouwd met verwijzing naar een uitvoerig rapport van een door hem ingeschakelde deskundige;

  • -

    [verweerders] heeft in zijn verweerschrift in deze procedure de vordering – eveneens uitvoerig – inhoudelijk bestreden, maar het is niet aan de rechtbank om in het kader van deze procedure te beoordelen of TIC onzorgvuldig heeft gehandeld en daarmee schadeplichtig is geworden jegens [verzoekers], of [verzoekers] tijdig heeft geklaagd en/of een van de andere talrijke verweren van TIC opgaan; een dergelijke beoordeling gaat immers veel verder dan de marginale toetsing die de rechtbank in het kader van het huidige verzoek moet toepassen (zie hiervoor onder 4.7);

  • -

    de conclusie is dan ook dat [verzoekers] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vordering op TIC heeft.

4.10.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat [verzoekers] niet tevens hoeft aan te tonen dat sprake is van een bate, is heropening van de vereffening natuurlijk weinig zinvol als uiteindelijk van uitbetaling van een schadevergoeding aan [verzoekers] geen sprake kan zijn, omdat TIC geen baten heeft. Dit zou kunnen betekenen dat [verzoekers] geen belang heeft bij heropening van de vereffening. Deze overweging staat evenmin aan heropening in de weg. De rechtbank overweegt (marginaal toetsend, zie hiervoor onder 4.7) hiertoe als volgt. Allereerst is niet – althans onvoldoende – gesteld of gebleken dat TIC op het moment dat de vereffening werd beëindigd, geen baten (activa) had. Het is voorts onaannemelijk dat de schulden de baten van TIC op het moment van beëindiging van de vereffening overtroffen, omdat in dat geval de vereffenaar ([verweerders]) aangifte tot faillietverklaring had moeten doen, tenzij alle bekende schuldeisers hebben ingestemd met voortzetting van de vereffening buiten faillissement (artikel 2:23a lid 4 BW). Dat deze situatie zich hier heeft voorgedaan is niet gesteld of gebleken. Indien komt vast te staan dat [verzoekers] een vordering op TIC heeft, zullen de baten (activa) van TIC dan ook anders moeten worden verdeeld, rekening houdend met de vordering van [verzoekers] Voorts heeft [verzoekers] gesteld – en dat is ook gebleken – dat TIC een beroepsaansprakelijkheidsverzekering had afgesloten. Hoewel de verzekeraar (AIG) in eerste instantie de (toen nog nauwelijks onderbouwde) claim van [verzoekers] heeft afgewezen en [verweerders] betwist dat de (vermeende) vordering van [verzoekers] is gedekt door die verzekering, is nog geenszins komen vast te staan dat de verzekeraar niet tot uitkering is verplicht indien de vordering van [verzoekers] komt vast te staan. Integendeel, AIG is kennelijk op de hoogte van de nadere aansprakelijkheidstelling van [verzoekers]; [verzoekers] heeft immers onbetwist gesteld dat AIG op 7 juni 2012 heeft aangegeven dat de claim van [verzoekers] en de beantwoording van zijn brief van 23 december 2011 door mr. Hopman worden behandeld. Met haar gemotiveerde stelling dat TIC (na de heropening van de vereffening) de verzekeraar kan aanspreken heeft [verzoekers] voldoende aannemelijk gemaakt dat ook in deze zin sprake is van een (potentiële) bate.

4.11.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat ook de gang van zaken (vlak) voordat de vereffening werd beëindigd, op zich een reden vormen om de vereffening te heropenen. [verweerders] heeft immers de vereffening beëindigd op 12 april 2012, dat wil zeggen binnen een maand nadat TIC (op 22 maart 2012) de aansprakelijkheid van [verzoekers] had afgewezen. Hoewel (de advocaat van) TIC in de brief waarin de aansprakelijkheid werd afgewezen heeft vermeld dat “TIC haar werkzaamheden [heeft] beëindigd en de betrokken accountmanagers TIC [hebben] verlaten” (overigens uitsluitend in het kader van zijn verweer dat te laat is geklaagd), is in deze brief niet vermeld dat de vennootschap inmiddels was ontbonden en dat de vereffening op zeer korte termijn zou worden beëindigd. Anders dan [verweerders] meent, had [verweerders] er niet zonder meer op mogen vertrouwen dat [verzoekers] het er na deze brief “bij zou laten zitten” en had het op zijn weg gelegen om, voordat hij tot beëindiging van de vereffening overging, bij [verzoekers] navraag te doen of dit daadwerkelijk het geval was. Dat het feit dat TIC was ontbonden kenbaar was via de Kamer van Koophandel, via publicaties in landelijke dagbladen en anderszins (zoals [verweerders] aanvoert), is in dit verband niet relevant.

4.12.

De rechtbank stelt dan ook vast dat uit al het voorgaande genoegzaam blijkt van de noodzaak de vereffening te heropenen. Tevens is gebleken van de noodzaak van benoeming van een vereffenaar. De rechtbank zal de vereffening dan ook heropenen en een vereffenaar benoemen.

in beide zaken

te benoemen vereffenaar

4.13.

Partijen kunnen geen overeenstemming bereiken over de te benoemen vereffenaar en hebben de rechtbank verzocht in goede justitie een vereffenaar te benoemen. De rechtbank heeft [naam advocaat], advocaat te Amsterdam, verzocht als vereffenaar op te treden en [naam advocaat] heeft verklaard bereid te zijn de benoeming te aanvaarden.

4.14.

De rechtbank zal een afschrift van deze beschikking aan de vereffenaar toesturen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

heropent de vereffening van het vermogen van Taler Investment Consulting B.V., laatstelijk gevestigd te Amsterdam,

5.2.

benoemt tot vereffenaar[naam advocaat]

[adresgegevens advocaat]

,

5.3.

verklaart deze beschikking, voor zover nodig, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2013.