Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6540

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
521533 HA ZA 12-865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Zwart geverfde muren. Hinder door parasols die tegen ramen aantikken. Mandelige muur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: 521533 / HA ZA 12-865

Vonnis van 28 augustus 2013

in de zaak van

1 [eisers],

2. [eisers],

beiden wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.C.A. Froon te Amsterdam,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

tegen

1 [gedaagden],

2. [gedaagden],

beiden wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A.H.J. Emmen te Soest,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden en in enkelvoud worden weergegeven.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van [eisers] van 10 juli 2012 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagden] met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 2 januari 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van [eisers] (abusievelijk is deze conclusie niet vermeld in het hieronder genoemde proces-verbaal);

  • -

    het proces-verbaal van descente en van comparitie (verder: de zitting) gehouden op 17 mei 2013 alsmede de daarin genoemde stukken: de brief van mr. Froon van 14 mei 2013 met een productie en de brief van mr. Emmen van 16 mei 2013 met een productie.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] en [gedaagden] zijn (achter)buren. Zij zijn in ieder geval vanaf 2009 verwikkeld in een burenruzie.

2.2.

[eisers] woont boven zijn[bedrijf 1]. Achter zijn winkel ligt sinds tien jaar de [bedrijf 2], die grenst aan de achtertuin van [gedaagden] heeft zijn woning schuin achter de [bedrijf 2] ongeveer zeven jaar geleden betrokken.

Op de hierboven ingevoegde kopie van een uitvergroting van de kadastrale kaart is het perceel van [eisers] aangeduid als [nummer] en dat van [gedaagden] als [nummer 1]. De muren die als -1- en als -2- zijn aangeduid, zijn de muren van de [bedrijf 2] die geheel in eigendom toebehoren aan [eisers] De buitenkant van muur -1- en -2- is door [gedaagden] zwart geverfd in 2011. [eisers] is voornemens om een opbouw te laten realiseren op de [bedrijf 2].

In muur -1- zitten meerdere raampjes die zijn voorzien van gebobbeld glas. Vanuit de tuin van [gedaagden] zijn twee van deze raampjes en de helft van een derde raampje zichtbaar. In de tuin van [gedaagden] staan twee parasols. De poot van de parasols staat op ongeveer 1 meter afstand van muur -1- voor de raampjes (zie de foto op bladzijde 2 van het proces-verbaal).

De tuinmuur die als -3- is aangeduid staat op grond die in eigendom toebehoort aan [gedaagden] Deze muur grenst aan perceel [nummer 2], een parkeerterrein in eigendom van [eisers] Een aantal steunberen dat staat op grond van [eisers] maakt deel uit van de muur. In opdracht van [eisers] is in juni 2012 een leiding aangebracht door de onderkant van één van die steunberen in verband met een koelunit van de [bedrijf 2] (zie ook de foto op bladzijde 7 van het proces-verbaal).

2.4.

In 2012 hebben partijen gecorrespondeerd en overleg gevoerd over een aantal onderwerpen dat hen verdeeld houdt, zoals de zwart geverfde muur en de ramen in muur 1.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers] vordert  samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk,

A) [gedaagden] zal veroordelen tot het herstel in de oude toestand van de zwart geschilderde muur, op verbeurte van een dwangsom;

B) [gedaagden] zal veroordelen tot het gehengen en gedogen van de noodzakelijke aanpassingen die verricht moeten worden met betrekking tot de opbouw van [eisers], op verbeurte van een dwangsom;

C) [gedaagden] zal veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van (geopende) parasols binnen een afstand van 2 meter van de erfafscheiding onder verbeurte van een dwangsom;

Voorts vordert [eisers] dat [gedaagden], hoofdelijk, zal worden veroordeeld in de proceskosten.

3.2.

[eisers] legt ten grondslag aan de vordering onder A) dat [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld door zonder toestemming de muren -1- en -2- zwart te schilderen, terwijl dit voor [eisers] nadeel oplevert omdat hij daardoor last heeft van meer warmte in de [bedrijf 2]. Aan de vordering onder B) legt [eisers] ten grondslag dat hij anticipeert op problemen die gaan komen als hij gaat werken aan de geplande opbouw op het platte dak van de [bedrijf 2]. Aan de vordering onder C) legt [eisers] ten grondslag dat de geopende parasols onrechtmatige hinder veroorzaken.

3.3.

[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagden] vordert  samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk,

A) [eisers] zal veroordelen tot het voorzien van de ramen in de zijmuur (muur -1-) van vaststaande en daadwerkelijk ondoorzichtige vensters, op last van een dwangsom;

B) [eisers] zal veroordelen tot het naar de eisen van goed en deugdelijk werk dichten van de gaten in de steunbeer van de scheidsmuur (muur -3-) en herstellen van de fundering van die scheidsmuur, op last van een dwangsom;

C) [eisers] zal veroordelen zich te onthouden van het inbalken in de scheidsmuur of het anderszins daarop bevestigen van zaken, op last van een dwangsom.

4.2.

[gedaagden] legt ten grondslag aan de vordering onder A) dat de huidige ramen niet voldoen aan artikel 5: 51 Burgerlijk Wetboek (BW) waarin is bepaald dat dergelijke ramen ondoorzichtig dienen te zijn. Aan de vordering onder B) legt [gedaagden] ten grondslag dat [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld door de steunbeer, die eigendom is van [gedaagden], te beschadigen. Aan de vordering onder C) legt [gedaagden] ten grondslag dat [eisers] moet worden veroordeeld tot het zich onthouden van het inankeren van de scheidsmuur om meer problemen met muur 3 te voorkomen.

4.3.

[eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

[gedaagden] betoogt in de eerste plaats dat [eisers] niet-ontvankelijk is in zijn vordering aangezien de dagvaarding een obscuur libel is. Dit wordt volgens [gedaagden] veroorzaakt doordat in de dagvaarding verwezen wordt naar een concept-dagvaarding, die als productie is overgelegd. Van een obscuur libel is sprake als de dagvaarding zodanig onduidelijk en/of tegenstrijdig is dat het voor de gedaagde partij niet mogelijk is om zich te verdedigen. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval geen sprake. Dit verweer wordt dan ook gepasseerd.

Zwart geschilderde muur -1- en -2-

5.2.

[eisers] vordert dat muur -1- en -2- worden hersteld in de oude toestand. Volgens [eisers] heeft [gedaagden] onrechtmatig gehandeld door zonder toestemming de muren die in eigendom zijn van [eisers] zwart te schilderen. [eisers] heeft hier last van aangezien de zwarte kleur van de muren extra warmte veroorzaakt in de [bedrijf 2].

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat de muren in eigendom toebehoren aan [eisers] Artikel 5: 1 BW bepaalt dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. In beginsel is het onrechtmatig in de zin van artikel 6: 162 BW om inbreuk te plegen op een eigendomsrecht. De onrechtmatigheid wordt door [gedaagden] evenwel betwist.

5.4.

[gedaagden] voert in de eerste plaats als verweer dat [eisers] toestemming heeft gegeven voor het schilderen van de muur. Dit wordt door[eisers] weersproken. [eisers] heeft op de zitting verklaard dat hij in 2009 heeft medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen het schilderen van de daklijsten. Deze mededeling zag nadrukkelijk niet op de muur, aldus nog steeds [eisers]. [gedaagden] heeft hier slechts tegenover gesteld dat het zijn woord is tegen dat van [eisers]. Hiermee heeft [gedaagden] in onvoldoende mate gesteld dat [eisers] toestemming zou hebben gegeven voor het zwart schilderen van de muren. Dit verweer slaagt dus niet.

5.5.

Voorts voert [gedaagden] aan dat het zwart schilderen niet als onrechtmatig kan worden bestempeld, aangezien dit een verbetering van de muur ten gevolge heeft gehad. Volgens [gedaagden] handelde [eisers] zelf onrechtmatig door de matige staat van de muren onveranderd te laten. Er was namelijk, aldus [gedaagden], sprake van zoutuitslag, slecht voegwerk en van graffiti. [gedaagden] heeft de muur met speciaal voor muren geschikte verf geschilderd, zodat deze muur is verbeterd ten opzichte van de oude situatie. [eisers] betwist dat de muur in slechte staat zou verkeren. Volgens [eisers] zag de muur er niet slecht uit en was het een gewone bakstenen muur. Hier tegenover heeft [gedaagden] geen nadere feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat de staat van de muur matig was, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. [gedaagden] heeft bijvoorbeeld geen foto’s overgelegd waaruit dat zou kunnen blijken. Noch heeft [gedaagden] zijn standpunt onderbouwd door het overleggen van correspondentie gericht aan [eisers] met de strekking dat de staat van de muur zodanig was dat [eisers] daar verandering in diende te brengen. [gedaagden] heeft mitsdien onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen die zijn stelling dat de muur in slechte staat verkeerde kunnen dragen, zodat het verweer op het ontbreken van onrechtmatigheid niet op gaat. Gezien het bovenstaande faalt het beroep van [gedaagden] op misbruik van bevoegdheid door [eisers] eveneens.

5.6.

In voldoende mate staat derhalve vast dat er geen toestemming is gegeven voor het schilderen van de muur (-1- en -2-), terwijl dit evenmin heeft geleid tot een noodzakelijke verbetering van de muur. Dat heeft tot gevolg dat door het schilderen van de muur inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers], zodat dit onrechtmatig is ten opzichte van [eisers]

5.7.

Het betoog van [gedaagden] dat er geen sprake is van schade, omdat niet is bewezen dat de zwarte muren meer warmte veroorzaken, gaat evenmin op. [eisers] heeft gemotiveerd gesteld dat de zwarte muren voor meer warmte zorgen en dat dat bezwaarlijk is voor hem, omdat achter muur -2- een vriesinstallatie staat en aangezien [eisers] de ruimte vaak moet koelen. Om die reden heeft hij een airco-installatie en zet hij in de zomer het dak soms onder water om de ruimte te koelen. [gedaagden] stelt hier slechts tegenover dat de kleur zwart of donkerrood geen verschil uitmaakt in warmte-ontwikkeling. Deze betwisting is onvoldoende tegenover de gemotiveerde stelling van [eisers] heeft derhalve voldoende belang bij zijn vordering.

5.8.

Tenslotte heeft [gedaagden] aangevoerd dat het onduidelijk is wat er wordt bedoeld met ‘de oude toestand’. [eisers] heeft in dat verband naar voren gebracht dat het een gewone bakstenen muren betreft en dat de toestand gemakkelijk kan worden aangetoond aangezien daar foto’s van zijn. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat niet kan worden gezegd dat ‘de oude toestand’ ondefinieerbaar is. Daarbij speelt een rol dat ook [gedaagden] zelf beschikt over foto’s, aangezien [gedaagden] als producties 3, 4 en 6 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie foto’s heeft overgelegd waarop (in ieder geval) een gedeelte van de muur in oude toestand te zien is.

5.9.

Bovenstaande leidt tot de slotsom dat [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld door muur -1- en -2- zwart te schilderen, zodat de vordering van [eisers] strekkende tot herstel van deze muren in de oude toestand zal worden toegewezen evenals de gevorderde dwangsom.

Gehengen en gedogen aanpassingen opbouw

5.10.

[eisers] vordert voorts dat [gedaagden] zal worden veroordeeld tot het gehengen en gedogen van de noodzakelijke aanpassingen die verricht moeten worden met betrekking tot de opbouw van [eisers] heeft deze vordering ingesteld omdat hij verwacht dat [gedaagden] procedurele barrières zal gaan opwerpen als [eisers] werkzaamheden gaat verrichten om de opbouw te realiseren. [gedaagden] heeft naar voren gebracht dat de vordering niet nodig is aangezien hij zich zal houden aan de wet. Fritz heeft op de zitting in dat verband verklaard dat hij door [eisers] geïnformeerd dient te worden door het aan hem ter beschikking stellen van een Veiligheids- en Gezondheidsplan (VNG plan) met betrekking tot de voorgenomen bouwwerkzaamheden.

5.11.

In artikel 5: 56 BW staat dat wanneer het voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een onroerende zaak noodzakelijk is om van een andere onroerende zaak tijdelijk gebruik te maken, de eigenaar van deze zaak gehouden is dit na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling toe te staan, tenzij er voor deze eigenaar gewichtige redenen bestaan dit gebruik te weigeren of tot een later tijdstip te doen uitstellen. De rechtbank stelt vast dat [gedaagden] reeds voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden hogere eisen stelt aan de wijze waarop de kennisgeving zou moeten geschieden dan uit genoemde wettelijke bepaling voortvloeit. Het is immers niet juist dat van een behoorlijke kennisgeving, zoals genoemd in artikel 5: 56 BW, slechts sprake zou kunnen zijn als een VNG plan (dat is gebaseerd op het Arbeidsomstandighedenbesluit) wordt overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit gegeven, in samenhang bezien met de gespannen verhouding tussen partijen, tot gevolg heeft dat [eisers] belang heeft bij toewijzing van de vordering, zodat het verweer dat deze vordering ‘niet nodig’ is wordt verworpen. De gevorderde dwangsom zal evenwel niet worden toegewezen in verband met de toezegging van [gedaagden] dat hij zich zal houden aan de wet, zodat daar vooralsnog vanuit gegaan dient te worden.

6 De beoordeling in conventie en in reconventie

6.1.

Gelet op de samenhang en onderlinge verwevenheid van de vorderingen die betrekking hebben op het verwijderen van de parasols (in conventie) en het laten plaatsen van ondoorzichtige ramen in muur -1- (in reconventie) zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk beoordelen.

Verwijderen parasols en doorzichtige vensters, muur -1-

6.2.

[eisers] vordert dat [gedaagden] zal worden veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden van geopende parasols binnen een afstand van 2 meter van de erfafscheiding. De grondslag die door [eisers] wordt aangevoerd is onrechtmatige hinder. Deze hinder bestaat uit de vermindering van lichtinval en uit het tikken van de parasols tegen de ramen en het fladderen van de stof, waardoor zowel lawaai wordt veroorzaakt als plotselinge fladderbewegingen. Dit leidt de werknemers van [eisers] - die daar ook vaak van schrikken - af, aldus [eisers]

6.3.

[gedaagden] bestrijdt dat door de geopende parasols hinder wordt veroorzaakt. Voorts voert [gedaagden] aan dat zijn privacy geschonden wordt doordat de ramen niet ondoorzichtig zijn. Om die reden vordert [gedaagden] in reconventie dat [eisers] zal worden veroordeeld tot het plaatsen van ondoorzichtige vensters zoals bedoeld in artikel 5: 51 BW.

6.4.

Over de feitelijke situatie overweegt de rechtbank het volgende. [gedaagden] heeft erkend dat de parasols soms inderdaad open gezet worden vlak voor de ramen van de [bedrijf 2] van [eisers] Vanuit de [bedrijf 2], die lager ligt dan de tuin van [gedaagden], heeft de rechter geconstateerd dat als de parasols geopend worden, er een verschil is waar te nemen ten opzichte van de situatie dat de parasols ongeopend zijn, aangezien er dan een groter oppervlakte met een donkerblauwe achtergrond ontstaat, zoals is te zien op de foto’s op bladzijde 3 en 4 van het proces-verbaal. Op de zitting heeft [eisers] een filmpje getoond waarop de flapperende parasols vanuit de [bedrijf 2] waarneembaar waren. [gedaagden] heeft niet weersproken dat dat een waarheidsgetrouwe opname vormt. De rechter heeft op dat filmpje waargenomen dat sprake was van gefladder door de stof van de parasols voor en tegen de ramen. Voorts heeft de rechter vanuit de [bedrijf 2] [gedaagden] door de ramen

- die zijn voorzien van gebobbeld en niet doorzichtig glas - gezien als vage contouren, toen zij op haar verzoek bezig waren met het openklappen van de parasols. De woning van [gedaagden] was niet waarneembaar vanuit de [bedrijf 2].

6.5.

Artikel 5: 37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6: 162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun. Of er sprake is van onrechtmatige hinder is afhankelijk van de ernst en duur daarvan en de daardoor veroorzaakte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.

6.6.

Artikel 5: 51 BW bepaalt dat in muren steeds lichtopeningen mogen worden gemaakt, mits zij van vaststaande en ondoorzichtige vensters worden voorzien. De ratio van dit artikel is gelegen in de bescherming van de visuele privacy.

6.7.

De rechtbank oordeelt als volgt. In voldoende mate staat vast, gezien de stellingen en hetgeen door de rechter is waargenomen ter plaatse, dat de geopende parasols hinder tot gevolg hebben in de zin van verminderde lichtinval, getik en gefladder. Deze hinder is onrechtmatig. Daarbij is van belang dat in de [bedrijf 2] werknemers aan het werk zijn die door de geopende parasols gestoord worden. Met een relatief weinig ingrijpende maatregel zou deze hinder kunnen worden vermeden. De geopende parasols zullen immers geen hinder veroorzaken als zij verder van het raam (in muur -1-) worden geplaatst. Niet gesteld of gebleken is dat dat niet mogelijk zou zijn, zeker nu in dit gedeelte van de tuin van [gedaagden] geen zitje aanwezig is. Schending van de privacy van [gedaagden] is anderzijds weliswaar gesteld, maar in onvoldoende mate gebleken. Hierbij is van belang dat het glas niet doorzichtig is, maar gebobbeld. Om die reden zijn personen die zich achter het raam bevinden slechts waar te nemen als vage contouren. Verder is het hoogteverschil tussen de [bedrijf 2] en de tuin van belang. Hierdoor is het zicht namelijk in die zin beperkt dat alleen waarneembaar is wat zich vlak voor het raam afspeelt. Deze twee elementen hebben tot gevolg dat alleen als [gedaagden] vlak voor de ramen staat - en zich dus zou bevinden aan de rand van zijn eigen (zij)tuin - er een vage contour zichtbaar is. De rechtbank is daarom van oordeel is dat de ramen voldoen aan het door de wet gestelde criterium van ondoorzichtigheid. Niet in geschil is dat de ramen vaststaand zijn. Dat betekent dat de vordering van [gedaagden] in reconventie bij gebreke aan wettelijke grondslag zal worden afgewezen. De vordering van [eisers] in conventie wordt toegewezen, in die zin dat de parasols slechts zodanig geplaatst mogen worden dat de afstand tussen muur -1- en de parasol(s) tenminste 1 meter dient te bedragen. De rechtbank zal hieraan, zoals gevorderd, een dwangsom verbinden die wordt gemaximeerd, zoals hierna vermeld. Nu de vordering wordt toegewezen op grond van onrechtmatige hinder behoeft het beroep van [eisers] op artikel 5: 50 lid 4 BW, alsmede het daartegen gerichte verweer, geen bespreking meer.

6.8.

[gedaagden] heeft ter ondersteuning van zijn vordering dat er ondoorzichtige ramen geplaatst dienen te worden nog naar voren gebracht dat hij tevens hinder ondervindt van het licht dat uit de [bedrijf 2] komt. Nu 5: 51 BW is geschreven ter bescherming van privacy kan dit argument [gedaagden] niet baten. Ook maakt het de hierboven weergegeven overweging met betrekking tot de door [eisers] gestelde hinder niet anders, aangezien [gedaagden] het licht vanuit de [bedrijf 2] eveneens kan afschermen als hij de parasols verder van de [bedrijf 2] plaatst.

7 De verdere beoordeling in reconventie

Dichten van gaten in steunbeer, muur -3-

7.1.

Voorts vordert [gedaagden] dat [eisers] wordt veroordeeld tot het dichten van de gaten die hij heeft aangebracht in de steunbeer alsmede tot het herstellen van de fundering van muur -3-. [gedaagden] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de steunbeer door natrekking tot zijn eigendom toebehoort, terwijl hij geen toestemming heeft gegeven voor het doorboren daarvan. Volgens [gedaagden] heeft [eisers] tevens een deel van de fundering af laten breken. Deze handelingen hebben de muur verzwakt. De handelingen van [eisers] zijn onrechtmatig, aldus nog steeds [gedaagden]

7.2.

[eisers] betwist dat de steunbeer in eigendom toebehoort aan [gedaagden] en stelt zich op het standpunt dat de steunbeer mandelig is. [eisers] weerspreekt dat hij de fundering heeft aangetast.

7.3.

Artikel 5: 62 lid 1 BW bepaalt, voor zover van belang, dat een vrijstaande scheidsmuur gemeenschappelijk eigendom en mandelig is, indien de grens van twee erven die aan verschillende eigenaars toebehoren er in de lengterichting onderdoor loopt. [gedaagden] heeft op de zitting aangegeven dat de betonnen fundering van de muur onder de steunbeer en onder de muur ligt. De muur alsmede de steunberen en de fundering beschouwt de rechtbank, nu ook door partijen niet anders is betoogd, als één geheel. Tussen partijen is niet in geschil dat de erfgrens evenwijdig loopt aan de buitenkant van de muur, in die zin dat de muur volledige op grond staat die in eigendom is van [gedaagden] Nu de fundering onder de muur en de steunberen (op grond in eigendom van [eisers]) ligt loopt de erfgrens dus onder de fundering door. Dat betekent dat de muur (en daarmee de steunberen) mandelig is in de zin van bovengenoemd artikel, zodat er sprake is van gemeenschappelijk eigendom en niet van natrekking in de zin van artikel 5: 20 lid 1 onder e BW. Van inbreuk op het eigendomsrecht, zoals [gedaagden] stelt, is derhalve geen sprake. Voor het geval [gedaagden] zijn vordering heeft willen baseren op artikel 5: 67 lid 1 BW, het toebrengen van nadeel aan een mandelige muur, geldt het volgende.

7.4.

Artikel 5: 67 lid 1 BW bepaalt dat iedere mede-eigenaar tegen de mandelige scheidsmuur mag aanbouwen en daarin tot op de helft der dikte balken, ribben, ankers en andere werken mag aanbrengen, mits hij aan de muur en aan de door de muur bevoegdelijk daarmee verbonden werken geen nadeel toebrengt. In verband met dat nadeel betoogt [eisers] dat er geen sprake is van verzwakking van de muur door het aanbrengen van de leidingen in de steunbeer. [eisers] onderbouwt dit door overlegging van een e-mail van de bouwadviseur [naam 1], die met zoveel woorden naar voren brengt dat de muur niet is verzwakt door het aanbrengen van de leidingen in de steunbeer. [gedaagden] heeft de inhoud van deze e-mail van [naam 1] niet weersproken. [gedaagden] heeft wel gewezen op scheurtjes in de muur ter hoogte van de koelinstallatie. [eisers] heeft anderzijds gewezen op het bestaan van scheurtjes en barsten in ook het overige deel van de muur, hetgeen ook door de rechter is waargenomen. Dit betekent dat [gedaagden], gezien tegen de achtergrond van de e-mail van [naam 1], onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat er nadeel is toegebracht aan de muur door Reinder c.s. [gedaagden] kan de vordering tot het dichten van de gaten in de steunbeer derhalve evenmin doen steunen op artikel 5: 67 lid 1 BW.

7.5.

Tenslotte geldt dat [eisers] heeft betwist dat in zijn opdracht aanpassingen zouden zijn verricht aan de fundering van de muur. Deze betwisting wordt onderbouwd door de brief van [bedrijf 3] van 22 januari 2013. [gedaagden] heeft de inhoud van deze brief niet weersproken, zodat de rechtbank uit zal gaan van de stelling van [eisers]

7.6.

Dit leidt tot de slotsom dat de vordering van [gedaagden] wordt afgewezen.

Onthouden van inbalken in de scheidsmuur, muur -3-

7.7.

Tenslotte vordert [gedaagden] dat [eisers] zich dient te onthouden van het inbalken of inankeren van zaken in de scheidsmuur. [gedaagden] baseert deze vordering op bouwplannen van [eisers] [gedaagden] beschikt over bouwtekeningen die behoren bij de bouwaanvraag waaruit zou blijken dat de koelinstallatie zal worden overkapt en dat deze overkapping tegen de muur zal worden aangebracht. [eisers] heeft op de comparitie van partijen verklaard dat deze overkapping de muur niet zal raken en dat het dak zwevend zal blijven. De overkapping zal niet worden verbonden met de muur, aldus [eisers]. Nu [gedaagden] daar vervolgens geen andersluidende informatie tegenover heeft gesteld, gaat de rechtbank daarvan uit. Dat heeft tot gevolg dat deze vordering eveneens zal worden afgewezen.

8 De beoordeling van de proceskosten

in conventie

8.1.

[gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eisers] in conventie. Deze proceskosten bedragen in totaal
€ 1.267,59 en bestaan uit:

-€ 267,00 aan griffierecht;

-€ 96,59 kosten van de dagvaarding;

-€ 904,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 452,00)

in reconventie

8.2.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eisers] in reconventie. Deze proceskosten bestaan uit € 452,00 aan salaris advocaat (1 punt x € 452,00)

9 De beslissing

De rechtbank

in conventie

9.1.

veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, om binnen acht weken na betekening van dit vonnis de zwart geschilderde muur (-1- en -2-) te herstellen in de oude toestand op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [gedaagden] nalatig blijft met een maximum van € 50.000,00;

9.2.

veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, tot het gehengen en gedogen van de noodzakelijke aanpassingen die verricht moeten worden met betrekking tot de opbouw van [eisers];

9.3.

veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, tot het verwijderen en verwijderd houden van (geopende) parasols zodanig dat de afstand tussen de erfafscheiding en enig deel van de parasol(s) steeds tenminste 1 meter bedraagt, zulks onder verbeurte van een dwangsom van
€ 500,- per keer dat [gedaagden] deze veroordeling niet nakomt, met een maximum van
€ 10.000,-;

9.4.

veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.267,59;

9.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

9.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

9.7.

wijst het gevorderde af;

9.8.

veroordeelt [gedaagden], hoofdelijk, in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 452,00;

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2013.1

1 type: coll: