Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6534

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
AMS 12-4099
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ghanese moeder met inwonende, minderjarige Nederlandse zoon.

Weigering bijstandsuitkering. Rechtstreeks verblijfsrecht? Arresten Zambrano en Dereci. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 augustus 2013. Rol IND.

Opdracht tot nieuw besluit, onder het treffen van een voorlopige voorziening.

In zijn uitspraak van 9 augustus 2013 heeft de Afdeling geoordeeld dat in een Zambrano/Dereci-situatie sprake is van een verblijfsrecht van rechtswege. De Afdeling heeft daarin het oordeel van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2012 gevolgd.

Daaraan heeft de Afdeling toegevoegd, dat het dan naar nationaal recht gaat om een verblijfsrecht als bedoeld onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw 2000.

Een vreemdeling die in het bezit is van een dergelijke verblijfstitel, heeft - indien de overige omstandigheden dat rechtvaardigen - recht op een WWB-uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Het door verweerder al dan niet erkennen van het verblijfsrecht in een geval waarin feitelijk sprake is van een Zambrano/Dereci-situatie, zou dan tot een verschil in aanspraken leiden waarvoor juridisch geen rechtvaardiging is gegeven. Onder die omstandigheden kon en kan verweerder niet in het midden laten of sprake is van een verblijfsrecht of niet.

In de Koppelingswet is vastgelegd dat de aanspraken op uitkeringen de vreemdelingrechtelijke status volgen. Die status wordt niet vastgelegd door verweerder, maar door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, c.q. de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

In dat licht is begrijpelijk dat verweerder niet op eigen gezag heeft willen concluderen tot een verblijfsrecht van rechtswege voor eiseres. Verweerder had dan echter de aanvraag van eiseres niet mogen afwijzen zonder voorafgaand contact met de IND.

Van de zijde van eiseres is ter zitting met nadruk gewezen op de moeilijke financiële positie van eiseres. Gelet daarop, en gegeven de vernietiging van het bestreden besluit, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb gebruik te maken van haar bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening, bestaande uit continuering van de op 8 mei 2013 tussen partijen overeengekomen regeling, waarbij eiseres in aanmerking is gebracht voor een aanvullende uitkering, zodanig dat het totale door verweerder te verschaffen gezinsinkomen het bedrag van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder is, ook op en na 22 augustus 2013 tot zes weken nadat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/4099

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te[woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E.C. Gelok,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Mulders.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toe te kennen, omdat eiseres geen verblijfstitel heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat.

Bij besluit van 13 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Ter zitting is gesproken over de in de maand mei te verwachten uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over de vraag of in een zogeheten “Zambrano-situatie” (waarin eiseres stelt te verkeren) vreemdelingenrechtelijk bezien sprake is van een rechtstreeks verblijfsrecht. Partijen hebben ermee ingestemd de behandeling van de zaak voor korte tijd, tot 22 augustus 2013, aan te houden. Daarbij is onderling overeengekomen dat eiseres voor de beperkte periode tot aan die nieuwe zittingsdatum in aanmerking wordt gebracht voor een niet terugvorderbare bijstandsuitkering tot een totaalbedrag voor eiseres en haar zoon van het niveau van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder. Voorts is besproken dat beide partijen contact opnemen met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de visie van de staatssecretaris op de verblijfsrechtelijke positie van eiseres.

De rechtbank heeft de zaak ter nadere zitting behandeld op 22 augustus 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres is tevens bijgestaan door de door haar meegenomen Engelse tolk E.M. Pennings. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.

feiten en omstandigheden

Eiseres bezit de Ghanese nationaliteit. Haar inwonende zoon,[belanghebbende], is geboren op [2002]. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit.

Hangende een vreemdelingrechtelijke procedure heeft eiseres een procedureel verblijfsrecht in Nederland. Deze procedure heeft tot onderwerp een door eiseres gesteld, in het Unierecht geworteld verblijfsrecht.

2.

wettelijk kader

2.1.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van het tweede lid wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet (Vw) (http://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/Hoofdstuk3/Afdeling1/Artikel8/geldigheidsdatum_28-08-2013)2000 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/Hoofdstuk3/Afdeling1/Artikel8/geldigheidsdatum_28-08-2013), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG (http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk2/22/Artikel11/geldigheidsdatum_28-08-2013/toon_popup_eurdocument_32004L0038).

2.2.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Op grond van het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk2/22/Artikel11/geldigheidsdatum_28-08-2013).

2.3.

Op grond van artikel 8 van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

2.4.

Op grond van artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) wordt er een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

3.

standpunten van partijen

3.1.

Verweerder heeft zich – samengevat weergegeven – in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet de Nederlandse nationaliteit bezit en ook niet met een Nederlander gelijk is gesteld zodat zij op grond van artikel 11 van de WWB geen recht heeft op een bijstandsuitkering. Eiseres mag vooralsnog in Nederland verblijven, maar dat betekent niet dat zij beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Hetzelfde geldt ten aanzien van het beroep ten aanzien van artikel 20 van het VWEU in samenhang met de zaak Ruiz-Zambrano. Artikel 16, tweede lid, van de WWB staat in de weg aan verlening van bijstand, ook indien sprake zou zijn van zeer dringende redenen.

Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat ook het arrest Dereci aan verlening van bijstand in de weg staat. Door de weigering van bijstand wordt eiseres niet gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten. Haar zoon ontvangt een zogeheten ¨baby-uitkering¨, en eiseres kan mogelijk in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de woonkosten indien zij die aanvraagt.

Ter zitting van 22 augustus 2013 heeft verweerder daaraan toegevoegd dat dit standpunt ook geldt indien wordt uitgegaan van een rechtstreeks verblijfsrecht op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2012 met ECLI-nummer ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173 (hierna: de uitspraak van de Raad) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 augustus 2013 met ECLI-nummer ECLI:NL:RVS:2013:725 (hierna: de uitspraak van de Afdeling).

3.2.

Eiseres stelt dat de vader van haar zoon het gezin reeds in 2006 heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken. Er is geen sprake van contact tussen eiseres en haar zoon enerzijds en de vader van haar zoon anderzijds. Dit is door verweerder niet betwist.

Eiseres heeft dan een verblijfsrecht dat rechtstreeks uit artikel 20 van het VWEU voortvloeit. Het is aan verweerder om daarover zelfstandig een oordeel te vormen. Eiseres heeft recht op een bijstandsuitkering nu zij geen middelen heeft om in haar bestaan te voorzien. Eiseres verwijst naar de uitspraken van de Raad en de Afdeling.

Omdat sprake is van een rechtstreeks verblijfsrecht, leidt de toetsing aan het arrest Dereci niet alsnog tot een ander oordeel, aldus de gemachtigde van eiseres.

4.

inhoudelijke beoordeling

4.1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

4.2.   In het arrest Ruiz Zambrano (te vinden op http://curia.europa.eu onder nummer C-34/09) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) het volgende voor recht verklaard:

“Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert, aangezien dergelijke beslissingen de betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzeggen. Er is namelijk van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In die omstandigheden zullen bedoelde burgers van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen¨.

4.3.

In het nadien gewezen arrest Dereci (gewezen op 15 november 2011, te vinden op http://curia.europa.eu onder nummer C-256/11), heeft het Hof een nadere uitleg gegeven van het arrest Ruiz Zambrano. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van unieburger ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten. Het gaat daarbij om een criterium van zeer bijzondere aard dat ziet op gevallen waarin uitzonderlijk geen verblijfsrecht kan worden ontzegd aan een staatsburger van een derde land die lid is van de familie van een staatsburger van een lidstaat, omdat anders de nuttige werking zou worden ontnomen aan het burgerschap van de Unie dat deze laatste staatsburger toekomt.

Dit loopt niet vooruit op de vraag of vanwege het recht op bescherming van het familie- en gezinsleven, een verblijfsrecht niet geweigerd mag worden. Op die vraag moet worden ingegaan in het kader van de bepalingen inzake de bescherming van de grondrechten.

4.4.

Op 1 juni 2012 heeft deze rechtbank een viertal uitspraken gewezen in zaken waarin de arresten Zambrano en Dereci een rol speelden. In één van die zaken was verweerder partij. Het gaat dan om de uitspraak die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBAMS:2012:BW8488. Daarin is overwogen dat uit de arresten Ruiz Zambrano en Dereci niet een rechtstreeks verblijfsrecht voor de betrokken derdelander, ouder van een unieburger, voortvloeit. Naar het oordeel van de rechtbank diende de vraag te worden beantwoord of het besluit van verweerder in die zaak ertoe leidt dat de kinderen (Unieburgers) feitelijk zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank kon niet worden gezegd dat de weigering om aan eiseres bijstand te verlenen ertoe zou leiden dat de kinderen van eiseres zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun moeder te volgen. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat de bijstandsuitkering die de kinderen ontvingen toereikend moet worden geacht om zelfstandig in hun bestaan te kunnen voorzien.

4.5.

In zijn uitspraak van 17 december 2012 heeft de Raad overwogen dat gelet op de arresten Zambrano en Dereci uit artikel 20 van het VWEU voor de derdelander ouder een rechtstreeks verblijfsrecht voortvloeit, afgeleid van het verblijfsrecht van het kind dat Unieburger is, indien het kind zich bevindt in een situatie als in genoemde arresten bedoeld. Naar het oordeel van de Raad lag het op de weg van de betrokken uitkeringsinstantie om in overleg met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te onderzoeken of betrokkene aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht hier te lande kon ontlenen.

Ook heeft de Raad overwogen dat het niet gaat om de beantwoording van de vraag of de weigering om aan appellante uitkering toe te kennen tot gevolg heeft dat het kind wordt verplicht het grondgebied van Nederland of de Unie als geheel te verlaten, maar primair hierom of de weigering om appellante hier te lande verblijf toe te staan, met zich brengt dat het kind, burger van de Unie, geen andere keus heeft dan met appellante, staatsburger van het derde land, buiten de Unie te verblijven. Daaraan heeft de Raad toegevoegd dat in het licht van het arrest Ruiz Zambrano het nuttig effect van de status van de burger van de Unie met zich meebrengt dat de ouder die het verblijfsrecht toekomt, ook over voldoende bestaansmiddelen moet kunnen beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin.

Tegen deze uitspraak is cassatieberoep ingesteld, waardoor deze uitspraak nog niet definitief is.

4.6.

Na de uitspraak van de Raad heeft de Afdeling in haar uitspraak van 9 augustus 2013 met ECLI-nummer ECLI:NL:RVS:2013:725 overwogen dat, indien de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie feitelijk wordt gedwongen met de burger van het derde land het grondgebied van de Unie te verlaten, aangenomen moet worden dat het recht van burgers van derde landen om onder de in de arresten Ruiz Zambrano en Dereci bedoelde omstandigheden bij hun kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, te verblijven op het grondgebied van de lidstaten rechtstreeks voortvloeit uit artikel 20 van het VWEU. Daarbij heeft de Afdeling uitdrukkelijk verwezen naar de uitspraak van de Raad van 17 december 2012.

Bij uitspraak van 22 augustus 2012 heeft de Afdeling in vergelijkbare zin geoordeeld in de vreemdelingenzaak van eiseres.

4.7.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat in een Zambrano/Dereci-situatie sprake is van een rechtstreeks verblijfsrecht. Ook de rechtbank gaat daarvan uit, gelet op de uitspraken van zowel de Raad als van de Afdeling.

4.8.

Partijen zijn wel verdeeld over de consequenties die de aanname van een rechtstreeks verblijfsrecht in een Zambrano/Dereci-situatie heeft voor de zaak van eiseres.

4.9.

Eiseres meent dat die aanname leidt tot de conclusie dat sprake is van een recht op bijstand, gegeven het feit dat eiseres de enige ouder is die voor de opvoeding zorgt, en de andere ouder uit beeld is.

Verweerder heeft een beroep gedaan op genoemde uitspraak van deze rechtbank van 1 juni 2012. Hij meent dat, ook indien van de door eiseres geschetste feitelijke situatie wordt uitgegaan, gevoegd bij de aanname van een rechtstreeks verblijfsrecht in een Zambrano/Dereci-situatie (anders dan is gedaan in de uitspraak van 1 juni 2012), toch het arrest Dereci aan verlening van bijstand in de weg staat in het geval van eiseres, gelet op de aan de zoon van eiseres toegekende baby-uitkering en de mogelijkheden voor bijzondere bijstand.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

4.10.

In het arrest Zambrano heeft het Hof gewezen op het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in het eigen onderhoud en in dat van het gezin voor de betrokken ouder.

In het arrest Dereci heeft het Hof overwogen dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van unieburger ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten.

De rechtbank begrijpt verweerder zo, dat met name het gebruik van de term ¨feitelijk¨ in deze overweging verweerder tot de conclusie brengt dat het al dan niet aanwezig zijn van een verblijfsrecht niet tot een andere uitkomst leidt in de situatie van eiseres. Voorts begrijpt de rechtbank verweerder zo, dat verweerder meent dat een feitelijke toets ook tot de conclusie leidt dat geen sprake is van een verblijfsrecht van rechtswege, omdat eiseres niet is verstoken van alle bestaansmiddelen en daarom door het bestreden besluit niet wordt gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten.

4.11.

In zijn uitspraak van 9 augustus 2013 heeft de Afdeling geoordeeld dat in een Zambrano/Dereci-situatie sprake is van een verblijfsrecht van rechtswege. De Afdeling heeft daarin het oordeel van de Raad van 17 december 2012 gevolgd.

Daaraan heeft de Afdeling bovendien toegevoegd, dat het dan naar nationaal recht gaat om een verblijfsrecht als bedoeld onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw 2000.

4.12.

Een vreemdeling die in het bezit is van een dergelijke verblijfstitel, heeft - indien de overige omstandigheden dat rechtvaardigen - recht op een WWB-uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Die norm is beduidend hoger dan die van de baby-uitkering die de zoon van eiseres ontvangt. Die conclusie geldt ook, zoals verweerder ter zitting ook heeft erkend, indien daaraan nog bijzondere bijstand voor woonkosten zou worden toegevoegd.

4.13.

Het door verweerder al dan niet erkennen van het verblijfsrecht in een geval waarin feitelijk sprake is van een Zambrano/Dereci-situatie, zou dan tot een verschil in aanspraken leiden waarvoor juridisch geen rechtvaardiging is gegeven.

Onder die omstandigheden kon en kan verweerder niet in het midden laten of sprake is van een verblijfsrecht of niet. Evenmin kon verweerder dan onder verwijzing naar de baby-uitkering of mogelijke bijzondere bijstand voor woonkosten concluderen dat geen sprake is van een Zambrano/Dereci-situatie. Voor de vraag of sprake is van voldoende bestaansmiddelen gelden immers andere criteria indien artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw 2000 van toepassing is, dan wanneer geen sprake is van rechtmatig verblijf.

4.14.

In de Koppelingswet is vastgelegd dat de aanspraken op uitkeringen de vreemdelingrechtelijke status volgen. Die status wordt niet vastgelegd door verweerder, maar door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, c.q. de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

In dat licht is begrijpelijk dat verweerder niet op eigen gezag heeft willen concluderen tot een verblijfsrecht van rechtswege voor eiseres. Verweerder had dan echter de aanvraag van eiseres niet mogen afwijzen zonder voorafgaand contact met de IND.

De rechtbank wijst er daarbij volledigheidshalve nog op, dat verweerder ook niet had kunnen volstaan met het aan eiseres vragen van een door de IND aan haar verstrekt bewijsmiddel van haar status. Daarover liep en loopt nu immers juist een vreemdelingenrechtelijke procedure. Een dergelijk verzoek zou zich ook niet verdragen met het karakter van een (mogelijk) verblijf van rechtswege, en eiseres zou bovendien mogelijk kosten moeten maken voor de verkrijging van een dergelijk bewijs.

4.15.

Verweerder heeft echter niet voor de afwijzing van de aanvraag, maar eerst twee dagen voor de laatste zitting contact gezocht met de IND, en nog geen reactie verkregen.

4.16.

Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en dat verweerder voorafgaand aan de afwijzing van de aanvraag onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de aanvraag van eiseres. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onder gegrondverklaring van het beroep.

4.17.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde medegedeeld dat zij de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2013 heeft voorgelegd aan de afdeling beleid binnen de Dienst werk en inkomen van verweerder, die zich beraadt over de gevolgen van die uitspraak voor de uitvoeringspraktijk.

De rechtbank zal verweerder de tijd gunnen voor dat nadere beraad, door verweerder op te dragen binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Verweerder kan in dat nieuwe besluit nieuwe inzichten betrekken, maar dat laat onverlet dat dat nieuwe besluit moet worden genomen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Daarnaast zal verweerder worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1416 (1 punt voor het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zitting, 1 punt = € 472, met een wegingsfactor 1). Tevens zal verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 42 aan haar dienen te vergoeden.

4.18.

Van de zijde van eiseres is ter zitting met nadruk gewezen op de moeilijke financiële positie van eiseres. Die positie heeft op de zitting van 8 mei 2013 geleid tot een regeling tussen partijen, waarbij eiseres tot de tweede zitting op 22 augustus 2013 in aanmerking is gebracht voor een aanvullende uitkering, zodanig dat het totale door verweerder te verschaffen gezinsinkomen het bedrag van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder is. Eiseres heeft ter zitting verweerder verzocht om voortzetting van die regeling hangende beroep, maar verweerder heeft daar niet in bewilligd.

4.19.

Gelet daarop, en gegeven de vernietiging van het bestreden besluit, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb gebruik te maken van haar bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening, bestaande uit continuering van de op 8 mei 2013 tussen partijen overeengekomen regeling ook op en na 22 augustus 2013 tot zes weken nadat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar heeft genomen.

Tekst

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    treft een voorlopige voorziening als hiervóór omschreven onder 4.19;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 42 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1416, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.T.A. Sukul, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.