Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6528

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
13-669055-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pogingen tot doodslag en zware mishandeling. Beschadiging politievoertuigen en veroorzaken van gevaar op de weg na wilde achtervolging op de Ringweg A-10. 4 jaar gevangenisstraf en 5 jaar OBM. Vorderingen benadeelde partij voor immateriële schade (deels) niet-ontvankelijk. Niet ieder geestelijk letsel levert een aantasting op in de persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/669055-13 (Promis)

Datum uitspraak: 4 oktober 2013

VONNIS

Van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA adres],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.C.S. van Limburg Stirum, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. W. Geurts, naar voren hebben gebracht.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 september 2013.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, kort samengevat, ten laste gelegd dat hij op 5 april 2013 Amsterdam zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. primair: poging tot doodslag, althans zware mishandeling van politieambtenaar [politieambtenaar 1]; subsidiair: mishandeling.

  2. primair: poging tot doodslag van politieambtenaren [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3]; subsidiair: zware mishandeling en/of poging tot zware mishandeling.

  3. poging tot doodslag, althans zware mishandeling, van politieambtenaren [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5].

  4. poging tot doodslag, althans zware mishandeling, van politieambtenaren [politieambtenaar 6] en [politieambtenaar 7].

  5. Vernielen of beschadigen van politievoertuigen.

  6. Gevaar op de weg veroorzaken.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 5 april 2013 te Amsterdam is verdachte staande gehouden door de politie. Na identificatie bleek dat verdachte gesignaleerd stond en werd hij aangehouden. Verdachte kreeg van de politie toestemming om nog iets uit zijn auto te pakken. Hij is vervolgens als bestuurder van zijn auto met een nog geopend portier weggereden. [politieambtenaar 1], de politieagent die op dat moment tussen het geopende portier en de auto van verdachte stond, heeft geroepen dat verdachte moest stoppen. Verdachte heeft daaraan geen gevolg gegeven. Politieagent [politieambtenaar 1] werd meegetrokken met de auto en kwam daarna ten val op het asfalt van de rijbaan. In de daarop volgende achtervolging op de Ringweg A-10 heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt en zijn meerdere politieauto’s door het rijgedrag van verdachte beschadigd, waarbij een van de betrokken politieauto’s zodanig door verdachte is aangereden dat deze auto is gecrasht tegen de vangrail. Door de politieagenten die verdachte hebben aangehouden, alsmede de bestuurders en bijrijders van de achtervolgende politievoertuigen is aangifte gedaan van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling.

Verdachte heeft bekend dat hij is gevlucht voor de politie. Volgens verdachte heeft hij niet gezien of gemerkt dat de politieagent werd meegetrokken door zijn auto en heeft hij evenmin gehoord dat de politieagent heeft geroepen dat hij, verdachte, moest stoppen. Over de achtervolging op de Ringweg A-10 heeft verdachte verklaard dat hij geen politievoertuigen heeft aangereden. Verdachte vond het rijgedrag van de politievoertuigen bedreigend. De politieagenten maakten met hun voertuigen bewegingen alsof zij de auto van verdachte wilde aanrijden en dat wilde verdachte vermijden.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir, het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde kan de poging tot zware mishandeling van politieambtenaar [politieambtenaar 1] worden bewezen. [politieambtenaar 1] is door de door verdachte bestuurde auto 20 meter meegesleurd. Verdachte wist dat [politieambtenaar 1] in de deuropening van zijn auto stond en uit verschillende verklaringen is duidelijk geworden dat [politieambtenaar 1] heeft geroepen dat hij moest stoppen. Door welbewust gas te geven op het moment dat [politieambtenaar 1] nog in de deuropening stond heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [politieambtenaar 1] zwaar lichamelijk letsel kon oplopen.

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde geldt dat verdachte zijn stuur bewust en moedwillig heeft omgegooid richting de auto’s van de betreffende politieambtenaren om die vervolgens te rammen. Bovendien reed verdachte telkens met zeer hoge snelheid en heeft hij meermalen geen gevolg gegeven aan de aanwijzingen van de politie en geprobeerd te ontkomen aan zijn aanhouding. Door zo te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door zijn rijgedrag een dusdanig ongeval zou kunnen plaatsvinden dat de bestuurders en bijrijders van de verschillende politieauto’s zouden kunnen komen te overlijden.

Van een situatie als bedoeld in het Porsche arrest1 is geen sprake. Het gaat in de onderhavige zaak namelijk niet om een verkeersmanoeuvre waarmee al dan niet de kans op een botsing op de koop toe wordt genomen. Verdachte heeft keer op keer naar links gestuurd in de richting van politieauto’s, en zelfs herhaaldelijk ertegenaan. Verdachte is niet aan te merken als een bestuurder die weliswaar met de kennelijke hoop op een goede afloop bewust een botsing op de koop toeneemt, maar als een bestuurder die een welbewuste manoeuvre uitvoert, waardoor hij onvermijdelijk tegen een ander voertuig aanbotst. Anders dan in het Porsche arrest kan ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde niet gezegd worden dat verdachte de botsing niet verwachtte en dat is een bepalend verschil.

Op basis van de verklaringen, zoals vermeld in het schriftelijke requisitoir, kunnen de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten worden bewezen. De 5 betrokken politieauto’s zijn door het handelen van verdachte beschadigd en verdachte heeft uitermate gevaarzettend gereden.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft als standpunt naar voren gebracht, onder verwijzing naar haar pleitnotities, dat de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten niet kunnen worden bewezen en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte niet heeft waargenomen dat aangever [politieambtenaar 1] hem of de deur van de auto vasthad. Nu uit het dossier onvoldoende blijkt dat [politieambtenaar 1] de deur vasthad op het moment dat verdachte wegreed, kan verdachte geen voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood, dan wel het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel. Bovendien heeft verdachte [politieambtenaar 1] niet opgemerkt en betwist hij dat er is geroepen dat hij moest stoppen. Nu het om een kwestie van seconden ging, is er volgens de raadsvrouw geen sprake van willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden op de dood, dan wel het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ten stelligste ontkent tegen politieagenten aangereden te hebben. In het geval de rechtbank van oordeel is dat verdachte de botsingen heeft veroorzaakt, dan acht de raadsvrouw het niet aannemelijk dat verdachte de kans op een aanrijding op de koop heeft toegenomen, terwijl hij wist dat hij ten gevolge van een botsing met de verbalisanten zelf ook aanzienlijk gevaar zou lopen. De raadsvrouw verwijst naar het Porsche arrest.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verbalisanten [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] in hun processen-verbaal niet spreken over het klemrijden van verdachte in de tunnel, terwijl juist van ambtenaren in functie mag worden verwacht dat een proces-verbaal volledig is en geen relevante gebeurtenissen worden weggelaten.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten acht de raadsvrouw het van belang dat onder meer de verbalisanten [politieambtenaar 8], [politieambtenaar 1], [politieambtenaar 5], [politieambtenaar 6], [politieambtenaar 7], [politieambtenaar 9], [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 10] aanwezig zijn geweest bij de ‘debriefing’. Hier is uitgebreid gesproken over alle gebeurtenissen van de betreffende avond en pas na deze ‘debriefing’ zijn de processen-verbaal van bevindingen opgemaakt. Hoewel de verbalisanten, gehoord als getuige bij de rechter-commissaris, allen de vraag van de officier van justitie of zij zijn beïnvloed door de ‘debriefing’ ontkennend hebben beantwoord, acht de raadsvrouw dit antwoord niet realistisch en in strijd met de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek, zoals vermeld in haar pleitnotities. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank rekening te houden met deze, al dan niet bewuste, beïnvloeding bij de beoordeling van de inhoud van de processen-verbaal en getuigenverklaringen.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

De bewijsmiddelen

De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop deze bewezenverklaring steunt, de overtuiging gekregen, en acht dan ook bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, zoals beschreven in rubriek 5. De rechtbank betrekt in haar nadere overwegingen de door de officier van justitie en de raadsvrouw aangevoerde standpunten.

4.4.2.

Nadere bewijsoverwegingen

4.4.2.1. De ‘debriefing’ en de verklaringen van de verbalisanten en aangevers

De raadsvrouw heeft een verweer heeft gevoerd ten aanzien van de ‘debriefing’ en de mogelijke invloed die deze debriefing heeft gehad op de inhoud van de processen-verbaal en getuigenverklaringen van verbalisanten. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de al dan niet onbewuste beïnvloeding van de verklaringen en processen-verbaal van de verbalisanten, opgesteld na de debriefing. Voor zover het verweer is bedoeld om de betrouwbaarheid van verklaringen dan wel bevindingen van de betrokken verbalisanten ter discussie te stellen overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de ‘debriefing’ waaraan de verbalisanten hebben deelgenomen tot doel had of ertoe heeft geleid dat de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen en de overige door de verbalisanten af te leggen verklaringen, op elkaar werden afgestemd. Een ‘debriefing’ als in de onderhavige zaak is bedoeld om te inventariseren welke verbalisanten bij een gebeurtenis zijn betrokken en om in algemene zin het verloop van zaken te bespreken en betrokkenen de gelegenheid te bieden emoties met elkaar te delen. Niet is gebleken dat de ‘debriefing’ in deze zaak een ander doel had. Ook overigens zijn geen aanwijzingen voorhanden dat de ‘debriefing’ de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten – ook niet onbewust – in negatieve zin heeft beïnvloed. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten te twijfelen.

4.4.2.2.

Voor zover door de raadsvrouw, ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, naar voren is gebracht dat de verbalisanten [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] in hun processen-verbaal niet spreken over het klemrijden van verdachte in de Zeeburgertunnel, terwijl juist van ambtenaren in functie mag worden verwacht dat een proces-verbaal volledig is en geen relevante gebeurtenissen worden weggelaten, overweegt de rechtbank dat dit verweer feitelijke grondslag mist nu deze verbalisanten in hun proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2013 (doorgenummerde pagina 20-21) van deze gebeurtenis melding hebben gemaakt. Ook hierin ziet de rechtbank dus geen reden de juistheid van de verklaringen van deze verbalisanten, ook niet ten aanzien van het tenlastegelegde, in twijfel te trekken.

4.4.2.2. De verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 september 2013 een verklaring afgelegd. Deze verklaring stemt in grote lijnen overeen met zijn eerder afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris op 16 juli 2013. Verdachte heeft bekend dat hij is gevlucht voor de politie, maar stelt dat hij niet heeft gezien of gemerkt dat politieagent [politieambtenaar 1] werd meegetrokken door zijn auto en dat hij evenmin heeft gehoord dat de politieagent [politieambtenaar 1] heeft geroepen dat hij moest stoppen. Over de achtervolging op de Ringweg A-10 heeft verdachte verklaard dat hij geen politieauto’s heeft aangereden. Niet verdachte, maar juist de politieagenten maakten met hun politievoertuigen bewegingen alsof zij de auto van verdachte wilden aanrijden en dat wilde verdachte vermijden. Verdachte was op de vlucht voor de politie en heeft op daartoe strekkende vragen van de rechtbank geen antwoord gegeven op de vraag wat hem er van weerhield om voor of na de Coentunnel te stoppen op de vluchtstrook. Volgens verdachte heeft tot aan de Zeeburgertunnel zelfs in het geheel geen aanrijding tussen zijn auto en een politieauto plaatsgevonden. Pas in de Zeeburgertunnel heeft één of twee keer een botsing plaatsgevonden, maar dat was de schuld van de politie, aldus steeds verdachte.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig en ziet geen enkele reden om te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisanten die op hoofdlijnen en essentiële onderdelen onderling overeenkomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte in een achtervolgingssituatie verkeerde en dat hij zich, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, aan zijn aanhouding wilde onttrekken.

4.4.2.3. Voorwaardelijk opzet

Voor de vraag of verdachte zich met zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel zware mishandeling van verbalisant [politieambtenaar 1] en de inzittenden van de politievoertuigen, te weten [politieambtenaar 2], [politieambtenaar 3], [politieambtenaar 4], [politieambtenaar 5], [politieambtenaar 6] en [politieambtenaar 7], kan de rechtbank uit de feiten en omstandigheden, zoals weergegeven in de bewijsmiddelen, niet afleiden dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling - en daarmee ‘boos’ opzet - had om de verbalisanten van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarom dient de rechtbank vast te stellen of er sprake is van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedragingen de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank zal in het navolgende ten aanzien van de afzonderlijke feiten bespreken of er sprake was van voorwaardelijk opzet bij verdachte.

4.4.2.4. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

Uit de verklaringen van de verbalisanten [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 8] volgt dat verdachte nadat hij was aangehouden, op zijn verzoek nog iets uit zijn auto mocht pakken. Verbalisant [politieambtenaar 1] is met verdachte meegelopen naar zijn auto en is in de deuropening gaan staan tussen de auto van verdachte en de voorportier aan de bestuurderszijde. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat een politieagent in de deuropening stond. Toen verdachte weg wilde rijden heeft [politieambtenaar 1] van schrik op een gegeven moment verdachte dan wel de portier van de auto van verdachte vastgepakt, zo volgt uit de verklaring van [politieambtenaar 1]. Zowel [politieambtenaar 1] als [politieambtenaar 8] hebben verklaard dat [politieambtenaar 1] heeft geroepen dat verdachte moest stoppen. Aan deze opdracht heeft verdachte geen gevolg gegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft gezien of gemerkt dat [politieambtenaar 1] werd meegetrokken door zijn auto en dat hij evenmin heeft gehoord dat [politieambtenaar 1] heeft geroepen dat hij moest stoppen. Zoals hiervoor onder 4.4.2.2. overwogen, acht de rechtbank deze verklaring, gelet op de verklaringen van de verbalisanten [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 8], niet geloofwaardig. De rechtbank acht daarbij tevens van belang dat [politieambtenaar 1] zich dichtbij verdachte bevond toen hij werd meegesleurd en dat de portier aan de bestuurderszijde bij het wegrijden nog steeds open stond.

Dat verdachte (snel accelerend) is weggereden terwijl politieagent [politieambtenaar 1] verdachte dan wel de auto vast had, en in het bijzonder dat hij dit is blijven doen óók toen [politieambtenaar 1] de snelheid van de auto niet langer kon bijbenen en, hangend aan de auto met zijn voeten over de weg werd meegesleept, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van lichamelijk letsel bij deze agent, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. De rechtbank overweegt dat de ervaring leert dat de kans op zwaar lichamelijk letsel onder die omstandigheden aanmerkelijk was. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet heeft gehad op het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel bij verbalisant [politieambtenaar 1].

Net als de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat voornoemde handelingen van verdachte niet met zich brengen dat hierdoor de aanmerkelijke kans zou bestaan dat [politieambtenaar 1] zou komen te overlijden. Daarom kan de poging tot doodslag niet worden bewezen. Hiervan wordt verdachte vrijgesproken.

4.4.2.6. Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

Uit de verklaringen van de verbalisanten [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3], welke lezing wordt ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten [politieambtenaar 9] en [politieambtenaar 11], volgt dat verbalisant [politieambtenaar 2] als bestuurder van zijn herkenbare politievoertuig, ten tijde van de achtervolging van verdachte onafgebroken optische en geluidssignalen voerde. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat hij werd achtervolgd door politievoertuigen en dat net voorbij de Coentunnel een politievoertuig naast hem reed. Verdachte heeft vervolgens als bestuurder van zijn auto, rijdende naast het politievoertuig van [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3], tot tweemaal toe met zijn auto naar links gestuurd en het politievoertuig geraakt. Bij de tweede keer is het politievoertuig zodanig hard geraakt dat het politievoertuig tegen de rimpelbuisopstakelbeveiliger crashte. Het al rijdend naar links sturen met een auto in de richting van het politievoertuig, terwijl de tussenliggende afstand ongeveer drie meter bedraagt en er met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur wordt gereden, is een gedraging die naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat de rijrichting/koers van het politievoertuig onverwachts dusdanig wordt beïnvloed dat het uit zijn baan raakt en bij een ongeluk met dodelijke afloop betrokken raakt. Genoemde gedraging is dan ook naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij de bestuurder en inzittende van het politievoertuig, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard.

Door de raadsvrouw is, onder verwijzing naar het Porsche arrest, aangevoerd dat in geval de rechtbank van oordeel is dat verdachte de botsing heeft veroorzaakt, het niet aannemelijk is dat verdachte de kans op een aanrijding op de koop heeft toegenomen, wetende dat hij door de botsing met het politievoertuig ook zelf aanzienlijk gevaar zou lopen. De rechtbank passeert dit verweer, ook voor zover het is aangevoerd ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde, en volgt hetgeen de officier van justitie hieromtrent in haar requisitoir naar voren heeft gebracht. In de onderhavige zaak gaat het niet om een verkeersmanoeuvre waarbij de kans op een mogelijke botsing al dan niet op de koop wordt toegenomen. Verdachte is immers steeds welbewust tegen het politievoertuig aangereden.

4.4.2.6. Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde

Nadat het politievoertuig van [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] was gecrasht hebben meerdere politievoertuigen de achtervolging voortgezet op de Ringweg A-10 Noord, waaronder de politievoertuigen van de verbalisanten [politieambtenaar 4]/[politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6]/[politieambtenaar 7]. Ook dit waren als zodanig herkenbare politievoertuigen, die ten tijde van de achtervolging van verdachte onafgebroken optische en geluidssignalen voerden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij nog steeds werd achtervolgd door politievoertuigen en dat deze politievoertuigen hem probeerden in te boksen dan wel in te sluiten. Dat heeft verdachte er echter niet van weerhouden om steeds met hoge snelheid door te rijden en onverwachte stuurbewegingen richting de voertuigen te maken die naast hem reden, waarbij de bestuurders van de politievoertuigen genoodzaakt waren om met hoge snelheden uit te wijken om botsingen te voorkomen. Zoals blijkt uit de verklaringen van voornoemde verbalisanten heeft verdachte de politievoertuigen ook geraakt. Door deze gedragingen heeft verdachte bewust het risico aanvaard dat de politievoertuigen van de weg zouden raken of ergens tegen aan zouden botsen en ten aanzien van de inzittenden van de politievoertuigen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op een aanrijding met dodelijke afloop. Dat zich echter niet een zodanig ongeval heeft voorgedaan is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde acht de rechtbank bewezen dat verdachte eenmaal opzettelijk tegen het politievoertuig van [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] is aangereden, te weten vóór de Zeeburgertunnel. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat de aanrijding in de Zeeburgertunnel tussen de auto van verdachte en het politievoertuig van [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] het gevolg is geweest van een stuurbeweging van verdachte en dat verdachte deze aanrijding dus eveneens opzettelijk heeft veroorzaakt. De verbalisanten [politieambtenaar 12], [politieambtenaar 6] en [politieambtenaar 7] hebben namelijk verklaard dat [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] probeerden verdachte klem te rijden en dat zij verdachte tegen de tunnelwand hebben gedrukt.

4.4.2.7. Ten aanzien van het 5 ten laste gelegde

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [politieambtenaar 13], de bestuurder van het politievoertuig met kenteken [kenteken A], volgt niet dat verdachte opzettelijk tegen dit voertuig is aangereden. Dit volgt evenmin uit een ander bewijsmiddel. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte dit politievoertuig opzettelijk heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

of 5 april 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 1], politieambtenaar, werkzaam gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde auto snel accelererend is weggereden, terwijl die [politieambtenaar 1] hem, verdachte, of die auto vast had, waardoor die [politieambtenaar 1] een aantal meters werd meegetrokken en ten val is gekomen.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde,

op 5 april 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3], belast met surveillance en met de achtervolging van hem, verdachte, en aldus werkzaam gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een door hem bestuurde auto en rijdende op de snelweg A-10 met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur tegen de politieauto waarin die [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] reden, is aangereden of gebotst.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

op 5 april 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5], belast met surveillance en met de achtervolging van hem, verdachte, en aldus werkzaam gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal met een door hem bestuurde auto en rijdende op de snelweg A-10 met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur tegen de politieauto waarin die [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] reden, is aangereden.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde,

op 5 april 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 6] en [politieambtenaar 7], belast met surveillance en met de achtervolging van hem, verdachte, en aldus werkzaam gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een door hem bestuurde auto en rijdende op de snelweg A-10 met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur tegen de politieauto waarin [politieambtenaar 6] en [politieambtenaar 7] reden, is gebotst.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde,

op 5 april 2013 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk

- een politievoertuig, een Volvo, kenteken [kenteken B] en

- een politievoertuig, een Volkswagen Touran, kenteken [kenteken C] en

- een politievoertuig, een Volkswagen Touran, kenteken [kenteken D] en

- een politievoertuig, een Volkswagen Golf, kenteken [kenteken E]

toebehorende aan de regiopolitie Amsterdam-Amstelland heeft beschadigd door telkens tegen bovengenoemde politievoertuigen aan te rijden.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde,

op 5 april 2013 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Ring A10, met hoge snelheden, te weten tussen de 100 kilometer per uur en 130 kilometer per uur, meerdere malen tegen politieauto's is aangereden of gebotst en veelvuldig onverwachts van rijstrook is gewisseld en over de vluchtstrook heeft gereden en meerdere auto's rechts heeft ingehaald, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voor het onder 6 bewezen geachte feit heeft zij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

Door toedoen van verdachte had één politieambtenaar zwaar letsel kunnen oplopen en hadden zes andere politieambtenaren kunnen komen te overlijden. Verdachte heeft door zijn gedragingen flink wat mensen de stuipen op het lijf gejaagd en hun levens ernstig in gevaar gebracht. Verdachte heeft onvoldoende tot geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en geeft anderen de schuld.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft als strafmaatverweer naar voren gebracht dat verdachte de in voorarrest doorgebrachte tijd als zwaar heeft ervaren. Voor verdachte is het behoud van zijn woning van belang, nu dit in belangrijke mate bijdraagt aan de structuur van zijn leven. Verdachte is sinds 2005 woonachtig in deze woning, heeft thans een huurachterstand en vreest zijn woning te verliezen als hij nog langer in detentie moet verblijven. Verdachte is het laatst in 2008 veroordeeld en de justitiële documentatie heeft niet betrekking op (gewelds)delicten, zoals thans ten laste gelegd. De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar haar pleitnotities, bepleit dat aan verdachte geen hogere straf dient te worden opgelegd dan een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en verzoekt de rechtbank, gelet op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, aan meerdere pogingen tot doodslag, aan het beschadigen van politieauto’s en het veroorzaken van gevaar op de weg. Verdachte heeft zich eerst onttrokken aan zijn aanhouding door snel weg te rijden waarbij een politieambtenaar werd meegetrokken en zich vervolgens tijdens een wilde achtervolging op de Ringweg A-10 schuldig gemaakt aan zeer gevaarzettend rijgedrag. De politieambtenaren probeerden verdachte tot stoppen te dwingen door in hun politievoertuigen voor, naast en achter verdachte te gaan rijden. Hierbij hebben de agenten gebruik gemaakt van stoptekens, sirenes en optische signalen. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden om vol gas door te rijden en onverwachte stuurbewegingen te maken richting de politievoertuigen die naast hem reden. De agenten waren daardoor genoodzaakt om met hoge snelheden uit te wijken om botsingen te voorkomen en hebben door het levensgevaarlijke rijgedrag van verdachte een aantal aanrijdingen niet kunnen voorkomen. Verdachte zijn handelen had zeer wel fatale gevolgen kunnen hebben en het is een wonder en zeker niet aan verdachte te danken dat bij de door hem ontketende achtervolging geen doden of ernstige gewonden zijn gevallen. Dergelijk gedrag is onaanvaardbaar en door zo te handelen heeft verdachte - naast angstgevoelens bij de agenten - de openbare (verkeers)veiligheid geschaad, wat leidt tot gevoelens van onrust in de samenleving.

Verdachte heeft er werkelijk alles aan gedaan om uit handen te blijven van de politie en heeft zich daarbij niet bekommerd om de veiligheid van anderen. Hij heeft met zijn handelen zijn eigen belangen voorop gesteld en geen enkel respect getoond voor het optredend gezag. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ook het feit dat de poging tot zware mishandeling en pogingen tot doodslag waren gericht tegen politieambtenaren, die zijn belast met de zware taak te zorgen voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid op straat, weegt de rechtbank mee. De rechtbank is daarom van oordeel dat oplegging van een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. Daarnaast acht de rechtbank een langdurige onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen passend en geboden, omdat verdachte de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar heeft gebracht. Verdachte heeft zich daarmee gediskwalificeerd als weggebruiker.

De rechtbank heeft verder bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 26 augustus 2013 eerder ter zake van verkeersovertredingen is veroordeeld. Verdachte heeft om hem moverende redenen niet meegewerkt aan onderzoeken van gedragsdeskundigen en de reclassering. Gelet daarop moet de rechtbank er van uitgaan dat verdachte ten volle verantwoordelijk is te houden voor de door hem gepleegde feiten en er geen verzachtende omstandigheden gelden. Uit de (proces)houding van verdachte heeft de rechtbank overigens ook niet de overtuiging gekregen dat hij de ernst en de laakbaarheid van zijn handelen inziet.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 4 jaar passend en geboden is. De door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van 6 jaar acht de rechtbank te hoog gelet op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. Naast deze gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank ook het opleggen van een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen geboden, omdat verdachte door zijn handelen de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar heeft gebracht. De rechtbank zal voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 6 elk één jaar ontzegging opleggen, derhalve in totaal vijf jaren.

Ter terechtzitting is door de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 67a lid 3 Sv. Dit verzoek wijst de rechtbank af, gelet op na te noemen straf.

8.4.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van immateriële schade heeft de officier van justitie als standpunt naar voren gebracht dat deze vorderingen kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De fysieke en psychische gevolgen van de benadeelde partijen blijkt telkens uit de bij de vorderingen gevoegde aanbiedingsbrief. De vorderingen zijn redelijk, voldoende onderbouwd en duidelijk het gevolg van het handelen van verdachte. Dat geldt ook voor de vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar 3]. Hij heeft meer letsel ondervonden dan de andere politieambtenaren en is nog steeds arbeidsongeschikt.

8.4.2.

Het standpunt van de verdediging

De rechtbank zal bij haar beoordeling de verweren van de raadsvrouw bespreken.

8.4.3.

De beoordelingen van de vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van [politieambtenaar 1]

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 600,- aan immateriële schade. De benadeelde partij stelt dat zijn enkelband was opgerekt door het meesleuren en de val. Daardoor heeft hij één week arbeidsongeschikt thuis gezeten en ruim vier weken pijn gehad.

De raadsvrouw heeft bepleit deze vordering te matigen.

De rechtbank overweegt dat de raadsvrouw de stellingen van de benadeelde - zoals nader toegelicht ter terechtzitting - niet heeft weersproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is daarmee gebleken dat de behandeling van de vordering van [politieambtenaar 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de toelichting van de benadeelde partij ter zitting, voldoende aannemelijk is geworden dat er als gevolg van het onder 1 primair bewezen geachte rechtstreeks immateriële schade is geleden en dat de vordering ter zake van die schade zich naar maatstaven van billijkheid leent voor toewijzing tot een bedrag van € 600,-. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [politieambtenaar 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De vordering van [politieambtenaar 6]

De benadeelde partij heeft zich als gevolg van onder 4 bewezen geachte in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade. Benadeelde stelt ten gevolge van het incident een tijdlang niet lekker in zijn vel gezeten te hebben, weinig energie te hebben gehad, een week niet goed te hebben kunnen slapen en spier- en hoofdpijn te hebben gehad.

De raadsvrouw heeft bepleit deze vordering af te wijzen dan wel subsidiair niet ontvankelijk te verklaren dan wel meer subsidiair te matigen, omdat het causaal verband tussen de spanning in het lichaam en de geconstateerde spier- en hoofdpijn niet vast staat en de vordering verder niet is onderbouwd. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade voor het oplopen van psychisch letsel wijst de raadsvrouw op een uitspraak van de rechtbank Maastricht d.d. 3 juli 2012. Op grond van artikel 6:106 BW is vergoeding van niet fysiek letsel alleen mogelijk als er sprake is van dusdanig letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van een persoon. Gevoelens van angst, schrik en machteloosheid vallen niet onder bereik van het wetsartikel, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu de vordering van de benadeelde partij is betwist en deze vordering ter terechtzitting niet nader is toegelicht en/of onderbouwd door de gemachtigde van de benadeelde partij en evenmin een letselverklaring of anderszins is overgelegd, zou nader onderzoek naar deze vordering geboden zijn De rechtbank acht daarbij van belang dat vergoeding van immateriële schade voor geestelijk letsel op grond van artikel 6:106 BW alleen mogelijk is als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon. Niet ieder geestelijk letsel levert een aantasting op in de persoon (zie ook HR 29-06-2012, LJN: BW1519). Uit de stellingen van de benadeelde partij zoals die nu voorliggen, kan de rechtbank niet afleiden dat sprake is van geestelijk letsel dat voor vergoeding als immateriële schade in aanmerking komt. Voor nader onderzoek zou de zaak moeten worden aangehouden en dat levert in het onderhavige geval een onevenredige belasting van het strafgeding op, te meer nu het een strafzaak tegen een gedetineerde verdachte betreft en de benadeelde wordt bijgestaan door een gemachtigde.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat benadeelde partij [politieambtenaar 6] in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van [politieambtenaar 5]

De benadeelde partij heeft zich als gevolg van onder 3 bewezen geachte in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 100,- aan immateriële schade. De benadeelde partij stelt dat zij de dag na het incident uitzonderlijk moe was en dat zij een aantal nachten slecht heeft geslapen.

De raadsvrouw heeft bepleit deze vordering af te wijzen en verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Maastricht d.d. 3 juli 2012 en artikel 6:106 BW. Gevoelens van angst, schrik en machteloosheid komen niet voor vergoeding in aanmerking, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu de vordering van de benadeelde partij is betwist en de vordering ter terechtzitting niet nader is toegelicht en/of onderbouwd door de gemachtigde van de benadeelde partij, is nader onderzoek naar deze vordering geboden. Ten aanzien van deze vordering geldt dezelfde overweging met betrekking tot de mogelijkheid tot vergoeding van immateriële schade voor geestelijk letsel als weergegeven bij de vordering van [politieambtenaar 6]. Voor nader onderzoek zou de zaak moeten worden aangehouden en dat levert ook in dit geval een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat benadeelde partij [politieambtenaar 5] in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van [politieambtenaar 2]

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 750,- aan immateriële schade. De benadeelde stelt dat hij voor het incident al last had van zijn armen en schouders. Hij was daarvoor onder behandeling bij een fysiotherapeut. Door de aanrijding zijn de klachten weer verergerd en had hij extra behandelingen nodig.

De raadsvrouw heeft bepleit deze vordering af te wijzen dan wel subsidiair niet ontvankelijk te verklaren dan wel meer subsidiair te matigen, omdat het causaal verband tussen de lichamelijke klachten en de botsing niet vast staat en de vordering verder niet is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [politieambtenaar 2] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Vast staat immers dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte met zijn politievoertuig met een hoge snelheid een klap tegen de vangrail heeft gemaakt. De rechtbank acht het aannemelijk dat een dergelijke flinke klap lichamelijke klachten veroorzaakt. De benadeelde partij heeft deze klachten ter zitting ook toegelicht. Gelet daarop kon de raadsvrouw niet volstaan met een enkele ontkenning van het causaal verband tussen botsing en de nadien verergerde lichamelijke klachten. De rechtbank acht de toewijzing van een bedrag van € 750,00 billijk.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [politieambtenaar 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De vordering van [politieambtenaar 3]

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 10.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij stelt dat hij ten gevolge van de botsing en de klap met de vangrail al meer dan vier maanden heel erge hoofdpijnen heeft, vergeetachtig en moe is, slechter ziet, concentratieproblemen en slaapproblemen heeft en pijn in zijn bekken en rug. Uit medisch onderzoek is gebleken dat benadeelde een hersenkneuzing had en dat meerdere nekwervels, de ruggengraat en het bekken van benadeelde scheef staan. Benadeelde heeft hiervoor behandeling. Hij is nog steeds volledig arbeidsongeschikt en er is nog lang geen zicht op herstel, zo staat vermeld in de toelichting bij de vordering.

De raadsvrouw heeft bepleit de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering voor lichamelijke schade onvoldoende onderbouwd is. Er zijn geen medische stukken overgelegd omtrent de medische (conditie) van de benadeelde partij.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van [politieambtenaar 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Vast staat immers dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte met zijn politievoertuig met een hoge snelheid een klap tegen de vangrail heeft gemaakt. De rechtbank acht het aannemelijk dat een dergelijke flinke klap lichamelijke klachten heeft veroorzaakt. Als onbetwist is eveneens komen vast te staan dat de benadeelde partij, gehoord als getuige bij de rechter-commissaris op 30 juli 2013, sinds het ongeval op de Ringweg A-10 arbeidsongeschikt is. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting van 20 september 2013 onweersproken bevestigd dat die situatie niet is gewijzigd en dat de benadeelde nog altijd niet in staat is zijn werk te hervatten.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat in elk geval voldoende aannemelijk is geworden dat er als gevolg van het onder 2 primair bewezen geachte rechtstreeks enige immateriële schade is geleden en dat de vordering ter zake van die schade zich naar maatstaven van billijkheid leent voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,-. De vordering kan dan ook bij wijze van voorschot tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [politieambtenaar 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De beoordeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, nu de rechtbank kort gezegd niet beschikt over nadere medische informatie over de precieze aard van de aandoening en het medisch herstel. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 62, 287, 302, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

Poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 primair, 3 en 4 bewezen verklaarde:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.


Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 jaar.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezen verklaarde:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 jaar.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 jaar.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 jaar.

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 jaar.

Benadeelde partij [politieambtenaar 1]

Wijst de vordering van [politieambtenaar 1], per adres van de gemachtigde van de benadeelde partij, te weten [gemachtigde benadeelde partij], DPA/Preventie en Zorg/IPS politie Amsterdam, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam, toe tot een bedrag van € 600,-.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [politieambtenaar 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [politieambtenaar 1] aan de Staat € 600,- te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 12 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [politieambtenaar 6]

Verklaart de benadeelde partij [politieambtenaar 6], per adres van de gemachtigde van de benadeelde partij, te weten [gemachtigde benadeelde partij], DPA/Preventie en Zorg/IPS politie Amsterdam, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam, niet-ontvankelijk in zijn vordering.



Benadeelde partij [politieambtenaar 5]

Verklaart de benadeelde partij [politieambtenaar 5], per adres van de gemachtigde van de benadeelde partij, te weten [gemachtigde benadeelde partij], DPA/Preventie en Zorg/IPS politie Amsterdam, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam, niet-ontvankelijk in zijn vordering.



Benadeelde partij [politieambtenaar 2]

Wijst de vordering van [politieambtenaar 2], per adres van de gemachtigde van de benadeelde partij, te weten [gemachtigde benadeelde partij], DPA/Preventie en Zorg/IPS politie Amsterdam, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam, toe tot een bedrag van € 750,-.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [politieambtenaar 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [politieambtenaar 2] aan de Staat € 750,- te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.



Benadeelde partij [politieambtenaar 3]
Wijst de vordering van [politieambtenaar 3], per adres van de gemachtigde van de benadeelde partij, te weten [gemachtigde benadeelde partij], DPA/Preventie en Zorg/IPS politie Amsterdam, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam, toe tot een bedrag van € 5.000,-.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [politieambtenaar 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [politieambtenaar 3] aan de Staat € 5.000,- te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 60 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. E. Diepraam en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 oktober 2013.

Bijlage 1

Volledige tekst van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij,

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 1], politieambtenaar, werkzaam gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde auto (snel accelererend) is weggereden terwijl die [politieambtenaar 1] hem, verdachte, en/of die auto vast had, waardoor die [politieambtenaar 1] een aantal meters werd meegetrokken of gesleurd en/of ten val is gekomen.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde,

op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk een politie-ambtenaar, te weten [politieambtenaar 1], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, heeft mishandeld, door met een door hem bestuurde auto (snel accelererend) weg te rijden terwijl die [politieambtenaar 1] hem, verdachte, en/of die auto vast had, waarbij die [politieambtenaar 1] een aantal meters werd meegetrokken of gesleurd en/of ten val is gekomen, waardoor voornoemde politieambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde,

op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3], belast met surveillance en/of met de achtervolging van hem, verdachte, en aldus werkzaam gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, bestuurde auto en

rijdende op de snelweg A-10 met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur tegen de politieauto waarin die [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] reden, is aangereden of gebotst.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [politieambtenaar 3], politieambtenaar belast met surveillance en/of met de achtervolging van hem, verdachte, en aldus werkzaam gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en/of nek- en/of rugklachten, heeft toegebracht door met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door

hem, bestuurde auto en rijdende op de snelweg A-10 met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur tegen de politieauto waarin die [politieambtenaar 3] reed, aan te rijden of te botsen

en/of

op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3], belast met surveillance en/of met de achtervolging van hem, verdachte, en aldus werkzaam gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, bestuurde auto en rijdende op de snelweg A-10 met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur tegen de politieauto waarin die [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] reed/reden, is aangereden of gebotst.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5], belast met surveillance en/of met de achtervolging van hem, verdachte, en aldus werkzaam gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, bestuurde auto en rijdende op de snelweg A-10 met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur tegen de politieauto waarin die [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5] reden, is aangereden of gebotst.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde,

op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [politieambtenaar 6] en/of [politieambtenaar 7], belast met surveillance en/of met de achtervolging van hem, verdachte, en aldus werkzaam gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, bestuurde auto en rijdende op de snelweg A-10 met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur tegen de politieauto waarin [politieambtenaar 6] en/of [politieambtenaar 7] reden, is aangereden of gebotst.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde,

op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk

- een politievoertuig (een Volvo, kenteken [kenteken B]) en/of

- een politievoertuig (een Volkswagen Touran, kenteken [kenteken C]) en/of

- een politievoertuig (een Volkswagen Touran, kenteken [kenteken D]) en/of

- een politievoertuig (een Volkswagen Golf, kenteken [kenteken E]) en/of

- een politievoertuig (een Volvo, kenteken [kenteken A]),

in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (telkens) eenmaal of meermalen tegen bovengenoemde politievoertuig(en) aan te rijden.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde,

op of omstreeks 5 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Ring A10, met hoge snelheid/snelheden, te weten tussen de 100 kilometer per uur en 130 kilometer per uur, in elk geval telkens met voor een veilige verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid/snelheden, meerdere malen tegen een of meer politieauto('s) is aangereden of gebotst en/of veelvuldig, in elk geval meermalen, onverwachts van rijstrook is gewisseld en/of over de vluchtstrook heeft gereden en/of meerdere auto's rechts heeft ingehaald, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bijlage 2

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

1. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL134C 2013082517-1 van 6 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [politieambtenaar 14] (doorgenummerde pagina’s 8-10).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van [politieambtenaar 1], zakelijk weergegeven:

Ik ben agent in de surveillance dienst bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Op 5 april 2013 te Amsterdam liep ik met de aangehouden verdachte mee naar de bestuurderskant van de auto, omdat de verdachte had aangegeven nog iets uit zijn auto te willen pakken. Ik zag dat de verdachte plaats nam op de stoel aan de bestuurderskant. Ik stond op dat moment naast de auto en zag dat verdachte mij aankeek. Ik stond in de ruimte van de openstaande portier en de auto, in de deuropening dus. Op dat moment zag ik dat de verdachte met zijn linkervoet het koppelingspedaal intrapte en met zijn rechterhand de versnellingspook in de eerste versnelling zette. Ik hoorde dat de toeren van de auto omhoog ging, kennelijk draaide de motor van de auto nog. Ik zag, voelde en hoorde dat de auto in voorwaartse beweging kwam. Mijn eerste reactie was om de verdachte dan wel de auto te laten stoppen. Ik pakte daarom de verdachte of de deurstijl van de auto vast, maar het ging allemaal zo snel dat ik mij dat niet meer kan herinneren. Ik werd binnen korte tijd enkele meters door het voertuig meegenomen. Ik kon de eerste meters nog lopend meekomen, maar het voertuig maakte snel een dusdanige vaart dat ik het niet meer bij kon houden en mijn voeten uiteindelijk over het asfalt meesleepten. Tijdens dit alles riep ik tegen de verdachte: “Stoppen” en “staan blijven”. De portier stond open en ik bevond mij op zeer korte afstand van verdachte, dus hij moet dit hebben gehoord. Ik zag dat de verdachte hier geen gehoor aangaf en zijn vaart versnelde. Ik had hierbij nog steeds de verdachte of de auto vast. De verdachte kwam op mij, door zijn gedrag en handelingen zoals hierboven beschreven, vastberaden over om zich te onttrekken aan zijn aanhouding en mij van zich af te schudden. Hij moet hebben geweten dat ik hem of de auto vast had, of in ieder geval dicht naast zijn auto stond en dat hij door zijn rijgedrag letsel bij mij zou kunnen veroorzaken. Ik heb mijn enkel verzwikt.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL13W3 2013082517-12 van 6 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [politieambtenaar 8] (doorgenummerde pagina’s 4-6).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2013 bevond ik mij met mijn collega [politieambtenaar 1], met fietssurveillance belast, te Amsterdam. Ik zag dat een motorvoertuig, merk Fiat, type Punto, stil stond op de kruising van de Hoofdweg met de Jan van Galenstraat. Collega [politieambtenaar 1] sprake de man in het voertuig aan. De man had niet een rijbewijs bij zich, maar wel een identiteitsbewijs en bleek te zijn genaamd: [verdachte]. Nadat ik hoorde dat de man stond gesignaleerd, heb ik hem medegedeeld dat hij buiten heterdaad was aangehouden. Ik hoorde [verdachte] aan collega [politieambtenaar 1] vragen of hij nog iets uit zijn auto mocht pakken. Wij gaven daarvoor toestemming en hierop zag ik dat [verdachte] met collega [politieambtenaar 1] naar het motorvoertuig liep. Ik zag dat [verdachte] in het motorvoertuig stapte en collega [politieambtenaar 1] bij de open bestuurdersportier stond. [verdachte] ging zitten op de bestuurdersstoel en hierop zag ik dat het voertuig begon te bewegen. Ik zag en hoorde dat [verdachte] als bestuurder van het voertuig hard weg reed. Ik hoorde namelijk dat de banden een piepend geluid maakten. Ik zag dat de bestuurdersportier van het door [verdachte] bestuurde voertuig nog steeds open was en dat collega [politieambtenaar 1] door het voertuig werd meegesleurd. Ik hoorde hem met een luide en niet te misverstane stem roepen in de richting van [verdachte] dat hij moest stoppen. Ik hoorde [politieambtenaar 1] dit wel 3 keer herhalen en zag dat [verdachte] hier geen gevolg aan gaf en weg reed. Ik zag dat [politieambtenaar 1] ongeveer 20 meter werd meegesleept en zich ternauwernood staande probeerde te houden teneinde niet onder het voertuig te komen. Ik zag dat [verdachte] geen aanstalten maakte tot stoppen. Ik zag dat voertuig vaart maakte en hoorde dat de motor een geluid maakte lijkende op overtoeren. Vervolgens zag ik [politieambtenaar 1] ongeveer 20 meter verder op de Jan van Galenstraat los kwam van het door [verdachte] bestuurde voertuig en op het asfalt bleef liggen.

Ten aanzien van het onder 2 primair, 5 en 6 ten laste gelegde

3. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL11ZC 2013021708-1 van 6 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [politieambtenaar 15] en [politieambtenaar 16] (doorgenummerde pagina’s 32-34).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van [politieambtenaar 2], zakelijk weergegeven:

Ik wil aangifte doen van poging tot doodslag. Ik was 5 april 2013 aan het werk in mijn hoedanigheid als politieambtenaar bij de politie te Amsterdam en surveilleerde samen met mijn collega in een als zodanig herkenbaar surveillancevoertuig. Ik was de bestuurder en hoorde via de mobilofoon dat collega’s op de Jan van Galenstraat een personenauto hadden staande gehouden en de bestuurder er tijdens de controle vandoor ging. Het zou gaan om een grijze Fiat Punto met het kenteken [kenteken F]. Ik hoorde dat een collega, welke kennelijk achter de Fiat Punto reed, door gaf dat ze de Ringweg A-10 op waren gereden. Ik zag de collega’s uit tegengestelde richting de A-10 oprijden. Zij voerden optische signalen en reden achter een grijze Fiat aan. Ik kon de collega’s inhalen en ter hoogte van afslag S102 achter de grijze Fiat Punto komen. De snelheid lag op dat moment rond de 130 kilometer per uur, waarbij de bestuurder van de Fiat het overige verkeer links en rechts inhaalde en daarbij gebruik maakte van onder andere de vluchtstrook. Ik ben links van de Fiat Punto gaan rijden, zodat hij niet de A-8 richting Zaanstad zou nemen, maar de A-10. In eerste instantie werkte dit ook en maakte de bestuurder aanstalten om de A-10 Noord op te gaan. Na enkele seconden zag ik dat de Fiat Punto naar links kwam en dat hij met zijn voertuig tegen ons voertuig aanreed. Kort hierna herhaalde hij deze manoeuvre en zag ik dat hij een stevige ruk aan zijn stuur gaf naar links en wederom met zijn auto tegen ons surveillancevoertuig botste. Deze keer was de botsing heftiger en ik voelde dat het een flinke duw was. Op dat moment reden er ook weggebruikers links van mij die in de richting van de A-8 reden. Ik zag dat mijn surveillancevoertuig in de richting van de rimpelbuisopstakelbeveiliging (Rimob) ging. Ik botste met de rechtervoorzijde van ons surveillancevoertuig tegen de Rimob aan en kwam een stukje verderop tot stilstand. De bestuurder van de Fiat Punto was weggereden de A-10 Noord op. Ten tijde van de achtervolging voerde ik onafgebroken optische en geluidssignalen van mijn herkenbare surveillancevoertuig, een Volvo V70, welke voorzien is van striping. Het kan niet anders of de bestuurder van de Fiat Punto wist dat wij van de politie waren. Gezien de snelheid waar wij mee reden, ongeveer 130 kilometer per uur, en het aanrijden van ons surveillancevoertuig had de bestuurder van de Fiat Punto kunnen weten dat door zijn gedrag er ernstig gevaar ontstond waar wij of overige weggebruikers ernstig letsel hadden kunnen oplopen en dat wij dan wel de overige weggebruikers als gevolg van een aanrijding hadden kunnen overlijden.

4. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL134C 2013082517-27 van 11 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [politieambtenaar 17] en [politieambtenaar 18] (doorgenummerde pagina’s 35-38).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van [politieambtenaar 3], zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2013 was ik aan het werk als politieambtenaar bij de politie Amsterdam. Ik was samen met mijn collega [politieambtenaar 2] aan het surveilleren in een herkenbaar politievoertuig. Ik zat naast mijn collega op de passagierszijde. Wij reden achter de Fiat Punto en ik zag dat de bestuurder van deze Fiat gevaarlijk rijgedrag vertoonde door het overige verkeer zowel links als rechts in te halen. Bij het rechts inhalen zag ik dat de bestuurder van de Fiat Punto de vluchtstrook gebruikte. Op het moment van de achtervolging lag de snelheid op ongeveer 130 kilometer per uur. We reden vervolgens de Coentunnel door richting de Ringweg A-10 Noord en de Rijksweg A-8 richting Zaanstad. Ik zag dat de Fiat Punto op de meest rechtse rijstrook ging rijden om kennelijk de A-10 Noord op te rijden. Wij reden op dat moment naast hem met een tussen afstand van zo’n 3 meter. Wij reden op dat moment over de geblokte markering tussen de tweede en derde rijstrook in. De linker twee rijstroken zijn bestemd voor het verkeer richting Zaandam, de A-8, de rechter twee rijstroken zijn om de A-10 Noord op te rijden. Ik zag dat de Fiat Punto naar de meest rechter rijstrook ging waarop collega [politieambtenaar 2] aan de linkerzijde van de derde rijstrook ging rijden, nog steeds ter hoogte van de Fiat Punto. Binnen enkele seconden zag ik dat de bestuurder van de Fiat Punto zijn auto naar links stuurde. Het lukte deze keer niet om de auto te ontwijken, waarop de Fiat Punto tegen de rechter voorzijde van onze dienstauto aan botste. Ik voelde en hoorde een harde klap en werd hierdoor heen en weer geslingerd. Ik zag dat de bestuurder van de Fiat Punto weer naar de uiterst rechter rijstrook ging. Echter binnen 2 à 3 seconden zag ik dat hij zijn stuur over pakte en nog agressiever dan de keer ervoor naar links stuurde. Ik zag en voelde dat de Fiat de rechter voorzijde van onze dienstauto nu veel harder raakte. Ik keek vervolgens voor mij en zag dat wij nog maar enkele meters verwijderd waren van de Rimob en daar, door de harde botsing, recht op af reden. Collega [politieambtenaar 2] probeerde, door naar links te sturen, de Rimob te ontwijken maar hij kon niet voorkomen dat wij met de rechtervoorzijde van onze dienstauto vol de Rimob inreden. Ik voelde dat de achterzijde van de auto omhoog kwam, vervolgens kwamen wij ongeveer 50 meter verder, half op de tweede rijstrook en de vluchtstrook, tot stilstand. Gelukkig werden wij niet frontaal aangereden door het andere verkeer. Ik ben mij er van bewust dat het veel slechter had kunnen aflopen. Wij hadden wel dood kunnen zijn. Vlak voordat wij de Rimob raakte dacht ik dat dit het einde van mijn leven was.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134L 2013082517-6 van 6 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [politieambtenaar 9] en [politieambtenaar 11] (doorgenummerde pagina’s 27-29).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij waren op 5 april 2013 te Amsterdam met motorsurveillance belast. Wij zijn op de toerit S105 van de A-10 gaan staan en zagen de gezochte Fiat Punto aan komen rijden op de tweede rijstrook met daarachter een opvallende surveillanceauto. Wij zagen dat deze auto blauw licht voerde en we hoorden de sirene. Ook zagen wij dat de surveillanceauto de politie transparant aan had staan met daarop STOP POLITIE. Wij zagen vervolgens dat de Fiat net voor de afslag S103 de vluchtstrook op reed. Wij zagen dat dit gebeurde met een snelheid van ongeveer 140 km/h volgens onze boordsnelheidsmeter. Wij zagen dat de Fiat hierna de afslag S103 nam, richting de Haarlemmerweg. Deze afslag stond vol met stilstaand verkeer. Wij zagen vervolgens dat de Fiat weer de A-10 rechts op reed.

Wij zagen dat de Fiat de Coentunnel uit kwam en dat de ringwegsurveillance links naast de Fiat ging rijden. Wij volgden de Fiat met een gepaste afstand van ongeveer 150 meter en hadden vrij zicht op deze twee voertuigen. Ter plaatse bestaat de Rijksweg uit 4 rijstroken, waarvan er 2 (rijstrook 1 en 2) richting de A-8 leiden en 2 (rijstrook 3 en 4) richting de A-10 Noord leiden. Wij zagen dat de ringwegsurveillance op rijstrook 3 reed en de Fiat op rijstrook 4. Wij zagen dat de Fiat zich langzaam bewoog in de richting van de ringwegsurveillance. Wij zagen dat de Fiat even voor de splitsing van de A-10 en de A8 een wilde stuurbeweging maakte naar links in de richting van de ringwegsurveillance. Wij zagen dat de

ringwegsurveillance hierbij door de Fiat werd geraakt aan de rechterzijde van het voertuig. Wij zagen dat dit kennelijk opzettelijk gebeurde, omdat dit een tweede keer werd herhaald door een nog wildere stuurbeweging naar links, kennelijk met de bedoeling om de ringwegsurveillance te rammen en schade te berokkenen. Vervolgens zagen wij dat de ringwegsurveillance door deze manoeuvre van de Fiat richting rijstrook 2 werd gedrukt en zagen wij dat de ringwegsurveillance een aanrijding met de Rimob niet kon vermijden en met de rechtervoorkant van het voertuig in aanrijding kwam met deze Rimob. Wij zagen dat dit gebeurde met een afgelezen boordsnelheid van ongeveer 120 km/h.

Ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde

6. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL134C 2013082517-29 van 18 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [politieambtenaar 19] (doorgenummerde pagina’s 55-57).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van [politieambtenaar 6], zakelijk weergegeven:

Ik wens aangifte te doen van een poging doodslag. Ik ben werkzaam als hoofdagent bij de politie Amsterdam. Op 5 april 2013 raakte ik betrokken bij de achtervolging van een Fiat Punto. Vanaf het moment dat de Volvo van het team RSA van de weg af werd gedrukt, hebben wij constant als eerste achter de Fiat aangereden. Ik was de bestuurder van het voertuig en mijn collega [politieambtenaar 7] was bijrijder. De eerste keer dat wij geramd werden, kwam de hondengeleider (lees: verbalisant [politieambtenaar 12]) ons links voorbij. Hij wilde de Fiat tot stoppen dwingen, dus ging hij voor de Fiat rijden. Dit ging allemaal met een snelheid van 140 à 150 km per uur. Doordat die hondengeleider er voor ging rijden werden wij genoodzaakt om ons aan te sluiten, zodat wij hem in konden sluiten. Wij gingen daarom aan de linkerkant naast de Fiat rijden en mijn collega en ik hebben allebei even oogcontact met de bestuurder van de Fiat gehad. Er zat toen ongeveer anderhalf tot twee meter tussen onze voertuigen in. De hondengeleider liet de snelheid teruglopen door voor de Fiat te gaan rijden en langzaam af te remmen. De bestuurder van de Fiat wilde daar niet aan mee werken, dus gaf hij een ruk aan het stuur en ramde onze wagen, waardoor wij naar links uit moesten wijken. Het ging niet geleidelijk, maar hij gooide met een ruk zijn stuur om. De bestuurder van de Fiat zag kans om tussen ons en de hondenbegeleider door te rijden. Wij zetten daarna de achtervolging voort.

Op een gegeven moment herhaalde zich een soortgelijke actie. Ditmaal was het een burgerauto met een blauwe lamp op het dak, die de bestuurder van de Fiat richting de vluchtstrook probeerde te drukken. Ook hij ging er voor rijden en afremmen om de snelheid er uit te krijgen. Wij gingen weer links naast hem rijden. Deze keer week hij ook weer uit naar links. Hij raakte met de zijkant van zijn voertuig ons voertuig. Het eerste raakpunt was onze rechter achterdeur. Ik zag ook dat onze rechterspiegel er af brak. De derde keer dat deze auto ons ramde, was vlak voor de Zeeburgertunnel. Wij reden weer aan de linkerkant en een burgerauto van de politie probeerde hem af te remmen door voor hem te rijden en vaart te minderen. Om ruimte voor zichzelf te creëren ramde hij ons met zijn auto. Hij is dus 3 keer heel bewust tegen ons voertuig aangereden. Dat weet ik omdat ik dus oogcontact met hem heb gehad en hem vlak daarna zijn stuur zag omgooien. Ik voelde ten eerste ongeloof tijdens de achtervolging. Helemaal omdat we al hadden gezien hoe hij die Volvo van de weg had gereden. Het was het ongeloof dat deze man mij bewust van de weg probeerde te drukken.

7. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL134C 2013082517-28 van 17 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [politieambtenaar 14] (doorgenummerde pagina’s 52-53).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van [politieambtenaar 7], zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Mijn functie is aspirant agent van de politie. Ik doe aangifte van poging doodslag. Op 5 april 2013 ben ik opzettelijk met kracht aangereden door de verdachte. Ik was bijrijder en de bestuurder van ons dienstvoertuig was collega [politieambtenaar 6]. Ons voertuig is 2 maal aangereden door de verdachte.

Ik zag dat de verdachte veelvuldig slingerend over de weg reed. Ik zag dat hij meermalen burger en opvallende politievoertuigen rechts inhaalde en afsneed. Ik zag dat hij een aantal keren abrupte stuurbewegingen maakte. Ik zag dat de verdachte strak voor zich uit bleef kijken. Het was echt beangstigend hoe de verdachte met zijn voertuig tegen ons dienstvoertuig ramde. Ik dacht echt dat hij ons van de weg wilde afduwen.

Ten aanzien van het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL13W3 2013082517-32 van 23 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [politieambtenaar 12] (doorgenummerde pagina’s 43-45).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2013 te Amsterdam zag ik op de A-10 Noord dat een onherkenbaar politievoertuig en een opvallend politievoertuig de bestuurder van de Fiat Punto tot stoppen probeerden te dwingen. Ik zag namelijk dat het onopvallende politievoertuig voor de verdachte reed, om vervolgens zijn snelheid te verminderen. Ik zag dat de opvallende politieauto naast de verdachte reed en dat ik achter hem reed. Ik zag dat de verdachte vervolgens zijn snelheid verhoogde en hierbij de opvallende politieauto van rechts ramde. Ik zag vervolgens dat verdachte tussen de politievoertuigen door reed.

Ter hoogte van afrit Durgerdam de S115, zag ik dat verdachte de politie wilde afschudden. Ik zag namelijk dat hij deze afrit wilde nemen, maar op het laatste moment over het puntstuk verder reed en daarbij zij weg vervolgde over de vluchtstrook. Vervolgens zag ik dat verdachte meerdere burgervoertuigen zowel aan de rechterzijde als aan de linkerkant inhaalde. Ik zag dat de verdachte hierbij erg slingerde en verschillende burgervoertuigen en politievoertuigen afsneed. Ik zag dat een opvallend politievoertuig voor de Fiat reed en al remmend de bestuurder trachtte te blokken. Ik zag dat de bestuurder vervolgens tegen de achterzijde van het dienstvoertuig aanreed.

9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134E 2013082517-5 van 6 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporings-ambtenaren [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] (doorgenummerde pagina’s 20-21).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2013 vernamen wij portofonisch dat een collega van ons 20 meter door een persoon in een auto was meegesleurd en dat de auto van het merk Fiat, type Punto, was weggereden in de richting van de Willem de Zwijgerlaan. Wij bevonden ons op de Hoofdweg en zagen een grijze Fiat Punto met een manspersoon ons tegemoet komen. Ik, verbalisant [politieambtenaar 4], keerde ons voertuig om en gaf de Fiat Punto een stopteken. Wij zagen dat het voertuig gas bijgaf en een zijstraat van de Hoofdweg insloeg. Wij bleven achter het voertuig rijden en zagen dat het niet aan ons stopteken voldeed. Wij zagen dat het voertuig de afrit S106 rechts nam en zijn naast het voertuig gaan rijden om de persoon in de auto duidelijk te maken dat hij moest stoppen. Wij reden rechts naast het voertuig op de middelste baan en zagen dat de Fiat Punto op de linker baan reed. Wij zagen dat de persoon in de Fiat Punto ons aankeek en door bleef rijden. De bestuurder gaf gas bij en reed van de linkerrijbaan naar de rechtervluchtstrook. Vervolgens zagen wij dat hij verschillende voertuigen op de vluchtstrook rechts aan het inhalen was.

Ik, verbalisant [politieambtenaar 4], ben kort voor het bereiken van de Zeeburgertunnel voor de Fiat Punto gaan rijden. Ik zag dat de Fiat op de meest rechter rijstrook reed en heb geprobeerd voor het voertuig te gaan rijden en snelheid te minderen om de snelheid van de Fiat ook te doen afnemen. Ik reed op dat moment ongeveer 120 kilometer per uur en heb mijn snelheid proberen af te laten nemen tot ongeveer 100 kilometer per uur. Wij, verbalisanten, voelden toen een hevige klap en zagen dat de bestuurder van de Fiat Punto onze rechter zijkant had geraakt. Ik, verbalisant [politieambtenaar 5], kon vanaf mijn positie als bijrijder goed in het voertuig van de Fiat Punto kijken. Ik zag dat de bestuurder van de Fiat onze auto inkeek en vervolgens doorreed. Ook zag ik dat er een gedeelte van onze rechter zijspiegel was afgereden.

10. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL134C 2013082517-24 van 8 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [politieambtenaar 20] (doorgenummerde pagina’s 22-23).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van [politieambtenaar 4], zakelijk weergegeven:

Ik wens aangifte te doen van poging tot doodslag. Ik ben werkzaam als hoofdagent bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Op 5 april 2013 reden wij met hoge snelheid en heeft [verdachte] ons met zijn voertuig aangereden in zijn poging om aan de politie te ontkomen.

11. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL134C 2013082517-26 van 9 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [politieambtenaar 21] (doorgenummerde pagina’s 24-26).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van [politieambtenaar 5], zakelijk weergegeven:

Ik wens aangifte te doen van poging doodslag. Ik ben werkzaam als brigadier bij de politie Amsterdam. Op 5 april 2013 bevond ik mij samen met collega [politieambtenaar 4] in een herkenbaar politievoertuig. [politieambtenaar 4] was de bestuurder en ik de bijrijder.

Wij reden op de Ringweg A-10 richting de Zeeburgertunnel. Ik zag dat er redelijk veel verkeer op de ringweg was en ik had ook het gevoel dat het heel gevaarlijk werd. Voor we de Zeeburgertunnel bereikten probeerden we voor de Punto te rijden om hem de vluchtstrook op te drukken. Ik voelde dat ik naar voren schoot en had niet gedacht dat hij ons echt zou gaan rammen. Ik voelde ons voertuig slingeren.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

12. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134C 2013082517-31 van 23 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [politieambtenaar 14] (doorgenummerde pagina’s 80-82).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2013 ontstond er een achtervolging welke begon op de afrit S106 van de Ringweg A-10. Bij deze achtervolging raakte meerdere politievoertuigen van de politie Amsterdam-Amstelland betrokken teneinde de verdachte [verdachte] tot stoppen te dwingen. Naar aanleiding hiervan zijn onder meer de volgende politievoertuigen beschadigd geraakt omdat [verdachte] zijn voertuig, de Fiat Punto, gericht en met opzet instuurde op de politievoertuigen:

  • -

    Volvo V70, kenteken [kenteken B], bestuurder [politieambtenaar 2];

  • -

    Volkswagen Touran, kenteken [kenteken C], bestuurder [politieambtenaar 6];

  • -

    Volkswagen Touran, kenteken [kenteken D], bestuurder [politieambtenaar 4];

  • -

    Golf, kenteken [kenteken E], bestuurder [politieambtenaar 10].

13. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL136D 2013082517-17 van 6 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporings-ambtenaren [politieambtenaar 10] en [politieambtenaar 23] (doorgenummerde pagina’s 41-42).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2013 te Amsterdam reden wij in een onopvallend dienstvoertuig, een zwarte Volkswagen Golf GTI voorzien van het kenteken [kenteken E]. Wij zagen bij het verlaten van de Zeeburgertunnel de Fiat Punto rijden. Wij zijn links naast de Fiat gaan rijden, met de optische- en geluidssignalen in werking, en hebben de verdachte in zijn gezicht aangekeken. Wij zagen dat de verdachte naar ons keek. Wij probeerden de verdachte te dwingen om de afslag S114 te laten nemen. Dat lukte niet, omdat de verdachte in één keer naar links stuurde. Wij zagen en voelden dat de verdachte met de linkerachterkant van zijn Fiat de rechtervoorzijde van ons dienstvoertuig raakte.

Ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde

14. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 5 april 2013 te Amsterdam werd aangehouden door de politie en dat ik ben gevlucht. Ik wilde niet mee naar het politiebureau. De deur van mijn auto stond open en de agent stond tussen de deur en mijn auto. Ik ben weggereden en daarna ging de deur op een gegeven moment vanzelf dicht. Ik ben daarna naar de Ringweg A-10 gereden en heb niet gezien dat ik een stopteken heb gekregen. Ik heb wel gezien dat er voor en na de Coentunnel en de Zeeburgertunnel politieauto’s achter mij aanreden. Ik heb met mijn auto bewegingen gemaakt om aan de politie te ontkomen.

1 Porsche arrest, HR 15 oktober 1996, LJN: ZD0139