Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6490

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
HA RK 13-285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van ING op grond van artikel 4:204 lid 1 sub a BW tot benoeming tot vereffenaar van een nalatenschap, zij het alleen voor zover het betreft de verkoop en levering van de woning en de eventueel daarin aanwezige boedel.

De bank wenst in feite over te gaan tot onderhandse verkoop van de verhypothekeerde woning. In artikel 3:268 lid 2 BW is de procedure neergelegd die in dat geval moet worden gevolgd. Deze procedure is dwingend voorgeschreven (lid 5).

De rechtbank is van oordeel dat de verzochte “partiële” vereffening niet past in het systeem van de wet. De enkele omstandigheid dat verkoop van de woning op een veiling een enorme onverhaalbare restvordering (voor de bank) zal opleveren is onvoldoende om af te wijken van dwingend recht. Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen. De omstandigheid dat een aantal rechtbanken reeds verzoeken van deze aard heeft toegewezen, is voor deze rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/549991 / HA RK 13-285

Beschikking van 26 september 2013

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

advocaat mr. L.A.L. Westerwoudt te Amsterdam.

Verzoekster zal hierna ING worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 16 september 2013.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden. ING is van de beschikkingsdatum door de rechtbank op de hoogte gesteld.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt ertoe mr. J. Voskamp op grond van artikel 4:204 lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) te benoemen tot vereffenaar van de nalatenschap van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]), zij het alleen voor zover het betreft de verkoop en levering van de woning aan de [straat] te [woonplaats] en de eventueel daarin aanwezige boedel.

2.2.

ING legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag.

2.2.1.

Bij akte van 14 januari 2005 is een hypothecaire geldlening tot stand gekomen tussen ING en [naam 1], waarbij [naam 1] een recht van eerste hypotheek heeft verstrekt op zijn woning aan de [straat] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2.2.

[naam 1] is op 1 mei 2013 overleden met achterlating van vier erfgenamen. Notaris mr. N.M.M. Eskes is als boedelnotaris bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken. De erfgenamen zijn aangeschreven en de boedelnotaris verwacht gezien de toestand van de boedel, dat de erfgenamen de nalatenschap zullen verwerpen.

2.2.3.

Na het overlijden van [naam 1] zijn hypotheekachterstanden ontstaan. De hypotheekschuld, inclusief achterstanden, bedroeg per 13 september 2013 € 394.941,13.

2.2.4.

ING rest niets anders dan de woning te veilen. Volgens een recent taxatierapport bedraagt de executiewaarde van de woning € 180.000,--.

2.2.5.

Recent heeft de makelaar van ING een bod op de woning ontvangen van € 250.000,-- k.k. Dit bod komt overeen met de getaxeerde marktwaarde. ING heeft er groot belang bij dat de woning aan deze bieder wordt verkocht.

2.3.

Aangezien er wettelijk geen vereffenaars zijn, is er sprake van een onbeheerde nalatenschap. Nu het evident is dat er geen overwaarde is die onder eventuele andere schuldeisers zou kunnen worden verdeeld, wenst ING een vereffenaar te benoemen uitsluitend ten aanzien van de woning. Gelet op de uitlating van de boedelnotaris over de geringe waarde van de boedel, is duidelijk dat de schulden de eventuele baten overtreffen, zodat ook verder niets te vereffen valt, aldus steeds ING.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 4:204 BW bepaalt dat de rechtbank (indien een nalatenschap niet beneficiair is aanvaard) onder meer op verzoek van een schuldeiser een vereffenaar kan benoemen, indien (kort gezegd) het gevaar bestaat dat de schuldeiser niet volledig of niet binnen redelijke tijd zal worden voldaan. Nu de erfgenamen in dit geval nog niet tot aanvaarding of verwerping van de nalatenschap zijn overgegaan, kan (nog) niet worden vastgesteld dat de nalatenschap niet beneficiair is aanvaard (en onbeheerd wordt gelaten), zodat het verzoek reeds hierom (thans) niet kan worden toegewezen. Het verzoek moet evenwel ook op inhoudelijke gronden worden afgewezen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

3.2.

Het verzoek strekt ertoe een vereffenaar te benoemen die slechts een deel van de nalatenschap zal moeten vereffenen. ING wenst in feite over te gaan tot onderhandse verkoop van de verhypothekeerde woning. In artikel 3:268 lid 2 BW is de procedure neergelegd die in dat geval moet worden gevolgd. De procedure in artikel 3:268 lid 2 is met diverse waarborgen omkleed. Volgens lid 5 van dit artikel is deze procedure dwingend voorgeschreven.

3.3.

Ook de vereffening van nalatenschappen is wettelijk geregeld. De vereffenaar heeft tot taak de gehele nalatenschap te vereffenen (zie bijvoorbeeld artikel 4:211 BW). De nalatenschap is een bijzondere gemeenschap. Ook bij de verdeling van gemeenschappen in het algemeen wordt in Titel 7 van Boek 3 BW (“gemeenschap”) verdeling van alle tot de gemeenschap behorende activa en schulden tot uitgangspunt genomen.

3.4.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verzochte “partiële” vereffening niet past in het systeem van de wet. De enkele omstandigheid dat, gelet op de in het taxatierapport genoemde executiewaarde van gemiddeld € 180.000,--, verkoop van de woning op een veiling een enorme onverhaalbare restvordering zal opleveren en ING er (dus) een groot belang bij heeft dat de woning wordt verkocht aan de potentiële koper die een bod van (het verzoekschrift noemt € 250.000,00, maar uit de bijlage blijkt) € 225.000,00 heeft uitgebracht, is onvoldoende om af te wijken van dwingend recht. Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen. De omstandigheid dat een aantal rechtbanken reeds verzoeken van deze aard heeft toegewezen, is voor deze rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.Y.C. Poelmann, mr. G.H. Marcus en

mr. M.W. van der Veen en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.