Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6467

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_838
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB daklozenbeleid

Verweerder heeft onvoldoende toepassing gegeven aan zijn beleid om ten aanzien van daklozen maatwerk te leveren. Van belang is dat verweerder eiser voor de toekomst heeft laten verklaren waar hij zou verblijven, zonder dat hem een reële mogelijkheid is geboden om steeds per dag te melden waar hij was of anderszins aan te geven wanneer hij elders zou slapen of eerder weg zou gaan. Indien verweerder uitvoering wil geven aan het beleid dient met de aanvrager besproken te worden hoe steeds de verblijfplaats voor de komende nacht kan worden doorgegeven en dient bijvoorbeeld een mobiel telefoonnummer waarnaar een sms-bericht kan worden verzonden of een e-mailadres te worden verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/838

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer op 24 september 2013 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser

(gemachtigde mr. S.J.M. Jaasma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. M. Mulders).

Zitting hebben:

mr. G.M. Beunk, rechter,

mr. C.E. Ganzeboom, griffier.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat aan eiser met ingang van 12 oktober 2012 bijstand wordt toegekend naar de voor hem geldende norm;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 44,- aan eiser vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1416,-, te betalen aan eiser.

Overwegingen

1.

Eiser was dakloos en heeft op 12 oktober 2012 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij het bestreden besluit van 9 januari 2013 heeft verweerder de afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat eiser bij locatiebezoeken op 8, 9, 12 en 13 november 2012 niet op de door hem opgegeven locatie is aangetroffen. Daarnaast heeft een medewerker van verweerder eiser tijdens het locatiebezoek op 13 november 2012 gebeld op het door eiser opgegeven telefoonnummer, maar werd er niet opgenomen. Op het verzoek om terug te bellen, heeft eiser niet gereageerd. Volgens verweerder lag het op de weg van eiser om een wijziging in zijn woon- en leefsituatie aan verweerder door te geven. Dit heeft eiser nagelaten.

2.

Tussen partijen staat vast dat eiser tijdens de locatiebezoeken niet is aangetroffen. De vraag die partijen verdeeld houdt is de vraag of verweerder de bijstandsaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen op de grond dat eiser onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie, waardoor zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.

De rechtbank stelt vast dat eiser op het formulier ‘Opgave verblijflocatie(s) dak- thuisloze’ van 25 oktober 2012 heeft aangegeven dat hij verblijft bij [plaats1] en de [plaats2] tegenover [plaats3]. Op het formulier staan voorts de volgende voorgedrukte zinnen opgenomen:

“Klant verklaart hiermee op de hierbij door hem opgegeven adressen en locaties te verblijven en dat deze opgave volledig is.

Klant verklaart hierbij op de hoogte te zijn van de inlichtingenplicht artikel 17.1 WWB en dat iedere wijziging in zijn woon- leefsituatie doorgegeven dient te worden aan de Dienst Werk en Inkomen.

Klant verklaart medewerking te zullen verlenen aan het huis- locatiebezoek en zal onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.”

4.

In de werkvoorschriften van verweerder ‘de Uitvoeringspraktijk Werk en Bijstand’, zoals die luidden ten tijde van belang, staat in paragrafen 4.8.1.1 en 4.8.2 het volgende opgenomen:

“De klant krijgt de verplichting om het verblijf van de komende nacht door te geven aan Handhaving. Dit moet de klant blijven doen gedurende de aanvraagprocedure. De klant houdt Handhaving via sms, bellen, e-mail of een briefje in de grijze brievenbus bij de [plaats4] of [plaats5], op de hoogte van zijn verblijfplaats. Met Handhaving bij Bijzonder Doelgroepen zijn werkafspraken gemaakt.

Een al te strikte toepassing van regels op klanten die tot de Bijzondere Doelgroep behoren, leidt vaak onnodig tot opschorten of beëindigen van een uitkering. (…) In zijn algemeenheid geldt voor alle klanten van DWI dat maatwerk vereist is, binnen de daarvoor gestelde kaders. Voor de klanten van BD geldt dit nog eens extra.”

5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende toepassing heeft gegeven aan zijn beleid om maatwerk te leveren. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat verweerder eiser voor de toekomst heeft laten verklaren waar hij zou verblijven, zonder dat hem een reële mogelijkheid is geboden om steeds per dag te melden waar hij was of anderszins aan te geven wanneer hij elders zou slapen of eerder weg zou gaan. Indien verweerder uitvoering wil geven aan het beleid zoals hierboven weergegeven dient met de aanvrager besproken te worden hoe steeds de verblijfplaats voor de komende nacht kan worden doorgegeven en dient bijvoorbeeld een mobiel telefoonnummer waarnaar een sms-bericht kan worden verzonden of een e-mailadres te worden verstrekt.

6.

Hieruit volgt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek en geen maatwerk aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank zal daarom het beroep van eiser gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet voorts aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit. Verweerder heeft ter zitting namelijk aangegeven dat alleen het niet aanwezig zijn tijdens de locatiebezoeken tot afwijzing van de aanvraag heeft geleid, maar er voor het overige geen redenen waren om eiser niet als bijstandsgerechtigde aan te merken. Nu niet valt in te zien dat verweerder de gebreken aan het bestreden besluit nog zal kunnen herstellen, zal de rechtbank bepalen dat aan eiser met ingang van 12 oktober 2012 bijstand wordt toegekend naar de voor hem geldende norm.

7.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.416,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 5 juni 2013 en 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting op 24 september 2012 met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). De proceskosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien daar in de bezwaarprocedure niet om is verzocht.

8.

Ten slotte dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Waarvan proces-verbaal,

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB