Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6447

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
C/13/547529 / KG ZA 13-981
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldvorderingen en afgifte vliegtuigmotor. Spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/547529 / KG ZA 13-981 SP/MRSB

Vonnis in kort geding van 1 oktober 2013

in de zaak van

de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres bij dagvaarding op verkorte termijn van 8 augustus 2013,

advocaten mrs. R.S.L.M. Pessers en S.T. Dreesman te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika (USA)

EVERGREEN INTERNATIONAL AIRLINES, INC.,

gevestigd te McMinnville (Oregon), Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde,

advocaten mrs. M.E. Koppenol-Laforce en P. Sluijter te Rotterdam.

Partijen zullen hierna KLM en Evergreen worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 17 september 2013 heeft KLM gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding op verkorte termijn. Evergreen heeft bij faxbrief van 4 september 2013 bezwaar gemaakt tegen de verkorting van de dagvaardingstermijn en verzocht de beslissing ter zake in te trekken. Evergreen heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de gevraagde voorzieningen met conclusie tot weigering daarvan. Evergreen heeft voorts een betalingsregeling voorgesteld, zoals neergelegd in een brief van Evergreen aan KLM van 16 september 2013, voor de aflossing van de in deze procedure door KLM gevorderde openstaande facturen tot een bedrag van USD 4.809.019,31. KLM heeft dit voorstel van de hand gewezen. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van KLM: [persoon 1], jurist technische dienst, [persoon 2], creditmanager technische dienst, en[persoon 3], customer support manager, met mrs. Pessers en Dreesman;

aan de zijde van Evergreen: mrs. Koppenol-Laforce en Sluijter.

2 De feiten

2.1.

KLM heeft in januari 2008 met Evergreen een onderhoudsovereenkomst (hierna de Maintenance Agreement) gesloten voor het onderhoud en de reparatie van vliegtuigmotoren van Evergreen van het type CF6 van de fabrikant General Electric.

2.2.

Evergreen heeft in de periode van januari 2011 tot en met mei 2011 een drietal motoren aan KLM ter beschikking gesteld (met nummers 517386, 517456 en 530410) voor onderhoud onder de Maintenance Agreement. KLM heeft voor het verrichte onderhoud facturen verzonden. Evergreen heeft de facturen voor de motoren met nummers 517386 en 517456 deels voldaan en de factuur voor de motor met nummer 430410 volledig onbetaald gelaten.

2.3.

Partijen hebben vanaf februari 2008 meerdere lease-overeenkomsten gesloten met betrekking tot door Evergreen van KLM geleasete motoren, onder meer ter tijdelijke vervanging van door Evergreen onder de Maintenance Agreement aan KLM in onderhoud gegeven motoren. In een lease-overeenkomst d.d. 10 december 2009 (hierna de Lease Agreement), welke door Evergreen op 12 oktober 2009 en door KLM op 5 juli 2010 is ondertekend staat - voor zover voor deze procedure van belang - het volgende:

“Article 13 RISK OF DAMAGE OR LOSS, LIABILITY AND INDEMNITY

(...)

13.2.

During the Lease Term Lessee shall bear the entire risk of loss of the Engine, damage thereto, including without limitation damage beyond economic repair, or the loss of possession (other than the purpose of maintenance, servicing, repairing, overhauling or testing), including but not limited to seizure, requisition, theft, disappearance or otherwise. Lessee will immediately notify Lessor of such occurrence.

13.3.

While the Engine is in the possession of the Lessee, the Lessee herby releases and agrees to indemnify and hold harmless the Lessor (…) from and against any and all liabilities, claims, demands, suits, damages and losses (…)

(…)

Article 15 (EARLY) TERMINATION

(…)

15.3

In the event this Agreement is early terminated pursuant to the provisions of this article by either or both of the Parties, Lessee will Redeliver the Engine to Lessor, within seven (7) days pursuant to the provisions of article 5.

15.4

In case the Engine is not Redelivered with seven (7) calendar days according to article 15.3, Lessee shall pay to Lessor a daily penalty fee as specified in Annex A for each day exceeding the seven (7) calendar days period contiguous to the date of early termination

2.4.

Aan de onder 2.2. genoemde Lease Agreement is een bijlage toegevoegd (“Annex A”). In deze bijlage staat vermeld dat de Lease Agreement betrekking heeft op twee aan KLM toebehorende motors met nummers 517887 en 517650. Aan deze overeenkomst is bij overeenkomst van 25 juni 2010 een derde KLM-motor toegevoegd, met nummer 517142 en bij overeenkomst van 12 augustus 2010 een vierde KLM-motor met nummer 517692. De bijlage vermeldt voorts dat de op grond van artikel 15.4 verschuldigde boete USD 1.800,- per dag bedraagt.

2.5.

Evergreen heeft de KLM-motors met nummers 517887 en 517650 na ommekomst van de leaseperiode bij KLM ingeleverd maar een deel van de door KLM verzonden facturen die op deze motoren betrekking hebben onbetaald gelaten.

2.6.

Evergreen heeft de KLM-motor met nummer 517692 met ingang van 3 oktober 2010 geleaset. De motor is - volgens door Evergreen aan KLM ter beschikking gestelde documentatie - bevestigd aan een aan Evergreen toebehorend vliegtuig met registratiekenmerk N490EV. KLM heeft de Lease Agreement wat betreft de motor met nummer 517692 op 23 juli 2012 bij vervroeging beëindigd nadat betaling op openstaande facturen was uitgebleven en Evergreen verzocht de motor uiterlijk op 31 juli 2012 te retourneren. De motor is tot op heden niet geretourneerd.

2.7.

Evergreen heeft de KLM-motor met nummer 517142 geleaset met ingang van 9 augustus 2010. Evergreen heeft deze motor voor het verstrijken van de leaseperiode weer bij KLM ingeleverd. Volgens onderzoek uitgevoerd door KLM is de motor beschadigd geraakt door FOD (Foreign Object Damage). KLM heeft op grond van artikel 13 van Lease Agreement voor de ontstane schade aan Evergreen een factuur verzonden, welke Evergreen onbetaald heeft gelaten.

2.8.

KLM heeft de Maintenance Agreement per brief van 11 oktober 2012 met onmiddellijke ingang beëindigd.

2.9.

KLM heeft Evergreen herhaaldelijk in gebreke gesteld en aangemaand tot betaling van de openstaande facturen op grond van de Maintenance Agreement en de Lease-Agreement. Partijen hebben veelvuldig overleg gehad over de betaling van de openstaande facturen, waaronder op 29 november 2012. Naar aanleiding van deze besprekingen heeft KLM Evergreen meerdere malen al dan niet onder voorwaarden uitstel van betaling verleend.

2.10.

Het onder 2.6. genoemde vliegtuig van Evergreen bevindt zich thans bij Taeco, een in China gevestigd onderhoudsbedrijf. Op 18 juni 2013 heeft de Supreme Court of the State New York in een door Evergreen tegen Taeco aanhangig gemaakte procedure onder meer geoordeeld dat Taeco op grond van haar zekerheidsrecht het vliegtuig van Evergreen onder zich mag houden en tot verkoop van het vliegtuig mag overgaan.

2.11.

In een door KLM opgemaakt “Statement of account for Evergreen International Airlines” staat dat de totale schuld uit hoofde van de Maintenance Agreement en de Lease Agreement per 13 juni 2013 USD 7.745.128,16 bedraagt.

3 Het geschil

3.1.

KLM vordert  samengevat - dat Evergreen wordt veroordeeld tot betaling aan KLM van een bedrag van in totaal USD 6.307.976,41. KLM vordert voorts dat Evergreen - op straffe van verbeurte van een dwangsom - binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de KLM-motor 517692 inclusief de in de dagvaarding onder paragraaf 3.22 gespecificeerde en met artikel 6.2. van de Lease Agreement corresponderende documentatie en informatie aan haar afgeeft. Ten slotte vordert KLM veroordeling van Evergreen in de proceskosten.

3.2.

KLM legt aan haar vordering kort samengevat het volgende ten grondslag. KLM heeft Evergreen op grond van de Maintenance Agreement en de Lease Agreement gefactureerd. Evergreen erkent dat zij een aantal van de aan haar verzonden facturen onbetaald heeft gelaten. KLM heeft Evergreen meerdere malen aangemaand tot betaling van de openstaande facturen en er heeft tussen partijen meerdere malen overleg plaatsgevonden. Evergreen heeft steeds toegezegd tot betaling over te zullen gaan en betalingsvoorstellen gedaan, maar (volledige) betaling is tot op heden achterwege gebleven. Op een bespreking op 31 mei 2013 is KLM ter ore gekomen dat Evergreen haar helikopterafdeling voor circa USD 250.000.000,00 had verkocht maar dat zij ondanks de daaraan voorafgaande toezegging dat met de verkoopopbrengst de schuld aan KLM zou worden voldaan het gehele bedrag had aangewend voor de aflossing van andere schuldeisers. Daarmee was voor KLM de maat vol. Zij heeft ervoor gekozen in deze procedure de schuld zoals die ten tijde van de bespreking op 29 november 2012 bestond en die door Evergreen niet werd betwist van Evergreen te vorderen. Ter voldoening van de overige vorderingen op Evergreen is KLM voornemens een bodemprocedure aanhangig te maken. De vordering bestaat uit USD 4.453.959,21 ter zake onbetaald gelaten facturen op grond van de Maintenance Agreement en USD 1.854.017,20 ter zake onbetaald gelaten facturen op grond van de Lease Agreement. KLM heeft voorts de afgifte gevorderd van KLM-motor 517692, welke zij aan Evergreen heeft geleast. KLM heeft de Lease Agreement op 23 juli 2012 beëindigd en Evergreen was gehouden de motor uiterlijk op 31 juli 2012 aan KLM te retourneren. Evergreen betwist haar verplichting tot afgifte van de motor niet. KLM heeft gelet op de slechte financiële positie waarin Evergreen verkeert spoedeisend belang bij toewijzing van voornoemde onbetwiste vorderingen.

3.3.

Evergreen voert kort samengevat het volgende verweer. De vorderingen van KLM zijn ongeschikt voor behandeling in kort geding. KLM heeft lang gewacht met het instellen van haar vorderingen. De Lease Agreement is op 23 juli 2012 opgezegd, maar zij heeft pas op 8 augustus 2013 een dagvaarding doen uitgaan. KLM heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom zij thans de onmiddellijke voldoening van de vorderingen behoeft. Daarbij komt dat KLM stelt een aantal andere vorderingen die zij op Evergreen pretendeert te hebben in een bodemprocedure aanhangig te zullen maken. Een bodem(verstek)procedure neemt niet meer tijd in beslag dan een kort geding procedure. Van KLM had mogen worden verwacht dat zij haar vorderingen in één procedure tegen Evergreen zou afdwingen. Evergreen wordt met deze procedure nodeloos op kosten gejaagd. Bovendien heeft KLM geen belang bij een voorlopige titel, aangezien een dergelijke titel naar het geldende recht in Oregon niet voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking komt. Ook de slechte financiële positie van Evergreen levert niet de vereiste spoedeisendheid op aangezien op de bezittingen van Evergreen zekerheidsrechten van derden rusten. Een titel zal KLM daarom niet baten. In dit verband voert Evergreen ten slotte aan dat KLM in de dagvaarding in strijd met de voor haar uit artikel 21 en 111 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voortvloeiende waarheidsplicht heeft gesteld dat Evergreen tegen de vorderingen geen verweer heeft gevoerd. Dat is onjuist aangezien Evergreen tegen de reparatieclaim en de afgifte van de KLM-motor wel degelijk (inhoudelijk) verweer voert. De voorzieningenrechter is bij haar beslissing tot verkorting van de termijn dan ook uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de vorderingen van KLM onbetwist waren. Dit dient de voorzieningenrechter bij haar belangen- en bewijsafwegingen te betrekken. De conclusie is dat KLM geen spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans de vorderingen moeten worden afgewezen.

Met betrekking tot de reparatieclaim van USD 1.498.957,20 voert Evergreen aan dat zij niet gehouden is deze vordering te voldoen totdat de oorzaak van de schade vaststaat. De verzekeraar van Evergreen, GAB Robbins, verricht momenteel onderzoek naar de oorzaak van de schade. Dat onderzoek - en niet het door KLM reeds verrichte onderzoek - is bepalend voor wie de reparatiekosten voor de motor dient te dragen. Indien de verzekeraar tot uitkering zal komen zal de uitkering rechtstreeks aan KLM worden betaald.

Met betrekking tot de gevorderde afgifte van de KLM-motor voert Evergreen aan dat de motor onderdeel uitmaakt van een vliegtuig dat zich bevindt zich bij Taeco, een onderhoudsbedrijf in China. De Amerikaanse rechter heeft in een procedure tussen Evergreen en Taeco geoordeeld dat Taeco een zekerheidsrecht op dit vliegtuig heeft en dit zekerheidsrecht mag uitwinnen. Nu de motor bestanddeel is van het vliegtuig kan KLM geen zakelijk recht aan haar vordering tot afgifte ten grondslag leggen. Het gaat hier dus niet om een revindicatie door een eigenaar maar om een vordering tot nakoming waar nakoming evenwel feitelijk onmogelijk is. Bovendien is de KLM-motor defect en moet deze eerste worden gerepareerd voordat het vliegtuig weer kan vertrekken. Nu Evergreen niet in staat is aan een veroordeling tot afgifte te voldoen is een dwangsom niet gerechtvaardigd. Bovendien verbeurt Evergreen dagelijks een boete die de schade van KLM dekt. Ook deze vordering moet dan ook worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Evergreen heeft voorafgaand aan de zitting bezwaar gemaakt tegen de door de voorzieningenrechter toegestane verkorting van de dagvaardingstermijn. Zij heeft aangevoerd dat KLM in strijd met haar waarheidsplicht in de dagvaarding heeft gesteld dat Evergreen haar vorderingen niet heeft betwist en dat zij niet met enig verweer van Evergreen bekend is. Hierdoor is de voorzieningenrechter misleid en is Evergreen onterecht in haar verweer bemoeilijkt. Dit gegeven dient volgens Evergreen in de in deze procedure te maken belangen- en bewijsafwegingen te worden meegewogen.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat een beslissing tot verkorting van de dagvaardingstermijn is gebaseerd op een belangenafweging waarbij het belang van de eisende partij bij een versnelde behandeling moet worden afgewogen tegen het belang van de gedaagde partij bij voldoende tijd voor het voorbereiden van haar verdediging. Tegen een dergelijke beslissing staat geen (hogere) voorziening open. Het verzoek van Evergreen tot intrekking van de beslissing tot verkorting van de termijn, zoals gedaan bij faxbrief van 4 september 2013, komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Evergreen met de toegestane verkorting niet op ontoelaatbare wijze in haar verdediging zou worden geschaad. Aan Evergreen kan worden toegegeven dat op een beslissing tot verkorting van de dagvaardingstermijn de omstandigheid dat in de dagvaarding is vermeld dat tegen de vorderingen geen verweer bekend is, van invloed kan zijn. Voor zover deze opmerking feitelijk onjuist blijkt te zijn, geldt dat de voorzieningenrechter daaruit de gevolgen kan trekken die haar geraden voorkomen. Nu Evergreen ter zitting uitvoerig en gedegen verweer heeft gevoerd tegen een deel van de vorderingen, is niet gebleken dat zij is geschaad in haar verdediging, zodat geen grond bestaat om hiermee verder rekening te houden.

4.3.

De gevorderde voorzieningen strekken onder meer tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van de spoedeisendheid van een vordering in kort geding - wat Evergreen daarover ook heeft opgemerkt - als uitgangspunt kan worden gehanteerd dat hoe ‘harder’ een vordering is, hoe minder snel van een schuldeiser kan worden gevergd dat deze ter incassering van deze vordering het resultaat van een bodemprocedure afwacht. Daaraan doet niet af dat bij een geldvordering een grotere mate van terughoudendheid moet worden betracht dan bij andere vorderingen die zich lenen voor behandeling in kort geding. Evergreen heeft het bestaan en de omvang van de vorderingen op grond van de Maintenance Agreement (USD 4.453.959,21) erkend en het bestaan en de omvang van de vorderingen op grond van de Lease Agreement erkend voor een bedrag van USD 355.060,-. Evergreen betwist (thans al) gehouden te zijn tot betaling van het resterende bedrag van USD 1.498.957,20 op grond van de Lease Agreement. Hetgeen Evergreen tegen toewijzing van de geldvorderingen van KLM heeft aangevoerd is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende om tot afwijzing daarvan te concluderen. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

4.5.

Dat een kort gedingprocedure geen snellere titel oplevert dan een bodem(verstek)procedure is geen argument. Indien Evergreen een vordering niet betwist, is het aan KLM om te bepalen in welke procedure zij een titel wenst te halen. Voorshands kan niet worden vastgesteld dat Evergreen nodeloos op kosten wordt gejaagd door de beslissing van KLM om een deel van haar vorderingen in een bodemprocedure aanhangig te maken. Immers, KLM heeft ter zitting gesteld dat de overige vorderingen die zij op Evergreen heeft niet geschikt zijn voor behandeling in kort geding. Evergreen heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Indien de stelling van KLM juist is, is - indien zij de onderhavige vorderingen tezamen met haar overige vorderingen in een bodemprocedure zou instellen - aannemelijk dat zij langer zou moeten wachten op een titel voor de incasso van de onderhavige vorderingen. Onder die omstandigheden staat het KLM vrij haar vorderingen in verschillende procedures in te stellen.

Dat voorts een voorlopige titel naar het geldende recht in Oregon niet uitvoerbaar is, wordt door KLM betwist. Wat hiervan ook zij, overeind blijft dat dit een risico betreft dat voor rekening van KLM komt. KLM heeft in dit verband gewezen op de omstandigheid dat Evergreen een internationale organisatie is, hetgeen maakt dat aannemelijk is dat zich vermogensbestanddelen van Evergreen in delen van de wereld bevinden waar een buitenlandse voorlopige titel hoe dan ook wel voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking komt. Ook dit verweer leidt derhalve niet tot de conclusie dat een (spoedeisend) belang aan de vorderingen ontbreekt.

Dat Evergreen gelet op haar financiële positie niet aan een toewijzend vonnis zou kunnen voldoen leidt evenmin tot de conclusie dat de vorderingen dienen te worden afgewezen. Het is aan KLM om de financiële positie van Evergreen te beoordelen en het ligt in haar risicosfeer als zij een verkregen titel niet kan verzilveren. Vaststaat dat KLM Evergreen sedert 2012 meerdere malen heeft aangemaand tot betaling van de openstaande facturen en haar meerdere malen na uitvoerige besprekingen uitstel van betaling heeft gegund. Evergreen heeft ook meerdere malen betalingsregelingen aangeboden, maar is vervolgens in gebreke gebleven deze regelingen (volledig) na te komen. Dat KLM, aangezien zij het vertrouwen in de toezeggingen van Evergreen heeft verloren, geen verder uitstel van betaling accepteert, staat haar vrij en staat aan toewijzing van de vordering niet in de weg.

Uit het door KLM aan Evergreen tot op heden verleende uitstel van betaling mag ten slotte niet worden afgeleid dat KLM geen spoedeisend belang (meer) bij haar vordering heeft. Ten eerste moet de vraag naar het spoedeisend belang worden beoordeeld naar de huidige toestand. De enkele omstandigheid dat KLM niet terstond een procedure aanhangig heeft gemaakt, brengt niet mee dat zij geen spoedeisend belang meer heeft bij de gevraagde voorziening (HR 29 november 2002, NJ 2003,78). Ten tweede kan niet worden aangenomen dat KLM ten gevolge van het - coulancehalve - door haar aan Evergreen verleende uitstel van betaling haar recht om haar onbetwiste vorderingen op Evergreen in een kort geding procedure af te dwingen heeft verspeeld.

De conclusie uit het voorgaande is dat KLM bij haar vordering tot betaling van de reeds lange tijd openstaande facturen voortvloeiend uit de Maintenance Agreement en de Lease Agreement een voldoende spoedeisend belang heeft zodat de vorderingen daarop niet afstuiten.

4.6.

Evergreen heeft aangevoerd dat de reparatieclaim met betrekking tot de KLM-motor (nr. 517142) ten bedrage van USD 1.498.957,20 niet toewijsbaar is omdat het onderzoek van haar verzekeraar GAB Robbins, dat bepalend is voor de vraag voor wiens rekening de reparatiekosten van de motor komen, nog niet is afgerond. Dit verweer treft geen doel. KLM heeft erop gewezen dat partijen in artikel 13.2 van de Lease Agreement zijn overeengekomen dat Evergreen het volledige risico draagt voor alle schade die gedurende de looptijd van Lease Agreement wordt toegebracht aan de door KLM aan haar geleasete motoren. Evergreen heeft de inhoud en strekking van deze bepaling niet betwist. Het onderzoek door de verzekeraar van Evergreen is voorshands dan ook slechts van belang in de rechtsverhouding tussen deze verzekeraar en Evergreen en regardeert KLM niet. Indien de verzekeraar van Evergreen tot de conclusie zou komen dat de door Evergreen afgesloten polis de schade aan de motor niet dekt, betekent dat dus niet dat Evergreen ontheven is van haar verplichting om KLM schadeloos te stellen. Evergreen heeft het bestaan en de omvang van de door KLM gestelde schade verder niet betwist en zij dient deze dan ook aan KLM te vergoeden. Het standpunt van Evergreen dat KLM bekend was dat Evergreen deze vordering betwist, zolang niet vaststaat dat het FOD schade betreft, kan niet als juist worden aanvaard. Uit de door KLM overgelegde producties 15 en 16 blijkt geenszins dat Evergreen betaling van de betreffende factuur afhankelijk heeft gesteld van de uitkomst van het onderzoek van GAB Robbins. Uit deze producties komt slechts naar voren dat Evergreen heeft toegezegd dat, indien haar verzekeraar tot uitkering zou overgaan, de betreffende uitkering direct aan KLM zou worden doorbetaald. Voorgaande betekent dat ook de vordering met betrekking tot deze reparatieclaim toewijsbaar is. Van KLM kan niet worden verwacht dat zij in de gegeven omstandigheden wacht op het onzekere resultaat van het onderzoek door de verzekeraar van Evergreen.

4.7.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de geldvorderingen van KLM voldoen aan het onder 4.3. genoemde criterium en zullen worden toegewezen. Het bedrag tot voldoening waarvan Evergreen zal worden veroordeeld, geldt als voorschot op en ter nadere verrekening met hetgeen zij ten gronde zal blijken verschuldigd te zijn.

4.8.

De vordering tot afgifte van de beschadigde motor is niet toewijsbaar. Zoals uit het door Evergreen aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 21 mei 1976 (NJ 1977,73) volgt, moet in het algemeen een vordering tot nakoming van een verbintenis door de schuldenaar afstuiten op de onmogelijkheid voor de schuldenaar om die verbintenis ten tijde van de veroordeling na te komen, ook indien de schuldenaar de onmogelijkheid tot nakoming zelf in het leven heeft geroepen door het vermogensbestanddeel waarop de verbintenis ziet buiten haar macht te brengen.

Tussen partijen is niet in geschil dat het vliegtuig waaraan de KLM-motor is bevestigd zich thans bij Taeco bevindt in China. Evenmin is in geschil dat de Amerikaanse rechter Taeco toestemming heeft verleend om tot uitwinning van haar zekerheidsrecht met betrekking tot het vliegtuig over te gaan, waarbij voor de KLM-motor geen uitzondering is gemaakt. Zelfs als Evergreen toegang tot het vliegtuig zou hebben, zou zij in strijd handelen met het vonnis van de Amerikaanse rechter indien zij tot afgifte van de motor aan KLM zou overgaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag van een partij niet worden verlangd dat zij ter nakoming van een verbintenis in strijd handelt met een vonnis van een rechter dat aan nakoming van die verbintenis in de weg staat. Evergreen heeft derhalve op goede gronden bepleit dat zij niet in staat is aan een veroordeling tot afgifte van de KLM-motor te voldoen. Dat laat overigens onverlet dat Evergreen jegens KLM in gebreke is met de teruggave van de motor en dientengevolge de contractuele boete verschuldigd is. Indien KLM moet worden gevolgd in haar standpunt dat de motor door bevestiging aan het vliegtuig daarvan geen bestanddeel is geworden, kan zij zich ter revindicatie wenden tot Taeco. Voor het geval dat onsuccesvol zal blijken en Taeco het vliegtuig inclusief motor aan een derde verkoopt kan KLM Evergreen aansprakelijk stellen voor de schade van de verloren motor.

4.9.

Evergreen zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KLM worden begroot op:

- dagvaarding EUR  76,71

- griffierecht 3.715,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR  4.607,71

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Evergreen om aan KLM te betalen een bedrag van
USD 6.307.976,41 (zes miljoen driehonderdzevenduizendnegenhonderdzesenzeventig Amerikaanse dollars en éénenveertig dollarcent),

5.2.

veroordeelt Evergreen in de proceskosten, aan de zijde van KLM tot op heden begroot op EUR 4.607,71,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.R.S. Bacon, griffier, op 1 oktober 2013.