Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6400

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
1363409 - HA EXPL 12-943
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De deken van de Amsterdamse orde van advocaten is niet aansprakelijk voor het weigeren van een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat. Nadat diverse advocaten hem hadden afgeraden te gaan procederen, heeft eiser de gedaagde verzocht om op grond van artikel 13 Advocatenwet hem een advocaat aan te wijzen. De gedaagde heeft dat verzoek gemotiveerd afgewezen. De daarop door eiser ingediende klacht bij het hof van discipline is ongegrond verklaard. In een procedure bij de rechtbank vordert hij nu van de gedaagde (onder meer) een voorschot op het bedrag dat hij misloopt omdat hij niet kan procederen. De rechter oordeelt dat de gedaagde in zijn functie niet kan worden aangesproken omdat de gedaagde geen rechtspersoon is. Voor zover de gedaagde als privé-persoon wordt aangesproken op grond van onrechtmatige daad is de vordering ook niet toewijsbaar, omdat niet is gebleken van onrechtmatig handelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 1363409 \ HA EXPL 12-943

Uitspraak: 25 september 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

eiser,

in persoon verschenen,

t e g e n

[gedaagde] ,

kantoorhoudende te [plaats],

gedaagde,

gemachtigde: H.M. Kruitwagen, advocaat te Arnhem.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagde zal hierna [gedaagde] of de [gedaagde] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op [datum] heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard tegen [datum]. Bij de dagvaarding zijn producties gevoegd. Op grond van artikel 2.9, aanhef, van het Landelijk procesreglement voor de civiele rol van de kantonsectoren (kort gezegd: het rolreglement) is de zaak verwezen naar de rol van [datum] voor conclusie van antwoord. Op[datum] heeft [gedaagde] om uitstel gevraagd, welk uitstel is verleend op grond van voornoemd artikel 2.9, aanhef, van het rolreglement. De zaak is toen verwezen naar de rol van [datum] voor conclusie van antwoord. Op[datum] heeft [gedaagde] nogmaals uitstel gevraagd, zulks op grond van dringende redenen (afhankelijkheid van van derden nog te verkrijgen informatie). Dit uitstel is verleend op grond van artikel 2.9, tweede bullet point, van het rolreglement. De zaak is toen verwezen naar de rol van [datum] voor conclusie van antwoord. [gedaagde] heeft vervolgens conclusie van antwoord genomen op de rol van [datum], ingekomen ter griffie op [datum] conform artikel 2.1 van het rolreglement.

Bij tussenvonnis van[datum] is een comparitie bepaald. Op [datum] is een verzoek van [eiser], strekkende tot herziening van het tussenvonnis, afgewezen.

Op [datum] heeft de comparitie plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan, met daarin vermelding van de nadere correspondentie over de procesgang, bevindt zich bij de stukken. Op het ter comparitie door [eiser] gedane wrakingsverzoek is door de wrakingskamer beslist bij beschikking van [datum], welke beschikking zich eveneens bij de stukken bevindt.

Op [datum] is de comparitie voortgezet. Het proces-verbaal daarvan, met daarin vermelding van de nadere correspondentie en stukken, bevindt zich bij de stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1 Op 19 september 2011 heeft het hof van discipline beslist naar aanleiding van een beklag van [eiser] tegen de [gedaagde], [gedaagde]. Deze beslissing, die als productie in het geding is gebracht, luidt als volgt:

(…)

1. Het verzoek als bedoeld in art. 13 lid 1 Advocatenwet

Klager heeft een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat. Bij brief van 15 december 2010 heeft de [gedaagde] geweigerd een advocaat aan te wijzen als zijn advocaat

voor een zaak waarin vertegenwoordiging dan wel bijstand van een advocaat verplicht

is. Bij klaagschrift gedateerd 21 december 2010 heeft klager zich beklaagd over die

weigering.

2 Het geding bij het hof

2.1

Het klaagschrift is op 23 december 2010 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- ontvangen stukken van klager, ingekomen ter griffie van het hof op 17 januari 2011;

- het schrijven van de [gedaagde] van 21 januari 2011;

- het schrijven van klager aan het hof ingekomen ter griffie van het hof op 5 april 2011;

- het schrijven van klager aan het hof van 30 juni 2011.

2.3

Het hof heeft het beklag mondeling behandeld op 18 juli 2011, waar is verschenen

de [gedaagde]. Klager is niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het verzoek van klager heeft betrekking op door hem gewenste incassowerkzaamheden in verband met vorderingen van klager op [bedrijf x] en [bedrijf y]. Toen het contact hierover tussen [eiser] en[naam 1], advocaat te [plaats], niet goed verliep, heeft de [gedaagde] eerst [naam 2], eveneens advocaat te [plaats], gevraagd te onderzoeken of en welke vordering klager heeft. [naam 2] heeft de [gedaagde] bij brief van 30 juli 2010 bericht geen mogelijkheden te zien. Vervolgens heeft de [gedaagde] op voet van art. 13 Advocatenwet op 31 augustus 2010 [naam 3], ook advocaat te [plaats], aangewezen om te onderzoeken

of en welke vorderingen klager heeft.

3.2

[naam 3] heeft bij een vier pagina’s tellend memorandum van 14 september 2010 zijn voorlopige bevindingen aan klager voorgelegd, met afschrift aan de [gedaagde]. Na een

schriftelijke reactie van klager heeft [naam 3] klager nader bericht met zijn brief van 13 oktober 2010. In deze brief heeft [naam 3] klager met redenen omkleed laten weten dat op grond van het door hem gedane onderzoek zijn conclusie is dat de kans om een

procedure met goed gevolg te doorlopen klein is, maar bovendien het potentieel resultaat gering. Het advies van [naam 3] aan klager luidde geen procedures aanhangig te maken. Voorts deelde [naam 3] in deze brief aan klager mee ook niet bereid te zijn dat voor klager te doen.

3.3

Vervolgens heeft klager bij brief van 2 december 2010 het onder 1. bedoelde verzoek aan de [gedaagde] gedaan. De [gedaagde] heeft dat verzoek bij brief van 15 december 2010 afgewezen op de grond dat hij de door klager gewenste procedure als kansloos aanmerkte, onder verwijzing naar de adviezen van [naam 2] en [naam 3].

4 De beoordeling

4.1

In zijn beklag betoogt klager dat art. 13 Advocatenwet de functie heeft de rechtstoegankelijkheid te handhaven. In beginsel dient volgens klager een advocaat te worden aangewezen, behalve als voor afwijking van dit uitgangspunt gegronde redenen aanwezig zijn. De brief van de [gedaagde] van 15 december 2010, waarbij de [gedaagde] geweigerd heeft een advocaat aan te wijzen, bevat volgens klager dergelijke gegronde redenen niet.

4.2

In zijn brief van 30 juni 2011 voegt klager hieraan toe dat [naam 3] niet aan hem, maar aan de [gedaagde] heeft geadviseerd en dat [naam 3] met zijn advisering dan ook niet de belangen van hem, [eiser], heeft behartigd. Daarnaast betoogt klager dat [naam 3] hem telefonisch heeft bevestigd dat de betreffende zaak niet op zijn vakgebied ligt.

4.3

Het onder 4.1 weergegeven betoog van klager faalt. De brief van de [gedaagde] van 15 december 2010 geeft de hiervoor onder 3.3. genoemde grond voor de afwijzing van

klagers verzoek. Het hof stelt vast dat in het bijzonder in het advies van [naam 3] uitvoerig is gemotiveerd op welke gronden klager moet worden afgeraden een procedure aanhangig te maken.

4.4.

Ook de stellingen van klager als hiervoor onder 4.2. genoemd kunnen niet tot het

door klager gewenste resultaat leiden. Allereerst geldt dat blijkens de brief van de [gedaagde]

van 31 augustus 2010 [naam 3] niet alleen aan de [gedaagde], maar ook aan klager advies

diende uit te brengen. Vervolgens geldt dat [naam 3] in zijn eerste memorandum klager heeft uitgenodigd tot een bespreking van zijn bevindingen. Klager heeft niet gespecificeerd in welk opzicht de bevindingen van [naam 3] aanvechtbaar zouden zijn, zodat aan de stelling dat met zijn visie geen rekening is gehouden voorbij moet worden gegaan. Pas in tweede instantie heeft [naam 3] zijn finale opinie gegeven, ertoe strekkende dat procederen sterk is af te raden. In het midden kan blijven wat er zij van de door klager geciteerde mededeling van [naam 3] omtrent zijn vakgebied; uit de advisering van [naam 3] zelf blijkt niet van onvoldoende vakkennis om de zaak op haar merites te kunnen beoordelen en deze stelling heeft klager ook niet anderszins toegelicht.

4.5

Alles bijeengenomen komt het hof tot het oordeel dat de [gedaagde] op zorgvuldige wijze

tot het juiste oordeel is gekomen dat er onvoldoende reden bestaat voor een nieuwe

aanwijzing van een advocaat.

4.6

Het beklag is daarom ongegrond.

5. De beslissing

Het hof

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van de[gedaagde]

(…)

1.2

De feiten zoals die door het hof van discipline zijn vastgesteld, zijn door [eiser] niet betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

Vordering en verweer

2. [eiser] vordert, kort gezegd, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 25.000,00 en de kosten van het geding.

3. [eiser] legt, samengevat, aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft een openstaande vordering op[bedrijf x]bestaande uit een verplichting tot terugbetaling van het door hem in [bedrijf x] geïnvesteerde bedrag van
2 x € 15.000,00 vermeerderd met een gemiddeld rendement over een periode van vier jaar (4 x 21,7% x € 30.000,00) = € 26.040,00. De vordering wordt niet betaald en [eiser] heeft een advocaat nodig om betaling van de vordering in rechte af te dwingen. [eiser] kon geen advocaat vinden en heeft zich tot [gedaagde] in [plaats], [gedaagde], gewend en [gedaagde] verzocht om een advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 van de Advocatenwet. [eiser] en [gedaagde] hebben met elkaar over deze kwestie gesproken, en uiteindelijk was [gedaagde] niet bereid om een advocaat aan te wijzen. Het gevorderde bedrag van € 25.000,00 is bedoeld als voorschot op de nu niet te innen vordering van [eiser] op [bedrijf x] alsmede als honorarium voor een toekomstig advocaat met een uurtarief vanaf € 250,00 of hoger. Aldus steeds [eiser].

4. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

Beoordeling

5. Zoals hierboven vermeld is van de zijde van [gedaagde] een conclusie van antwoord genomen waarbij tegen de vordering verweer is gevoerd. [eiser] heeft de kantonrechter verzocht deze conclusie buiten beschouwing te laten, althans verzocht om de eerder in deze procedure genomen beslissing van de rolrechter om het door partij [gedaagde] op[datum] 2012 laatste gevraagde uitstel voor conclusie van antwoord te verlenen, te heroverwegen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen. Zoals [eiser] in zijn verzoek ook onderkent, heeft de kantonrechter over deze kwestie al eerder beslist, namelijk ter comparitie op 30 januari 2013. In het proces-verbaal van die comparitie is de beslissing van de rechter als volgt weergegeven:

De [gedaagde] heeft twee maal uitstel gevraagd voor het nemen van een conclusie van antwoord, namelijk op[datum]en op [datum], de laatste keer wegens dringende redenen. Het eerste verzoek is ingewilligd op [datum]. Het tweede verzoek is ingewilligd op [datum], waarbij uitstel is verleend tot [datum]. De conclusie van antwoord is genomen op de rol van [datum]. Dat is op tijd en overeenkomstig het landelijk rolreglement. Ik ben van oordeel dat de conclusie van antwoord terecht is toegelaten als processtuk. Op basis van het rolreglement is het mogelijk een uitstel te verlenen van meer dan acht weken, namelijk indien een dringende reden voor uitstel wordt geaccepteerd, zoals de rolrechter heeft gedaan. Daarom was het mogelijk buiten de acht weken nog eens vier weken uitstel te verlenen.

Aan de rolrechter komt een discretionaire bevoegdheid toe om wel of geen uitstel te verlenen. De rolrechter heeft in de door [gedaagde] aangevoerde grond, namelijk dat nog informatie van derden moest worden verkregen, een voldoende klemmende reden voor uitstel gezien. De kantonrechter ziet thans geen aanleiding om deze beslissing ongedaan te maken. [eiser] heeft geen omstandigheden gesteld die aanleiding geven om van deze beslissing terug te komen. [eiser] merkt op (in zijn schrijven van 18 oktober 2012) dat hij belang heeft bij directe toewijzing van de vordering in plaats van een procesvertragend uitstel, maar dit is onvoldoende om de beslissing van de rolrechter, die de vertraging als omstandigheid meeweegt bij het beoordelen van een verzoek om uitstel, ongedaan te maken. Verder is van de zijde van [eiser] niet anders betoogd dan dat hij thans een vonnis wenst op basis van de, in geval van verlening van akte niet-dienen aan [gedaagde], niet weersproken inhoud van de dagvaarding. Het verkrijgen van een vonnis zonder weerwoord van de wederpartij is echter geen rechtens te respecteren belang. De slotsom is dat de conclusie van antwoord een gedingstuk is en blijft.

6. Ook het standpunt van [eiser] dat de conclusie van antwoord niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend wordt verworpen. Het tweede uitstel is verleend tot [datum] en de conclusie van antwoord van [gedaagde] is op die dag genomen. Daarbij dient te worden bedacht dat de termijnen voor uitstel beginnen en eindigen op de dag van de rolzitting, namelijk de woensdag. Om die reden is de termijn niet gaan lopen op dinsdag [datum], zoals [eiser] heeft verondersteld, maar op woensdag [datum]. De termijn is dus ook geëindigd op een woensdag, namelijk [datum], en niet op zondag[datum], zoals [eiser] heeft gesteld.

7. Wat betreft de inhoud van de zaak wordt als volgt overwogen. Gezien de inhoud van de dagvaarding en de door [eiser] daarop gegeven toelichting leest de kantonrechter de dagvaarding aldus dat wordt gedagvaard: 1) [gedaagde] en 2) [gedaagde] in persoon.

8. De [gedaagde] voert onder meer het verweer dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering nu de [gedaagde], [functie gedaagde], geen rechtspersoon is en dus niet in vermogensrechtelijke zin kan worden aangesproken. Dit verweer slaagt. [eiser] zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

9. De vordering gericht tegen [gedaagde] in persoon begrijpt de kantonrechter aldus dat [eiser] [gedaagde] aansprakelijk stelt op grond van onrechtmatige daad, omdat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 13 van de Advocatenwet door het verzoek een advocaat aan te wijzen, af te wijzen.

Artikel 13 van de Advocatenwet luidt,voor zover thans van belang, als volgt:

1. De rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, kan zich wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen.

2. De deken kan het verzoek alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Hij kan een aanwijzing op grond van bijzondere redenen wijzigen of intrekken.

3. Binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking, houdende afwijzing van het verzoek, kan de belanghebbende beklag doen bij het hof van discipline. Op de behandeling van het beklag zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

(…)

Overwogen wordt dat [gedaagde] de aan hem als [gedaagde] toekomende wettelijke bevoegdheid heeft uitgeoefend om het verzoek van [eiser] wegens gegronde redenen af te wijzen; dat de uitoefening van die bevoegdheid vervolgens is getoetst door het hof van discipline, de instantie die voor die toetsing bij wet is aangewezen; dat het hof heeft geoordeeld dat [gedaagde] zorgvuldig tot een juist oordeel is gekomen; dat dus in de loop van de volgens de wet toepasselijke procesgang is komen vast te staan dat [gedaagde] binnen de grenzen van artikel 13 van de Advocatenwet heeft gehandeld. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat [gedaagde] een verwijt valt te maken over de wijze waarop hij van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, maar [eiser] heeft nagelaten te stellen wat dit verwijt concreet inhoudt en waarom het oordeel van het hof van discipline onjuist zou zijn. Van enig onrechtmatig handelen van [gedaagde] is dan ook niet gebleken.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat [gedaagde] niet in strijd met de wet heeft gehandeld, zodat geen sprake is van het gestelde onrechtmatig handelen. De vordering zal dus worden afgewezen.

10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.000,00 aan salaris gemachtigde (1 punt voor de conclusie van antwoord, 1 punt voor de comparitie, 0,5 punt voor de voortgezette comparitie; toepasselijk tarief van € 400,00 per punt) tot heden. De na dit vonnis te ontstane kosten (de nakosten) worden begroot op € 100,00.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die is gericht tegen de [gedaagde];

II. wijst af de vordering voor zover die is gericht tegen [gedaagde];

III. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.100,00 inclusief de nakosten;

IV. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. H.J. Fehmers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter