Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:6380

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
C/13/474301 / HA ZA 10-3512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na beslissing hof staat vast dat de rechtbank onbevoegd was van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen toen zij tussenvonnis wees. Rechtbank komt terug van alle in het tussenvonnis genomen (bindende eind-) beslissingen en verstaat dat zij onbevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Geen veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/474301 / HA ZA 10-3512

Vonnis van 12 juni 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Engeland

CAMPBELL BLACK LIMITED,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

eiseres,

advocaat mr. L. Koning te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZWARTBOEK PRODUCTIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. I. Wassenaar te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Campbell en Zwartboek genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in gevoegde zaken van 25 januari 2012,

  • -

    de akte na tussenvonnis (tevens wijziging van eis) van Campbell van 30 mei 2012, met producties,

  • -

    de akte houdende verzoek tot definitieve beëindiging van de procedure tevens houdende onderbouwing volledige proceskostenveroordeling van Zwartboek van 9 januari 2013, met producties,

  • -

    de antwoordakte op “akte verzoek tot definitieve beëindiging en volledige proceskostenveroordeling” van Campbell van 6 februari 2013, met een productie,

  • -

    de akte houdende uitlating productie van Zwartboek van 20 februari 2013.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

In het vonnis in incident van 29 april 2009 is overwogen dat het in artikel 20.3 van de tussen partijen gesloten CPA opgenomen arbitragebeding zich ook uitstrekt over het in de hoofdzaak tussen partijen met betrekking tot bepaalde betalingen aanhangige geschil (r.o. 2.6). Vervolgens is in dat vonnis overwogen:

in de hoofdzaak

2.8.

Uit hetgeen hiervoor in het incident is overwogen volgt dat partijen met betrekking tot het in de hoofdzaak aanhangige geschil arbitrage zijn overeengekomen. De rechtbank zal zich om die reden in de hoofdzaak onbevoegd verklaren.

2.9.

Black Book (Campbell, rechtbank) zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, aan de zijde van Zwartboek begroot op € 4.732,00 aan vastrecht.

In het dictum heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen en Campbell veroordeeld in de kosten in het incident (€ 904,00), en in de kosten in de hoofdzaak.

2.2.

Campbell is tegen dat vonnis in appel gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het hof). Het hof heeft tegen Zwartboek verstek verleend en vervolgens arrest gewezen op 12 oktober 2010. Het dictum van dat verstekarrest luidt – voor zover van belang:

(…)

wijst de incidentele vordering van Zwartboek af en verstaat dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om van de vorderingen van (…) Campbell tegen Zwartboek kennis te nemen;

verwijst de zaak naar de genoemde rechtbank om op de hoofdzaak te worden beslist;

(…)

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

(…)

2.3.

Zwartboek is in verzet gekomen van het verstekarrest. Tevens is –

op initiatief van Campbell die de zaak op 3 november 2010 weer liet opbrengen – naar aanleiding van het verstekarrest voor deze rechtbank voortgeprocedeerd.

2.4.

Bij arrest 20 september 2011 heeft het hof (kort gezegd) de verstekverlening bekrachtigd en de zaak naar de rol verwezen om verder te procederen. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep tegen dit arrest opengesteld, van welke mogelijkheid partijen geen gebruik hebben gemaakt. In dit arrest heeft het hof voor zover van belang overwogen:

2.8.

Aangezien (…) niet ter discussie staat dat Zwartboek op 23 februari 2010, de datum van het exploot waarbij Campbell de rechtsdag vervroegde, (nog) stond ingeschreven op het adres waarop zij is gedagvaard, heeft de rolraadsheer terecht tegen Zwartboek verstek verleend. Dat Campbell er mogelijk van op de hoogte was dat Zwartboek was verhuisd (Campbell betwist dat) doet daaraan niet af, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat Campbell ten tijde van het litigieuze exploot van het nieuwe adres op de hoogte was, bijvoorbeeld doordat Zwartboek haar nieuwe adres aan Campbell had meegedeeld.

2.5.

Zwartboek heeft (meermaals) verzocht de procedure voor de rechtbank aan te houden, aangezien het door haar ingestelde verzet tegen het verstekarrest nog aanhangig was. De rechtbank heeft daarover in het tussenvonnis van 25 januari 2012 als volgt geoordeeld:

5.1. (…)

Het arrest van 12 oktober 2010 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat brengt mee dat Campbell de executie daarvan kan voortzetten, ook al heeft Zwartboek een rechtsmiddel tegen het arrest ingesteld. In zoverre hoeft de uitkomst van het verzet dus niet te worden afgewacht, terwijl aanhouding van de zaak ingevolge de eisen van een goede procesorde tot een onaanvaardbare vertraging van de procedure zou leiden. Het aanhoudingsverzoek van Zwartboek wordt derhalve afgewezen. Zolang het arrest niet is vernietigd of de uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan niet is opgeheven, moet in deze procedure verder ervan worden uitgegaan dat de rechtbank bevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen.

In dat vonnis is in onderhavige zaak (zaak 10-3512) aan partijen toegestaan een nadere akte te nemen; de rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden. In de zaak 10-2333 is eindvonnis gewezen. Die zaak kan hier verder onbesproken blijven.

2.6.

Bij arrest van 10 juli 2012 heeft het hof zijn in r.o. 2.2 genoemde arrest vernietigd en het in r.o. 2.1 genoemde vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daarbij voor zover van belang overwogen:

2.5.

Bij deze stand van zaken heeft de rechtbank zich terecht onbevoegd verklaard van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen en Campbell terecht als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding in eerste aanleg verwezen. (…)

2.7.

De termijn om beroep in cassatie in te stellen tegen de in r.o. 2.4 en 2.6 genoemde arresten is ongebruikt verstreken, waardoor deze arresten in kracht van gewijsde zijn gegaan.

3 De vordering

3.1.

Zwartboek verzoekt (de rechtbank begrijpt: vordert) dat de rechtbank (i) de zaak definitief zal beëindigen en (ii) Campbell zal veroordelen in de volledige proceskosten, althans een hogere proceskostenveroordeling zal uitspreken dan de proceskostenveroordeling conform het toepasselijke liquidatietarief en daarbij gemotiveerd zal beslissen over de (hoogte van de) proceskosten.

3.2.

Zwartboek voert ter onderbouwing – samengevat – het volgende aan. Campbell heeft misbruik gemaakt van het feit dat de adreswijziging van Zwartboek pas enkele dagen na haar verhuizing is verwerkt in het Handelsregister. Campbell wist van de verhuizing van Zwartboek, wat blijkt uit een e-mail van 11 februari 2010 aan onder anderen [naam] waarin is vermeld dat (thans) Zwartboek op 19 februari verhuist (productie 37 zijdens Zwartboek). Campbell heeft evenwel bewust na die verhuizing een vervroeging van de eerste zittingsdag in appel op het oude adres laten betekenen, om zo te bewerkstelligen dat aan Zwartboek verstek werd verleend in appel. De raadsman van Zwartboek is ook niet van de betekening op de hoogte gesteld. Er is dan ook sprake van een bewuste handeling met als doel tegen Zwartboek een bij verstek gewezen arrest te verkrijgen waarin alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – de bevoegdheid van de rechtbank zou worden uitgesproken. Campbell is in die opzet geslaagd. Vervolgens heeft Campbell zich ten onrechte verweerd tegen aanhouding van onderhavige zaak in afwachting van de (uitkomst van de) verzetprocedure, terwijl Zwartboek alles in het werk heeft gesteld om de – zoals nu is gebleken – na 3 november 2010 opgekomen nodeloze proceskosten in de hoofdzaak te voorkomen. Er is sprake van buitengewone omstandigheden, Campbell heeft misbruik van procesrecht gemaakt, althans onrechtmatig gehandeld, en is derhalve verplicht de volledige proceskosten van Zwartboek te vergoeden. Zwartboek heeft de volledige proceskosten begroot op € 80.560,25, gerekend vanaf de datum dat Campbell de zaak op 3 november 2010 weer bij de rechtbank liet opbrengen, aldus steeds Zwartboek.

3.3.

Campbell concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van Zwartboek in “haar vordering tot schadevergoeding”, waaronder Campbell verstaat de vordering tot veroordeling van Campbell tot de werkelijk gemaakte proceskosten minus de proceskosten conform het liquidatietarief en subsidiair tot afwijzing van die vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De verdere beoordeling

4.1.

In vervolg op het op 25 januari 2012 door de rechtbank gewezen tussenvonnis in de hoofdzaak (zie r.o. 2.5, hierna: het tussenvonnis) heeft Campbell op 30 mei 2012 een akte genomen naar aanleiding van hetgeen is vermeld in r.o. 5.5.4 van dat tussenvonnis en is Zwartboek in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen. Na verwijzing naar de parkeerrol en nadat de zaak op verzoek van Zwartboek weer op de continuatierol was geplaatst, heeft Zwartboek de proceshandeling waarvoor de zaak stond niet verricht, maar in plaats daarvan de in r.o. 3.1 omschreven vorderingen ingesteld.

4.2.

Nu het hof bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van 10 juli 2012 het vonnis van de rechtbank van 29 april 2009 heeft bekrachtigd (zie r.o. 2.1), staat vast dat de rechtbank onbevoegd was van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Vervolgens moet worden beoordeeld wat de status is van (de bindende eindbeslissingen in) het tussenvonnis. Hieromtrent wordt als volgt geoordeeld. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen houdt in dat rechterlijke uitspraken – ook in zaken waarin de rechter (uiteindelijk) niet bevoegd blijkt te zijn – tussen partijen rechtskracht hebben, zolang daar niet van wordt teruggekomen (ingeval van een tussenvonnis), althans zolang zij niet met behulp van een in de wet aangewezen rechtsmiddel zijn aangetast.

4.3.

Nu vaststaat dat de rechtbank onbevoegd was van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen toen zij het tussenvonnis wees en beide partijen aansturen op een eindvonnis waarin de rechtbank leest dat zij zich beroepen op, respectievelijk neerleggen bij, het gezag van gewijsde van de beslissingen in het vonnis van 29 april 2009, moet de rechtbank haar nadien genomen beslissingen heroverwegen. Zij is in dat verband voornemens terug te komen van alle in het tussenvonnis genomen (bindende eind-) beslissingen, met als doel in een eindvonnis te verstaan dat de rechtbank onbevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen en Campbell op de voet van artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten.

4.4.

Nu de rechtbank slechts bevoegd is om van een bindende eindbeslissing terug te komen, nadat de partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, stelt zij partijen bij dit tussenvonnis van haar onder 4.3 omschreven voornemens op de hoogte en geeft zij partijen de gelegenheid – uitsluitend – daarop (op dezelfde roldatum) bij akte te reageren.

4.5.

De rechtbank zal vervolgens verder beslissen, waarbij ook over de hoogte van de in het voordeel van Zwartboek uit te spreken kostenveroordeling een gemotiveerd oordeel zal worden gegeven.

4.6.

In afwachting van voormelde aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4.7.

Mr. W.A.J.P. van den Reek en mr. M.R. Jöbsis zijn door organisatorische omstandigheden niet in staat om dit vonnis mee te wijzen en daarom vervangen door de in het dictum genoemde rechters.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 juli 2013 voor het nemen van een akte door partijen als bedoeld in r.o. 4.4 over hetgeen is vermeld in r.o. 4.3,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen, mr. G.H. Marcus en mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2013.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: